Hebreeuws tot op de letter – de studieregels op een rijtje

De Bijbel bestuderen vanuit het Hebreeuws biedt tal van verrassende mogelijkheden, echter, dit blijft binnen bepaalde grenzen; bijvoorbeeld wat betreft het vergelijken van de letters in twee verschillende werkwoords-stammen, oftewel het zoeken naar woordverbanden.
Waar gaat het om met woordverbanden? In de Hebreeuwse taaltraditie gaat het zo: wanneer er twee Hebreeuwse werkwoordstammen zijn die twee letters gelijk hebben, dan mag er woordverband gezocht worden tussen deze twee werkwoordstammen. Dit gegeven kennen wij in het Nederlands niet, bijvoorbeeld de Nederlandse werkwoorden spellen en spelen hebben niets met elkaar te maken, ook al bestaan deze woorden bijna helemaal uit dezelfde letters. In het Hebreeuws is dit echter wel zo. Zo heeft het werkwoord halal הלל ook te maken met het werkwoord pálal פלל (twee stamletters, de lameds ל, zijn gelijk in deze woorden). Hálal betekent hallelujah zeggen , lofzeggen en palal betekent bidden. Zo leert dit werkwoordverband ons dat het Bijbelse bidden ook een vorm van lofzang mag zijn. De betekenissamenhang tussen deze twee woorden is duidelijk.
Woordverbanden zoeken is een bijzonder boeiende en zegenende vorm van Bijbelstudie. Het is niet moeilijk en het geeft zeer verrassende inzichten. De Hebreeuwse Bijbel staat werkelijk bol van dergelijke verrassende woordvergelijkingen welke God Zelf vaak in de mond neemt.
Het is ook lonend om naar de letterbetekenissen van de Hebreeuwse letters in een bepaald woord te kijken, ook dit kan verrassende inzichten opleveren. Neem bijvoorbeeld het woord wat met onderwijs te maken heeft, namelijk het woord voor leren: למד lamad. Als we gaan kijken naar de betekenis van de letters in dit woord dan zien we dat de eerste letter, de lamed ל betekent: prikstok. De tweede letter, de mem מ, betekent waterstroom of tijdstroom en deze letter heeft alles te maken met wachttijd. De laatste letter is een daleth ד en deze betekent deur. Wat is leren: men heeft een prikstok, een lamed nodig om aan de gang te gaan en men moet de leerstof steeds herhalen en herhalen voordat het indaalt, dat is de wachttijd van de Mem en dan als de stof ‘erin zit’ dan gaat er een deur van kennis voor ons open, de Daleth.

We hopen dat u ermee aan de slag zult gaan. Blijf echter ontspannen; niet altijd vindt u een woordverband of een bevredigende verklaring. Niet altijd kunt u iets maken van de letters uit het woord dat u bestudeert. Laat het dan gewoon los, er zijn nog zoveel woorden waarmee u wel iets moois vindt.
Dan is er nog een andere vorm van Woordstudie. Hierbij kijken we met een Hebreeuwse Concordantie1) of Bijbels Woordenboek2) naar een Bijbelwoord. Waar staat het geschreven? In welke Bijbelboeken komen we dit woord nog meer tegen? Wat is de betekenis hier? Is de betekenis misschien anders en kunnen we, als woordchirurgen, de betekenis van het woord in het ene Bijbelboek blootleggen en toepassen op hetzelfde woord in een ander Bijbelboek? Een voorbeeld: ‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde,’ Genesis 1:1. De drie woorden In den beginne zijn in het Hebreeuws maar één woord, namelijk het woord בארשית bereshiet. Dit woord bestaat dan weer uit twee delen: uit be ב en uit reshiet ראשית. In de Hebreeuwse grammatica betekent be ב: in, met of ook wel op, door. Reshiet ראשית betekent in Genesis inderdaad begin, beginne. Maar als we nu met de vinger langs de betekenissen van het woord reshiet glijden in de concordantie dan komen we ook op andere vertalingen en nu wordt het interessant: In Psalm 111:10 komt het woord reshiet ook voor en hier betekent het: beginsel: “De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid.” Kijken we dan verder naar Leviticus 23:10, dan zien we daar geschreven dat men van de eerstelingen van de oogst naar de priester moest brengen. Ook dat is het woord reshiet. Nu kunnen we deze vertalingen toepassen op de tekst. Van Genesis 1  kunnen we dus evengoed zeggen: Met een beginsel of met een Eersteling schiep God de hemel en de aarde. Wie is dan die Eersteling? Als we Johannes 1:1 lezen dan zien we: ‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.’ Hier gaat het over Jehoshua, onze Messias.
Kijk bij een te bestuderen woord waar het voor het eerst wordt gebruikt in de Bijbel. Kijk ook of het woord door God Zelf wordt gebruikt en zo ja, waar Hij dat voor het eerst doet. Dit zijn allemaal handige kapstokken om een gedegen woordstudie te maken waar u zelf het meest van geniet, buiten dat u zo enthousiast wordt dat u het aan iedereen wilt doorvertellen.
Er is echter wel wat ‘snoeikunst’ vereist omdat een concordantie en ook een Bijbels woordenboek wat betreft de werkwoorden alleen werken met werkwoordstammen. In het Nederlands is het zo dat bijwoorden, voegwoorden, voornaamwoorden enzovoorts los in de tekst van een zin voorkomen. In het Hebreeuws, echter, ‘koeken’ deze woorden aan de woordstam vast: Is de woordstam van een werkwoord bijvoorbeeld שמר shamar, wat letterlijk betekent: hij heeft bewaard, dan is ik bewaar het woord אשמר eshmor. Plotseling staat er aan de woordstam bewaren, shamar שמר een Aleph א vastgeplakt. Proberen we dit woord, met Aleph en al op te zoeken in een concordantie of woordenboek, dan kunnen we het niet vinden. We moeten beseffen dat deze Aleph in dit woord dienst doet als het persoonlijk voornaamwoord ik. Snoeien we de Aleph weer van de woordstam af, dan kunnen we de overgebleven stam, shamar שמר, wél vinden in Concordantie en Bijbels Woordenboek. We moeten dus wel iets weten van het snoeien van woorden om de woordstam bloot te kunnen leggen, zodat we daarmee aan de slag kunnen. In het Alephcursusboek ‘Hebreeuws In Zes Dagen’ vindt u hoe u dit moet doen.
1) Wij gebruiken de Englishmans Concordance to the Old Testament van George V. Wigram. Makkelijk te googlen. ISBN nummer: 1-56563-208-7
2) Het Bijbels Woordenboek van Peter D.H. Broers is een bron voor heerlijke woordvergelijking. Wij werken er graag mee. In de betere Bijbelshop te koop en zeker ook daar te bestellen. ISBN nummer: 978-90-802325-2-5.
Komt u er helemaal niet uit om een bepaalde woordstam in het Hebreeuws te vinden, dan kunt u zich altijd nog verlaten op het krukkenboek, een soort ‘Hebreeuws voor dummies,’ maakt u geen zorgen, wij hebben hem ook en gebruiken hem wanneer nodig! Het is de Analytical Hebrew and Chaldee Lexicon van Benjamin Davidson, ISBN nummer: 0913573-03-5.
We hopen dat we u wat kapstokken hebben kunnen bieden zo om een aantal heerlijke Bijbelstudie uren te beleven.

