Dit is een vervolg op het artikel over de Zeven Misverstanden: over hemel en aarde (1), de ouderdom van de schepping (2), het unieke van Jêhoshua`( 3), Oude en Nieuwe Testament (4), de ‘ongelovige’ Joden (5), de gemeente en de volksgemeenschap (6), de Torah (7)
8. Misverstand over het uitverkoren zijn
Dat wij al of niet uitverkoren zijn voor de eeuwige zaligheid: velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren (Mattheüs 22:14).
Het Hebreeuwse woord voor uitverkiezen, báchar, is nauwelijks of helemaal niet gericht op de uitverkiezing tot het eeuwige leven, maar juist op de uitverkiezing voor dit leven. Israël is Gods uitverkorene, Zijn eersteling. Zijn eersteling niet om als eerste de hemelse heerlijkheid binnen te gaan, maar Israël is uitverkoren om hier op aarde een instrument van Gods hemels Koninkrijk te zijn. Israël is geroepen om een licht voor de volken te zijn, om bevrijding aan te kondigen en de zegenrijke Richtlijnen van de Mozaïsche Torah te onderwijzen en voor te leven. Israël is de oudste Ekklesia: Gods Oergemeente, Zijn Qáhal.
Israël is echter niet de enige uitverkorene. Naast Israël, vanuit Israël en in hechte verbondenheid met Israël zijn onder de heidenvolken vele kleine ekklesiai ontstaan, gemeenten die net als Israël een aardse roeping hebben: zij zijn geroepen om in verbondenheid met Israël hun volk bevrijding te verkondigen en de Torah voor te leven. De apostel Paulus schrijft aan deze ekklesiai in Klein Azië, dat ook zij in Jezus Christus uitverkoren zijn, zelfs al vóór de grondlegging der wereld (Efeze 1:1,4).
Het drama van de kerkgeschiedenis is dat deze ekklesiai onder de heidenvolken, deze kleine kringen van uitverkorenen, die aanvankelijk met tal van hechte, apostolische draden verbonden waren met dé Ekklesia, Israël, zich onderling verenigd en verzelfstandigd hebben tegenóver Israël en zich van het Godsvolk losgekoppeld hebben. Met de band met Israël ging ook de band met de God van Israël verloren: ook Jêhóshua` en JHWH werden van elkaar losgekoppeld. Eerst werd de diepzinnige naam Jêhóshua`/Jozua ( = Hij, Israëls God, bevrijdt, brengt Zijn volk in het Beloofde Land en brengt ‘vrede op aarde’ voor alle volken; Bijbels taalkundig gezien is een naam ook het wezen van die persoon, land of plaats, je bent je naam) verbasterd en afgezwakt tot de taalkundig ‘betekenisloze’ naam ‘Jèsous/Jezus’ en daarna werd ‘Jezus’ een zelfstandige grootheid die Grieks, Romeins of puur heidens ‘bemanteld’ werd.
De slotzin uit de gelijkenis in Mattheus 22 dat ‘weinigen uitverkoren zijn’ wil zeggen dat weinigen uit de kring van de uitverkorenen zich lieten nodigen tot het feest. Met die ‘weinige uitverkorenen’ wordt allereerst gedoeld op de kinderen Israëls: zij waren de uitverkoren eerstelingen, zij lieten het afweten. Wat gold voor toen, geldt ook nu. Toen waren het de Joden, de Joodse leiders met name, die zich niet lieten uitnodigen om het bruiloftsfeest van ‘God met ons’ te vieren. Nu zijn het de ekklesiai onder de volken die zich niet laten nodigen tot de feesttijden des HEREN. Zij koesteren liever hun eigen heidens gestempelde feesten.
Zo is het de eeuwen door gegaan en zo gaat het nog. Sinds 1945/48 is Israël weer als Godsvolk prominent aanwezig in het centrum van de volkerenwereld. Sindsdien zijn de volken opnieuw uitgenodigd, via rechtstreekse contacten met Joodse leraren, via Hebreeuwse leerhuizen en seminars e.a., om hun heidense feestcultuur radicaal los te laten en om met het Godsvolk de feesten des HEREN te vieren. Niet de ‘Joodse feesten’ maar de feesten des HEREN! (Leviticus 23:1 ev.).
Velen wereldwijd, maar vooral ook in ons eigen, vanouds door de Hebreeuwse Bijbel gestempelde, land hebben zich laten roepen, zijn enthousiast geworden voor de beoefening van een meer Bijbelse levensstijl, maar het zijn er helaas weinigen uit de kring van de uitverkorenen. De meeste voorgangers en theologische leiders uit de gevestigde kerken negeren de uitnodiging. Sinds de stichting van de staat Israël in 1948 hebben de kerken uit de diverse volken zich juist nog sterker onderling verenigd en verzelfstandigd tegenóver Israël. In plaats van zich opnieuw te verbinden aan dé Ekklesia, aan Gods Oergemeente, aan Zijn Qáhal, hebben de kerken in de zomer van 1948 te Amsterdam zich verzelfstandigd in een wereldwijde oecumenische beweging die zich niet alleen theologisch, maar ook politiek tegenover Israël opstelt. Hier geldt het verontrustende gezegde: ‘velen zijn geroepen maar weinigen zijn gekomen uit de kring van de uitverkorenen’.
Nog twee opmerkingen:
a. Veel Christenen vooral uit de niet traditionele kerken staan sympathiek en weldoend tegenover Israël, maar de Torah, het bruiloftskleed van het Godsvolk, vinden zij niet nodig. Ze vinden hun eigenwillige, zelf geconstrueerde heidenchristelijke levensstijl goed genoeg voor een feestelijk leven met de God van Israël.
Daarnaast zijn er veel Christenen uit dezelfde kringen die wel de Torah met de Bijbelse feesten serieus willen nemen, maar in veel gevallen gaan zij deze vergeestelijken, verchristelijken.
b. Het Christendom staat voor de historische keuze: de eigenwillige, aan het heidendom geliëerde kerkelijke feesten van Kerst, Pasen e.a. definitief af te schaffen en in lijn met Calvijn de Christelijke boodschap over radicale levensvernieuwing op basis van Kruis en Opstanding te focussen op de Zondagen, om daarna naast de wekelijkse Shabbat* de Bijbelse Feesten in te voeren en deze te nemen voor wat ze zijn: geen kerkelijke feesten, maar sterk aards getinte volksfeesten**. Pesach is behalve een aards lente-graanoogstfeest, vooral het feest dat ons wil herinneren aan én perspectief wil bieden op bevrijding uit maatschappelijke en politieke verdrukking. Shawu`oth is behalve dankdag voor de gave van het dagelijkse brood en voor de bijzondere gave van het Goddelijke Woord (Zijn Torah, met de unieke Richtlijnen voor dit aardse leven) het feest dat de herinnering levend houdt aan en hoop geeft op radicale heiliging van heel de volksgemeenschap. Sukoth is het afsluitende vreugdefeest over de opbrengsten uit Gods goede schepping met perspectief op een radicaal vernieuwde wereldsamenleving: weg uit de woestijn van onze moderne over verstedelijkte en over vertechniseerde massamaatschappij met zijn mateloze ellende, armoe, honger en geestelijke leegte, om terug te keren naar het ons allen Beloofde Land dat zo klein is als Kanaän en tegelijk zo wijd als de wereld: ‘ieder onder eigen wijnstok en vijgenboom’ (Micha 4:4).
* De vereenzelviging van Shabbat en Zondag is een verwarrend misverstand. De Shabbat is voor het volk, de Zondag is voor de gemeente. De Shabbat is dé rustdag voor de samenleving, voor het gezin, de familie, de buurt, het volk. De Zondag is geen rustdag, maar dé historisch bepaalde (bepaald door de dag van de Opstanding én door de Pinksterdag) toe-rustingsdag voor de gemeente.
** De komende kerk zal een gezantschap van Israël zijn of ze zal niet zijn.
9. Misverstand over de dominantie van het NT
Dat het Nieuwe Testament bij de uitleg van de Bijbel altijd moet domineren: de latere tekst is steeds de beste
De eigenlijke, de originele Bijbel, zoals deze ook door Jêhóshua`en de apostelen is gesanctioneerd, is de Hebreeuwse Bijbel. De Griekse Bijbel, het Nieuwe Testament zoals wij die nu kennen, bestond toen nog niet. Dit Nieuwe Testament (NT) is in feite een speciale toespitsing en een nadere toelichting op het Oude Testament. Dr A.A.van Ruler noemde het NT een ‘verklarend aantekeningboekje bij het OT’. Dit geheel in lijn met Calvijn die stelde dat het in beide Testamenten over hetzelfde Evangelie gaat, alleen het Nieuwe Testament is duidelijker dan het Oude Testament (Institutie, 2. hfst 9,10).