Voor de liefhebbers: de elf dienstdoende letters:
De woordstam hebben wij hier weergegeven als: XXX. We lezen het Hebreeuws van rechts naar links:

XXXא De Aleph (betekent Koploper, Voortrekker, Eersteling) doet alleen dienst vóór de woordstam als Ik. Bewaren is het woord shamar שמר en Ik bewaar is het woord eshmor אשמר.

XXXב De Beth (betekent: huis) doet alleen vóór de woordstam dienst als: in, met, door, op. Huis is bajit; in huis is babajit בבית.

XXXה De Hé (betekent: Bovenvenster) doet vóór de woordstam dienst om een zelfstandig naamwoord bepaald te maken: bijvoorbeeld het huis, habajit הבית, de boom, ha‘ets העץ.
XיXXה De Hé kan ook samen met de Jod de doevorm aangeven, bijvoorbeeld: iemand doen drinken is iemand drenken. De doevorm is de enige vorm in het Hebreeuws waarin twee dienstdoende letters met elkaar samenwerken om een vervoeging te maken, waarbij deze twee echter niet naast elkaar staan; is daarom ook de lastigste… Doen bewaren wordt dan: Hishmir השמיר.
הXXX Aan het eind van een woord kan de Hé een vrouwelijke vorm aangeven: Sarah שרה, Debhorah דבורה, ook kan de Hé aan het eind van een woord richting aangeven: naar huis is baitah ביתה.

XXXו De Waw (betekent: verbindingshaak en staat voor de mens) kan vóór de woordstam dienstdoen als: en, opdat, doordat, zodat en zelfs als maar. De Waw kan dan ook dingen en mensen aan elkaar haken: Abraham en Sarah wordt: Abhraham weSarah, אברהם ושרה.

וXXX Achter de woordstam betekent de Waw hem of zijn, dus zowel betrekkelijk al bezittelijk: Hij bewaart hem wordt dan jishmerekho ישמרכו. Zijn huis wordt dan Beito ביתו. Bij deze voorbeelden verklinkert de Waw naar een o-klank.

Ook kan de Waw aan het eind van een woord de persoonsvorm zij (meervoud) aangeven: zij hebben bewaard wordt dan shamroe שמרו. Hier verklinkert de Waw naar een oe.

נוXXX Samen met de Nun kan de Waw aan het eind van een woord aangeven: ons, zoals in bewaar ons: shamarnoe שמרנו.

XXXי De Jod (betekent: Zegenende hand, lovende hand) doet vooraan een werkwoord dienst als: Hij. Bewaren is het woord shamar שמר; Hij bewaart wordt dan jishmor ישמר.

יXXX achter een zelfstandig naamwoord kan de Jod dienst doen als: mijn, zoals bijvoorbeeld in: mijn huis, bejti ביתי.

ניXXX samen met de Nun doet de Jod dienst als: Mij, zoals bij het werkwoord leren: lamad למד. Leer mij betekent dan: lamdeni: למדני.
XXXכ De Kaph (betekent: doende hand) vooraan een zelfstandig naamwoord kan dienst doen als de vergelijking zoals. Voorbeeld: de mens is ádám אדם: zoals de mens wordt dan: keAdam כאדם.
ךXXX aan het einde van een woord kan de Kaph dienst doen als U. Hij bewaart u wordt dan: jishmerekha (let hier ook op de Jod vooraan dit werkwoord, wat betekent: Hij) ישמרך.

XXXל De lamed (betekent: prikstok) vooraan een zelfstandig naamwoord betekent: Aan of Naar, zoals bijvoorbeeld: Naar Tel Aviv wordt dan: LeTel Abhibh לתל אביב.

XXXמ De Mem (betekent water en staat voor: wachttijd, woestijntijd) vooraan een werkwoord geeft de Mem de zgn. wachtvorm aan, zoals bijvoorbeeld bij het werkwoord spreken, dábhar דבר wat in de wachtvorm aangegeven wordt als: sprekende מדבר; God is sprekende in de woestijn, de midbar מדבר. Ziet u hier het woordverband tussen het werkwoord sprekende en het woord woestijn? We schrijven het zelfs met precies dezelfde letters, dit is diepzinnig want in de woestijn, tijdens die veertig jaar wachten op het Beloofde Land, gaf God Zijn Torah aan Moshe en het volk).

XXXמ Ook kan de Mem vooraan een zelfstandig naamwoord dienst doen als: uit, vanuit, vanaf: vanuit Sion wordt dan: miTsion מציון.

יםXXX Aan het eind van een woord geeft de Mem (nu als sluitmem ם) samen met de Jod de mannelijke meervoudsvorm aan: iem. Huis is bajit בית, huizen zijn bejtiem ביתים.

XXXנ De Nun (betekent vis en staat voor: vrijheid, verlossing) kan vooraan een werkwoord dienst doen als: Wij, zoals in het voorbeeld van het werkwoord shamar שמר bewaren, dit wordt dan nishmor נשמר: wij bewaren.

XXXנ Ook kan de Nun vooraan een werkwoord dienst doen als de lijdende vorm (de zgn. Niphalvorm) bewaard worden: nishmar נשמר.

נוXXX Aan het eind van een werkwoord kan de Nun samen met de Waw dienst doen als Ons: Bewaar ons: shamarnu שמרנו. Zoals al eerder genoemd bij de Waw.

ניXXX Samen met de Jod kan de Nun aan het eind van een werkwoord aangeven: Mij: Bewaar mij: shamarni שמרני.

XXXש De Shin (betekent Tand en staat voor het verwerken van het verleden) kan vooraan een zelfstandig naamwoord dienst doen als: die, dat of waarvan geldt dat.

XXXת De Taw (betekent Teken, Kruisteken en staat voor zelfovergave) kan vooraan een werkwoord dienst doen als U of Jij. U bewaart wordt dan: Tishmor תשמר.

ותXXX Achteraan een zelfstandig naamwoord kan de Taw samen met de Waw dienst doen om het vrouwelijk meervoud, oth ות aan te geven. Shem שם is naam; shemoth שמות zijn namen.

Echad – Echod – God

Deuteronomium 6:4: ‘Hoor Israel, de HERE uw God, de HERE Hij is Eén, Echad!’

Voor de stelling dat het Germaanse woord god afgeleid is van het Hebreeuwse ‘êchod (Ashkenazisch-Germaanse uitspraak voor ‘echád= één) is geen volledig gefundeerd wetenschappelijk bewijs. Maar er is een prachtige aanwijzing in die richting.

Deze Hebreeuwse taalkundige aanwijzing betreft de woorden ‘ghomri’ en ‘galati’. Ghomri is de naam van een koning die wij kennen als Omri, de stichter van de stad Samaria, de vader van koning Achab. De eerste letter van het woord omrí is een Ajin ע, een keelklank die vanouds als ‘gh’ wordt uitgesproken, vandaar: ‘ghomri.’ In de Assyrische inscripties wordt heel het Tienstammenrijk in Noordelijk Israël aangeduid met de term ‘het huis van Ghomri.’ Heel dit ‘huis’ is later door de Assyriërs weggevoerd naar Noord-Irak. Volgens een overlevering zouden een aantal van deze Ghomrianen uitgezwermd zijn o.a. via de Zwarte Zee naar Noord West Europa, waar de Ghomrianen als Germanen bekend werden.

Keltische boerenhut.

De tweede taalaanwijzing zit in het woord ‘galati,’ dat te zien is als een verbuiging van het woord ‘galuti,’ letterlijk de mensen van de Galuth. Galuth is Hebreeuwse woord voor ballingschap. De taalstap van Galuti naar Galaten en Galliërs is klein. Het is een algemeen aanvaard gegeven dat de namen Galliers en Kelten doelen op dezelfde bevolkingsgroepen.

Wellicht nog eerder dan de Germanen waren de Kelten uitgestroomd over Noord West Europa en Groot-Brittannië. Ook neemt men algemeen aan dat de Galaten, die we kennen van Paulus’ brief aan de Galaten, een Gallisch-Keltische stam is die weer in de richting van het Midden Oosten is getrokken. De Israëlitisch wortels van deze Galaten blijkt wellicht ook uit hun haast fanatieke liefde voor de Hebreeuwse Torah.

Wel, wat is er dan zo interessant aan deze volken: zij kenden God als de Eén, de Echad en zij namen die kennis mee naar Europa! Op z’n ashkenazisch uitgesproken is Echad: Echod, met een o-klank in plaats van een a-klank. Het is maar een heel klein stapje van Echod naar God.

Deze uitleg van waar de naam god vandaan komt lijkt stevig. Steviger dan de gangbare opvatting dat het woord god zou samenhangen met het oud Indische woord purûhta, dat de ‘veel aangeroepene’ betekent en een zogenaamd epitheton is van de (af)god indras. Althans, dit klinkt veel hypothetischer en veel minder gefundeerd dan de zo voor de hand en klank liggende samenhang tussen God en Echod.

 

בּרך barakh/ bérékh: zegenen 

Een goede vertaling voor het werkwoord  בּרך bárakh, of in de versterkte vorm bérékh is: zegenen en voor het zelfstandig naamwoord בּרכה  bêrákháh: zegen of zegenspreuk . Maar wat is zegenen? In het Hebreeuws is er woordverband tussenבּרך bárakh  en דבר  dábhar (of in de versterkte vorm dibér דבּר): spreken, een zinvol woord zeggen. Ook in onze taal is er een opmerkelijk (toevallig?) letterverband te zien tussen ‘zegenen’ en ‘zeggen’: zegenen is iets zeggen dat zeer gewichtig is.

 

Een zegenspreuk is een zin met een zware lading, een ‘ingedikt gezegde’ waarin een lang verhaal in een paar woorden is samengevat. Zoals de zegenspreuk over het dagelijks brood: ‘Gezegend zijt Gij Die het brood uit de aarde  doet voortkomen’, een unieke, zeer compacte zin waarvan de uitleg hele bladzijden kan vullen. Dat ‘God het brood uit de aarde doet voortkomen’, legt dat maar eens uit! Spelen wij hierbij dan geen rol? Is God behalve de Schepper van de wondere graankorrel, die sterft en opstaat in veelvoud, dan ook de Boer die het graan gaat oogsten en de Molenaar die het maalt tot meel en de Bakker die er brood van maakt?

Ook de zegenspreuken die we ontvangen: ‘De HERE doe Zijn Aangezicht over U lichten en zij U genadig’ zijn gewichtige woorden met zo’n zware lading dat we als vanzelf ons hoofd gaan buigen of op onze knieën gaan. Het Hebreeuwse woord voor ‘knie’ is בּרך berekh (dezelfde letters!) en בּרך bárakh als werkwoord kan ook ‘knielen’ betekenen.

Zegenen doen we niet alleen met onze mond, maar ook met onze handen: als Joodse ouders aan de shabbatsmaaltijd hun kinderen zegenen, leggen zij hun de handen op, en terwijl de kinderen gezegend worden buigen zij hun hoofd of gaan ze op hun knieën. Of, in het geval van kleine kinderen: ze zitten op vaders knie!

De zegenspreuken zijn niet alleen gewichtig, ze zijn ook krachtdadig, het zijn krachttermen, die een krachtige uitwerking hebben: er gebeurt iets als er gezegend wordt. Zegenspreuken zeggen is geen woordenspel! Zoals er ook iets gebeurt als er gevloekt wordt: een vloek is een krachtterm die een bepaalde werking heeft. Merkwaardig dat voor beiden in het Hebreeuws hetzelfde woord gebruikt kan worden: ‘Vervloek (bárékh!) God en sterf’, zegt de vrouw van Job (Job 2:9).

Wat gebeurt er dan bij het zegenen of het vervloeken? De eerste keer dat het woord in de Bijbel voorkomt is in het scheppingsverhaal, waar staat dat God de vissen en de vogels gezegend heeft, en later ook dat Hij man en vrouw gezegend heeft en tenslotte dat Hij de zevende dag gezegend heeft (Gen.1:22,28 en 2:3). Wat gebeurt er als God de Schepper een krachtig, zwaar geladen woord uitspreekt over alle levende wezens? Dan gebeurt wat Hij zegt, dan voltrekt zich wat Hij in de zegenspreuk zegt: ‘weest vruchtbaar, vermenigvuldigt u!’ Gods zegen heeft scheppende kracht! Hij schept door Zijn zegenend Woord het wonder van de vruchtbaarheid. Daarom is elke vruchtboom, elke korenaar, elke druiventros, elk vogelei en in het bijzonder elk pasgeboren kind een zegen des HEREN.

En ook schept Hij door Zijn zegenend Woord het wonder van de rust* op de zevende dag. Een rust, die vruchtbaar is op de rustdag zelf – in deze rust, in de dankzegging en de vreugde over Gods scheppend en bevrijdend werk, ontplooit zich ons menszijn ten volle, zijn wij het meest mens, medemens – maar de shabbatsrust wil ook vruchtbaar zijn in heel de week, wil zich voorplanten op alle dagen: een dag niet gerust, niet gerust in de dankzegging, is een dag niet geleefd!

Ook de zegenspreuken, die in Zijn Naam worden uitgesproken, zoals de zegenspreuken van vader Jacob over zijn twaalf zonen en van Mozes over de twaalf Stammen, hebben een scheppende kracht, zij bepalen de geschiedenis van Israël en daardoor mede de wereldgeschiedenis: ook onze persoonlijke geschiedenis is mede bepaald door de ingedekte gezegdes van Jacob en Mozes, met name die over Juda, over de Leeuw uit Juda’s stam.

Merkwaardig dat er letterverband is tussen בּרך bárakh: zegenen en בּרא bára scheppen: zegenen is scheppen.*

Het is goed er op te letten dat bij de zegenspreuk over het dagelijks brood en ook bij die over de wijn in het weekend, niet deze scheppingsgaven zelf gezegend worden, maar God de Schepper en Bevrijder, de Altijd Aanwezige: Gezegend zijt Gij, Báruch ‘atáh, Die het brood uit de aarde doet voortkomen en Die de vrucht van de wijnstol schept. God wordt gezegend!

Wat gebeurt er als wij God zegenen, als wij zwaarwichtige woorden tegen Hem zeggen? Daar wordt God gewichtiger van, zwaarder, groter. Want wij kunnen God groot maken, groter maken: ‘Maak met mij God groot’ (Psalm 34:4). Dat is niet symbolisch bedoeld, maar letterlijk: door zegenspreuken uit te spreken elke dag, minstens over het dagelijks brood, wordt God groter. Daardoor krijgt Hij een grotere plaats in ons leven en samenleven. Een gezin dat dagelijks dankt aan tafel en in het weekend bij de feestelijke maaltijd de zegenspreuk zegt over de wijn, ruimt een voorname plaats in voor God aan hun tafel, zet Hem in het midden van hun gezinssamenleving, maakt Hem gewichtig, heiligt** Zijn Naam op aarde. Een samenleving die in haar midden ruimte maakt voor de publieke getijdendiensten; voor de dagelijkse morgen- en avondgebeden, waarin de gemeenschappelijke lofzang van het dorp, de buurt of de stad zich kan concentreren, en een volk dat op nationale feestdagen via haar volkslied de lof zingt van Israëls God, maakt een ruimte vrij voor de Goddelijke Aanwezigheid in het land. Want Hij troont op onze lofzegging, op onze zegenspreuken (Psalm 22:4).

Maar een gezin dat geen zegenspreuk meer zegt over het dagelijks brood en dat aan de feesttafel de wijn niet heilig*, een samenleving die geen verantwoordelijkheid neemt voor de dagelijkse publieke lofzang en een volk dat op de nationale feestdagen en bij de opening van het parlementaire jaar geen zegenspreuk meer zegt, maakt God klein, verkleint of verdringt Zijn Aanwezigheid en schept een leegte in het midden van het volksleven, die niet te vullen is met popmuziek en zangfestijnen, met dansparty’s of drinkgelagen, een leegte die aantrekkelijk is voor boze geesten, die een volk van binnenuit ruïneren.

Wat gebeurt er als wij Israël zegenen? Daar wordt Israël zwaarder van, gewichtiger, krijgt het de voorname, leidinggevende plaats in het midden van de volkerenwereld. Maar elk volk dat Israël zegent, wordt er ook zelf zwaarder, gewichtiger door: het gaat delen in de ereplaats met Israël en wordt mede leidinggevend voor andere volken.

Hoe zegenen wij Israël? Wij moeten niet Israël zelf zegenen, maar net als bij brood en wijn God zegenen als de Schepper, Bevrijder en Bewaarder van Israël: Báruchatáh, gezegend zijt Gij, Die Israël als Uw uitverkoren Eerstgeborene in het leven hebt geroepen, hem bevrijd hebt uit Egyptische en Babylonische ballingschap en uit de allerlangste en allergruwelijkste Romeinse ballingschap en hem bewaard en beschermd hebt tegen hun naburige en verre vijanden.

De kortste zegenspreuk met betrekking tot Israël is de shalomwens: bidt Jeruzalem vrede toe.

(Psalm 122:6). Vrede, שׁלים, is niet alleen het slotwoord van de Aäronitische zegen (Numeri 6: 24-26), maar ook het slotwoord van de apostolische zegen: ‘Genade zij u en vrede.’ In feite zijn in de shalomwens alle zegenspreuken gebundeld. Shalom is het meest ‘ingedikte gezegde’ waarmee wij Israël kunnen zegenen, maar ook waarmee wij elkaar mogen zegenen of begroeten. Want elkaar groeten is in feite elkaar zegenen, ook het typische groetgebaar, het opsteken van de rechterhand is in feite een zegenend gebaar: shalom! Dat groeten meer is dan louter woordenspel- en het hand opsteken tegen de buurman meer dan een zinloos, nutteloos ritueel- merken we als een goede bekende ons ineens straal voorbij loopt. Als groeten ons niets deed, zouden we daar niet verbaasd of boos over worden.

Er is woordsamenhang tussen: בּרך bérékh, zegenen; בּכר bêkhor: eerstgeborene en בּכר báchar: kiezen, uitverkiezen. In alle drie schuilt ook het woord בּר bar: zoon. De oudste zoon (bar) is als eerstgeborene (bechor) uitverkoren ( báchar) om mede (samen met de ouders) zorg te dragen voor de dankzegging (bêrákáh) in de huiselijke eredienst.

Notities

* Er is nog een merkwaardigheid die samenhangt met de getalswaarden van de letters van het werkwoord בּרך: de  letter בּ Beth vertegenwoordigt het getal 2, het getal van de verdubbeling, de letter ר Resh is de 2 in de rij van de honderdtallen: 200 en de Kaph is de כּ bij de tientallen: 20; opgeteld vormen zij het getal 222. Deze merkwaardigheid bevestigt de betekenis van het woord בּרך  bárakh: zegenen = ‘verdubbelen’= in hoge mate vermeerderen = vermenigvuldigen, bevestigt de betekenis van de oerzegenspreuk: ‘en God zei: weest vruchtbaar, vermenigvuldigt U en vervult de aarde (Gen.1:28).’ [Het gegeven van de samenhang tussen letters en getallen wordt in deze leergang alleen een enkele keer gebruikt als het heel duidelijk de woordbetekenis kan bevestigen of illustreren. Het spelen met getalswaarden kan nooit het Woord vervangen of iets aan de betekenis toevoegen; waar dat wel gebeurt, gaat het om ‘vrome verdichtsels’].

** Het gebed ‘Uw naam worde geheiligd,’ wordt op de meest simpele wijze verwerkelijkt door God te danken voor ons dagelijkse brood. Heiligen is verbinden met de Heilige: dankzeggingen, zegenspreuken, zijn het belangrijkste bindmiddelen, heiligingsmiddelen, waardoor de schepping in het krachtenveld blijft van de Schepper. Waar de dankzegging verdwijnt, verdort de aarde.

*** Over het onderscheid tussen de Bijbelse godsdienst en de heidense religie: de heidenen brengen offers opdat de goden verzoend worden, Israël brengt dankoffers omdat God verzoend is! Israël probeert niet door offerrituelen of meditatietechnieken op te stijgen tot God, maar maakt hier op aarde plaats voor Hem: Hij troont op de lofzangen van Zijn volk.

 

 

De Tien Woorden in samenvatting

                                                   

 

 Beloftevolle Woorden

De Tien Woorden zijn in meerderheid beloftevolle woorden: bij acht van Tien staan de werkwoorden in de toekomende tijd. Slechts twee van de Tien zijn pure geboden, waarbij de werkwoordsvorm staat in de gebiedende wijs: ‘gedenk de Shabat’ en ‘eer Uw vader en Uw moeder.’ Deze twee zijn fundamenteel voor de vervulling van de beloften: door het gedenken en heiligen van de Shabat wordt de relatie met Israëls God, met Zijn Woord onderhouden en kan Zijn Geest de Torah schrijven in onze harten (Jeremia 31:33; Hebreeën 8:10) en zo de beloftevolle Woorden waar maken, en door de ouders en ouderen (presbyters) te respecteren wordt men geoefend in het gehoorzamen aan Dé Oudste: leert men te horen naar Zijn Woord en kan de Geest Zijn vernieuwend werk in ons doen.

 

JHWH ámar

De Altijd Aanwezige heeft gezegd

 Anokhi JHWH

IK ben de Altijd Aanwezige

Lo’ jihjeh lekhá ‘elohím ‘acherim

Eens geen andere goden meer

Lo tisa’ ‘et Shem

Eens geen Godsverduistering meer

Zêkhor haShabbat

Gedenk (heilig) de Shabbat

Kabéd ‘eth ‘ábíkhá we’imèkhá

Eer Uw vader en Uw moeder

Lo’ tirtsach

Eens geen moorden meer Israël

Lo’ tih’áph

Eens geen ontrouw meer

Lo’ tiqnoph

Eens geen diefstal meer

Lo’ ta`aneh bêré`akhá

Eens geen leugentaal meer

Lo’ tachmod

Eens geen jaloezie meer

Áhabtá JHWH

Eens vol van Liefde voor de Altijd Aanwezige

JHWH ‘Echád

Eens komt er wereldwijde erkenning voor de volstrekte Eenheid van Israëls God, Die Woord is én Geest.

 

בּחר BÁCHAR: kiezen

Het Hebreeuwse werkwoord בּחר BÁCHAR kiezen is één van de kernwoorden die kenmerkend zijn voor de God der Hebreeën: Hij kiest, heeft gekozen en zal vasthouden aan zijn keuze! Israëls God is geen automaat, geen voorgeprogrammeerd robotachtig Wezen dat onverstoorbaar en gevoelloos volgens een vastgestelde orde zijn programma afwerkt. Hij is ook geen grillig Noodlot dat willekeurig en onberekenbaar in onze geschiedenis ingrijpt. Maar Hij is die Ene Unieke Grootheid Die bewust kiest en hoe dan ook aan zijn keuze vasthoudt.

Zijn verkiezend handelen begint al bij de schepping, Hij kiest in de mateloze veelheid van het heelal voor onze planeet aarde. Hij kiest voor Noach, Hij kiest voor Abram. Maar de eerste keer dat dit werkwoord בּחר BÁCHAR, kiezen,voorkomt in relatie tot Israëls God, is in Deuteronomium 7:6: ‘U heeft de HERE Uw God uitverkoren uit alle volken om Zijn volk te zijn.’ Waarom Israël? ‘Niet omdat U zo’n groot en sterk volk was,’ zegt Mozes, ‘maar omdat God U liefhad (Deut.7:8).’

Later komt het werkwoord ook voor met betrekking tot de keuze voor Aäron en zijn zonen en voor de stam van Levi (Deut. 18:5; 21:5; Ps.105:26) en ook in verband met Gods keuze voor David (2 Sam. 16:8,10; 6:21), voor de Berg Tsion als Zijn woonplaats (Ps. 132) en voor de zevende dag als Zijn rustdag.

Dit kiezen van God voor een bepaald volk, voor een bepaalde familie of een bepaald persoon, is een zeer ingrijpend gebeuren omdat daarbij anderen worden gepasseerd. God kiest voor Abram en gaat Lot voorbij, Hij kiest voor Isaäk en passeert Ismaël, Hij kiest Jacob en gaat Ezau voorbij, Hij kiest David met voorbijgaan van al zijn oudere broers en Hij kiest de familie van Aäron en de stam van Levi met voorbijgaan van alle andere families en stammen, Hij verkiest de berg Tsion boven alle andere bergen ter wereld en zevende dag boven de andere dagen1).

Soms worden jongeren, als ze oud geworden zijn, ook weer gepasseerd door de ouderen: zo is het volk Israël, de jongste der volken bij de uitzending (de verkondiging van het Koninkrijk Gods onder de volken, Jes.2:1-4) gepasseerd door de jonge gemeenten uit de volken. Maar nu na 2000 jaar worden de oude kerken weer ingehaald door het verjongde Israël, dat sinds 1948 weer jong en fris op de wereldkaart staat!

Waarom kiest God voor Israël, waarom zondert Hij deze jongste der volken af van de overige volken en waarom zet Hij binnen Israël het koningshuis van David en de stam van Levi apart?

Hij zondert een deel af van het geheel, een volk apart, een familie apart, met het oog op het geheel. Israël wordt gekozen met het oog op alle volken, ja op heel de schepping die hij liefheeft. Want van Hem is heel de aarde (Ex.19:5) en Hij is Koning over alle volken (Ps.47:3; 67:4).

Kiezen en liefhebben zijn twee handelingen van Israëls God die onlosmakelijk gekoppeld zijn: liefhebben is een vorm van kiezen en kiezen is een vorm van liefhebben. Wie iedereen liefheeft heeft niemand lief*. Liefde kiest altijd een spoor, een kanaal waarlangs de liefde kan uitstromen naar anderen. De liefde van de bruidegom voor zijn bruid is verkiezende liefde: deze ene, die hij uit alle vrouwen ter wereld gekozen heeft, is het kanaal waardoor hun gebundelde liefde kan uitstromen naar anderen, naar de kinderen, naar de buurtgemeenschap en de volksgemeenschap, naar heel Gods schepping.

Kenmerkend voor deze verkiezende Liefde van Israëls God is dat zij niet vaag en vluchtig is, maar de structuur heeft van een onverbrekelijk verbond. Zijn verkiezende liefde is onvoorwaardelijk én duurzaam, voor altijd en immer.

Vanuit deze Liefde, deze onverbrekelijke verbondsliefde, heeft Hij gekozen voor Zijn volk Israël en heeft Hij gekozen voor de Berg Tsion (Ps.132:13) in het hart van het Beloofde Land, in het centrum van de wereld (Jes.2:1-4).

Vanuit deze onverbrekelijke verbondsliefde heeft Israëls God ook een gemeente, een ekklesia gekozen uit de volken, in het spoor van Israël als het kanaal waarlangs Zijn Liefde kan uitstromen tot aan de einden der aarde.

*De slogan dat God van alle mensen houdt zonder onderscheid is een gevaarlijke eenzijdigheid die leidt tot haat tegen Gods uitverkoren bruidsvolk Israël, met wie en door wie Zijn Liefde uitstroomt naar de volkerenwereld.

Kiezen is een kernwerkwoord dat niet alleen kenmerkend is voor Israëls God, maar ook voor de mens die naar Zijn beeld geschapen is. Menszijn is kunnen kiezen. We zijn geen willoze werktuigen van een onverstoorbaar Noodlot. Het is ook onmenselijk om stuurloos mee te drijven op de grote stroom waarin iedereen mee stroomt, om te denken en te doen zoals de massa doet, zoals de massamedia ons voorhouden: ‘Gij zult de meerderheid niet volgen in het kwaad.’ Menselijk is het om te kiezen: ‘Kies heden wie Gij dienen zult (Jozua 24: ).’

Bij de intocht in het Beloofde Land heeft Israël gekozen voor zijn uitverkiezing: heel bewust heeft het Godsvolk de keuze van Zijn God aanvaard (Jozua 24: 22). En de vrome Israëliet kiest bewust voor de weg die God hem wijst (Ps.119: 173). Menszijn als beelddrager van Israëls God is kunnen kiezen, kiezen voor onze uitverkiezing:

‘Wij en ons huis wij zullen de HERE dienen.’

Er is woordverband tussen Báchar (uitverkiezen) en Bérekh (zegenen),tussen  Báchar en Bárach (wegvluchten: uitverkiezen= wegroepen) en tussen Báchar en Báchan (beproeven, Gen,42:14,16).

1)Merkwaardig dat Israëls God vaak een zekere voorkeur heeft voor de jongeren, terwijl toch in het algemeen voor de opbouw van een stabiele samenleving juist de oudsten, de ‘zekenim’ זקנים (presbyters) en de oudste zonen, de bêkhorim בּכרים  een vooraanstaande plaats hebben. Waarom gaan in Gods bevrijdend handelen de jongsten voorop? Misschien mag men het zo zien dat in de scheppingsorde de oudsten voorop staan vanwege de stabiliteit in de samenleving, maar dat in de orde van de bevrijding juist de jongeren als voortrekkers gekozen worden, omdat zij beweeglijker zijn en niet gehinderd worden door vaste systemen of tradities?

 

Nés, banier, vaandel

In Jesaja 11:12 komen we de volgende tekst tegen: “En Hij zal een נס nés, een banier oprichten onder de heidenen en Hij zal de verdrevenen van Israel verzamelen en de verstrooiden uit Juda vergaderen van de vier einden des aardrijks.”

Het woord  נס nés, banier is afgeleid van het werkwoord  נסס násas, wat betekent oprichten, zoals te lezen staat in Zacharia 9:16 b: “Want gekroonde stenen zullen als een banier* opgericht worden.”

Een mooi woordverband met נסס násas, vinden we in het woord נסע nása`, uitrukken, (van een tentharing of stok), opbreken, doorreizen  Het lijkt het tegenovergestelde te betekenen;  een banier oprichten doe je door de banier in de grond te slaan terwijl nása` juist betekent een tentharing verwijderen, echter door de volgende Bijbelteksten in dit artikel zal blijken dat de banier in een aantal gevallen alles met opbreken te maken heeft.

Als wij in het militaire woordenboek van H.M.F. Landolt kijken voor een definitie van het woord banier, zien wij het volgende: ‘Een banier is een groot vierkant vaandel, gewoonlijk een stads- lands- of gewestelijk vaandel.’ Het gewone woordenboek komt met de uitleg: ‘Een banier wordt, in tegenstelling tot een vlag, van boven bevestigd aan een stok, niet aan de zijkant. Op een banier staat gewoonlijk alleen een wapen afgebeeld.’

Braamstruik als banier

Het Hebreeuwse woord voor braamstruik is het woord סנה seneh. Het is vast geen toeval dat dit woord verband heeft met het woord voor banier, נס nés. Als je het woord seneh omdraait staat er ha nés, dé banier, dat is diepzinnig. In dit geval is de brandende braamstruik in Exodus 3:2 als het ware de banier waarmee God Mozes oproept om het volk te zeggen dat zij uit Egypte mogen opbreken, נסע nása en zich mogen verzamelen rondom Hem. In vers 5 van deze wonderlijke geschiedenis draagt God aan Mozes op om zijn sandalen uit te doen, want de grond waarop hij staat is heilig. Sandaal is het woord נעל na‘al, wat woordverband heeft met  נסע nása, opbreken, doorreizen. Met zo’n sandaal is meer aan de hand. In de tijd van de Bijbel was het uittrekken van je sandaal tevens het afstand doen van je rechten, zie ook de geschiedenis van Ruth over dit onderwerp in hoofdstuk 4:7-8. Doordat de grond te heilig was voor schoenen, wist Mozes ook gaandeweg tijdens deze opzienbarende ontmoeting met God, dat hij afstand moest doen van zijn recht als aangenomen zoon van de Farao, als hij daar nog wat mee zou hebben. Hij stond daar met lege handen en op blote voeten. Geen wonder dat hij nogal wat tegenwerpingen had om naar zijn vroegere familie in het Egyptische paleis terug te keren. Mozes was sowieso heel bescheiden; werd later in Numeri 12:3 zelfs de meest ‘bescheiden man van alle mensen die op de aardbodem waren’ genoemd. Niet bepaald een held, zou je zeggen… עניו ánáv is hier het Hebreeuwse woord voor bescheiden. Is het niet verwonderlijk dat ook dit woord verband houdt met נסע nása? Dat woordverband zien we aan de twee gelijke letters ajin en nun: נע. Die bescheiden Mozes, die zijn broer nodig had om het woord te doen, leidde Gods volk uit Egypte en schreef nog even de Torah. Met bescheidenheid komt men verder dan men denkt.

Een woordverband met נסע nása, opbreken, doorreizen, vinden we in het Hebreeuwse woord voor wolk: ענן ánán. De wolkkolom mocht fungeren als de banier waarmee God Zijn volk opriep tot opbreken en verder trekken.

God is mijn Banier

Mozes noemde God later in de geschiedenis zijn Banier in Exodus 17:15: ‘En Mozes bouwde een altaar en hij noemde zijn naam: De HEERE is mijn Banier, יהוה נסי JHWH nisi.’ Het is niet verwonderlijk dat Mozes dit uitsprak na de overwinning in de strijd tegen Amalek. Hij had met de hulp van Aaron en Hur de armen omhoog geheven. Ze moeten daar de Nabijheid van de Aanwezige heel diep hebben gevoeld. Voor Jozua, die de strijd daadwerkelijk aanging tegen Amalek, waren de opgeheven armen van Mozes de banier, maar God moet erachter hebben gestaan als een voor de ogen onzichtbare Banier.

In oorlogen verzamelden de troepen zich rondom de banier waar de bevelhebber was. Doordat de banier op zijn plaats bleef, wist men op het slagveld dat men moest blijven vechten; trok men de banier echter terug, dan wist men op het slagveld dat de strijd verloren was en blies men een snelle aftocht om het vege lijf te redden.

Het gaat echter niet alleen om oorlog. In Numeri 2:2 staat dat men bij de banier van zijn eigen familie moest verzamelen, iedere familie had een herkenbare banier. Is het niet ontroerend dat waar God in Jesaja 11:12 zegt dat Hij een banier zal oprichten onder de heidenen, dat dan de zijnen Hem zullen herkennen als hun familie  en zich bij Hem verzamelen? Op dit moment is dit unieke gegeven in volle gang; het volk komt samen met Hem thuis bij Zijn woonplaats: “Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor Zijn Aangezicht leven,” (Hosea 6:2). De tweeduizend jaar van onuitsprekelijk lijden zijn voorbij, het volk verzamelt zich, wat een ongelooflijk wonder!

Banier ook stok, staak of standaard

Er waren nog meer redenen in de Bijbelse geschiedenis om een נס nés, banier op te heffen. Nés betekent ook stok, staak of standaard. In Numeri 21:8 draagt God aan Mozes op om een vurige koperen slang te maken en ze op een נס nés, een staak te plaatsen en zo staat er in dit vers: ‘En het geschiedde als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan en bleef levend.’  Wie het geloof had om op te zien naar de nés met de slang eraan, die genas. Ook een wonder! In Johannes 3:14-15 refereert Jehoshua, Jezus, aan deze opmerkelijke tekst: “En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar eeuwig leven hebbe.”

De koperen slang werd later door Hizkia in 2 Koningen 18:4 kapot geslagen omdat: ‘De Israëlieten tot die dagen aan haar gerookt hadden; en (Hizkia) noemde ze נחשתן nechustan,’ wat afgeleid is van het werkwoord נחש náchash, waarzeggen, voortekens duiden. Dat mocht niet. De betekenis van de slang was een eigen leven gaan leiden en trok het volk van God af.

Jehoshua verhoogd

Helaas lijkt ook de verhoogde Jehoshua van God losgetrokken te kunnen worden en een eigen leven te kunnen gaan leiden in de geloofsbeleving van Christenen. Hij wordt vergriekst, losgehaald van Zijn volk Israël en als een genadige lieve genezende Jezus gezien, Die niet meer lijkt op wie Hij eigenlijk is, namelijk de verschrikkelijke God Zelf (Jesaja 2:10, Deuteronomium 6:4) én de Joodse Rabbi. Men kan Hem niet lostrekken van Zichzelf –Hij is immers Eén- noch kan men Hem loshalen van Zijn volk Israël, van Zijn familie, velen hebben Hém wel herkend als de Banier, maar hebben niet Zijn familie,** het Joodse volk herkend en dat is een kapitale fout.  Door Hem toch los te trekken is het zaad gelegd voor de grootste en pijnlijkste vergissing in de menselijke geschiedenis: de vervangingstheologie. De genade van Jezus is tegenover de wet van de Vader komen te staan, zo redeneert men. Het Oude testament heeft afgedaan want Jezus heeft de wet vervuld,*** zo zegt men. Degene die de wet nog houdt, raakt in de vergetelheid… Arm Joods volk; het heeft afgedaan in de ogen van veel puur Nieuwtestamentisch gerichte Christenen. Maar het volk heeft, evenals de Torah, niet afgedaan in de ogen van God Zelf, gelukkig maar! De vervangingstheologie is sinds 1948 niet meer vol te houden, ook al blijven velen er hardnekkig aan vasthouden. Petrus zegt: “Deze tweede zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u in welke beide ik door vermaning uw oprecht gemoed opwek; opdat gij gedachtig zijt aan de woorden die van de heilige profeten tevoren gesproken zijn, (2 Petrus 3:1-2a) Wie de profeten leest, weet hoe het met Gods eeuwige liefde voor het volk Israël zit. De apostel Petrus riep er in zijn tijd al toe op: Lieve mensen, lees de profeten, daar staat het allemaal, veel staat nog te gebeuren, nu zijn de profeten actueler dan ooit; ook wij moeten de profeten te ‘her-inneren,’ opnieuw laten verinnerlijken.

De banier tussen de heidenvolkeren

Het volk Israël trekt uit van de volkeren, de banier tegemoet, zoals in de tijd van de uittocht uit Egypte. Jeremia 23:7-8: “Daarom, zie de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd, maar zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd en Die hen aangebracht heeft uit het land van het noorden en uit alle landen waar Ik heb heengedreven had; want zij zullen wonen in hun land.” Is het niet geweldig om in deze tijd te mogen leven? Om dit met eigen ogen te zien voltrekken? Zoals God zijn banier oprichtte voor Mozes zodat het volk uit Egypte mocht opbreken, zo richt Hij zijn נס nés, banier op voor Zijn familieleden, opdat ze zich rondom Hem verzamelen, opnieuw.

Inmiddels leven we in de tijd van Jesaja 62 aan het komen; in vers 10, 11 en 12 draagt God op om de banier omhoog te steken voor Zijn volk omdat Hij hen naar huis roept, terug naar Sion, wat van oudsher beloofd is aan dit volkje Israël en God vergeet Zijn beloften niet: “Zie de HEERE heeft doen horen tot aan het einde der aarde: zegt der dochter Sions: Zie, uw heil komt; zie, Zijn loon is met Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des HEEREN; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad die niet verlaten is.” Wat is de banier in deze tijd? Het lijkt niet meer dan een עניו ánáv, bescheiden fluistering dat over de aarde gaat naar alle uiteinden toe (Jesaja 62:11). Maar mensen worden wakker en weten ineens waar ze naartoe moeten, meer en meer Joden keren terug naar huis, naar het land waar hun voorvaders hebben gewoond, het land van Adonai Zelf, Die ervoor kiest om Zijn woonplaats in Jeruzalem te hebben (Zacharia 1:17).

Dezelfde God, Die als een diep verdrietige huilde om het verlies van Zijn geliefde volk in Jeremia 10:19-20: “O wee Mij over Mijn breuk, Mijn plaag is smartelijk en Ik had gezegd, dit is immers een krankheid die Ik dragen zal. Mijn tent is verstoord en al mijn zelen zijn verscheurd; Mijn kinderen zijn van Mij uitgegaan en zij zijn er niet; er is niemand meer die Mijn tent uitspant en Mijn gordijnen opricht,” zal Zijn geliefde kinderen weer thuis ontvangen en hen troosten. Echter, als we zo de tekst uit Jeremia lezen dan lijkt het erop dat in eerste plaats Zijn eigen tranen afgewist mogen worden. Israëls Banier is van opvallende zachtmoedigheid en nederigheid ענו ánáv. ‘Hij zal de zogenden zachtkens leiden (Jesaja 40:11b).’ Hij Zelf leidt hen naar huis! Daarmee is de geschiedenis niet afgelopen want het is Gods bedoeling om uiteindelijk heel de wereld aan Hem te binden. Er is werk aan de winkel voor het heilige volk: עניו injáv, werk, taak, zaak. Het kleine voorbeeldvolkje Israel mag een licht voor de wereld zijn, wel wat anders dan het meest gehate volk ter wereld. Psalm 102:14-16: “Gij zult opstaan, Gij zult u ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen. Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen en hebben medelijden met haar gruis. Dan zullen de heidenen de Naam des HEEREN vrezen en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.” In Jesaja 66:18 zegt God: “Hun werken en hun gedachten! Het komt dat Ik vergaderen zal alle heidenen en tongen; en zij zullen komen en zullen Mijn heerlijkheid zien.” En verderop in vers 23: En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere en van de ene sabbat tot de anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn Aangezicht, zegt de HEERE.”   Wat een geweldige toekomst!

*In deze tekst wordt in de Statenvertaling voor het woord banier het Hebreeuwse woord נזר nézer gebruikt, wat mooier vertaald had kunnen worden met kroon. Hier wordt bedoeld dat het volk als mooie edelstenen in een kroon zullen zijn in het land. Opvallend is hier het woordverband met het woord  נצר nétser, rijsje, wat een benaming is voor de komende Messias. Zie voor uitleg hierover in onze vorige Tijdstip het artikel over de Spruit de Telg en het Rijsje.

**Met Jehoshua los te trekken van Zijn familie, het Joodse volk, en Zijn Naam te verbasteren naar Jezus, hebben we hem vervreemd van Zijn Joodse familie, men herkent Hem niet meer. We hebben Hem als het ware een ander mutsje opgezet: lange blonde haren en blauwe ogen die deemoedig, zelfs een beetje zielig de wereld inkijken, zo stond Hij afgebeeld op de kleding van een aantal Christenen die op bezoek waren in Jeruzalem. Hij lijkt in niets meer op de Joodse rebbe die Hij was in de tijd van het Nieuwe Testament.

***Het grondwoord van vervullen betekent niet afgedaan zijn, maar onthullen, uitleggen. Jehoshua kwam om de wet voor te leven, uit te leggen. Niet om haar af te doen. Vergelijk ook Spreuken 28:9; Lukas 16:16; Hosea 4:6b; Hosea 8:12 en Romeinen 3:31.