In deze verklarende toelichting worden niet alle elementen uit het Oude Testament (OT) nog eens onder de loep gelegd. Wat overduidelijk en vanzelfsprekend is, wordt niet of nauwelijks nader toegelicht. Zoals bijvoorbeeld de aards getinte toekomstverwachting waar het OT vol van is. Deze aardsgerichtheid zit overigens wel al compact verpakt in de aankondiging van Jêhóshua ’s geboorte door de engel Gabriël en in de engelenzang: ‘vrede op aarde’ waarbij de pas geboren Koning zal zitten op ‘de troon van Zijn vader David’ (Lukas 1:32,33; 2:14). De vele genezingswonderen zijn eveneens een verwijzing naar deze aardse toekomst. Ook het laatste Bijbelboek geeft een duidelijk perspectief op toekomst voor deze aarde (Openbaring 21:3).
In de Nieuw Testamentische toelichting ligt alle nadruk op twee elementen die in het OT onderbelicht, min of meer terzijde of verborgen aanwezig zijn:
a. De unieke Godsverschijning in Jêhóshua`. Weliswaar is ook in het OT sprake van een aantal Godsverschijningen in menselijke gestalte, zoals aan Abraham, aan Jacob en Mozes e.a., maar de verschijning in de Man van Nazareth is uitzonderlijk. Uitzonderlijk in duur en hoedanigheid en met een unieke toespitsing op het Evangelie van de vergeving der zonden: hier wordt als nooit tevoren zichtbaar hoe God Zijn toorn over een onwillige wereld verwerkt in Zich Zelf, in Zijn Hart. Anders gezegd: hier toont God aan Israël en de volken hoe Hij Zich volledig met ons vereenzelvigd heeft, onze zonde op Zich opgenomen en weggedragen heeft.
b. De voor alle volken bestemde levensvernieuwende werking van de Heilige Geest. De Heilige Geest was altijd al een werkzame Grootheid onder Israël, niet alleen in het leven van bekende profeten als Elia, Jesaja, Jeremia e.a., en niet alleen in de leerlingen op de zogenaamde profetenscholen, maar ook Abraham was profetisch, Jacob was een visionair, Mozes was vol van de Heilige Geest, de 70 oudsten (presbyters) kregen deel aan deze zelfde Geest (Numeri 11) en David bad: ‘neem Uw Heilige Geest niet van mij (Psalm 51:13). Maar hét nieuwe van het Nieuw Testamentische Evangelie is dat het visioen van de profeet Joël daadwerkelijk is vervuld: heel Israël, niet enkel de voorgangers maar heel het Godsvolk, ouderen en jongeren, werkgevers en werknemers kunnen de Heilige Geest ontvangen, visionairs worden en radicaal van binnenuit veranderen. En met het Godsvolk Israël mogen zij delen in deze Geestelijke Zegen!
Wie alleen leeft bij de toelichting op het Oude Testament en deze toelichting verzelfstandigt, loskoppelt van de originele Bijbel, van de Mozaïsche Torah met name, kan de toelichting, het Nieuwe Testament (NT) ook niet goed begrijpen en gaat het OT vergeestelijken, vergrieksen. Wat is vergrieksen? De aardse elementen er uit wegwissen en alle historische verhalen symbolisch verklaren, waarbij Israël als een nog steeds bestaand Godsvolk helemaal uit het zicht verdwijnt.
Bovendien is onder invloed van het Griekse denken in de na-apostolische tijd wellicht ook het NT eenzijdig theologisch bijgekleurd: door bepaalde zinnen extra aan te zetten of soms zinnen weg te laten. Het is een algemeen erkend gegeven dat de tekst van het NT helaas veel minder zorgvuldig is overgeleverd dan die van het OT. Een voorbeeld van tekstcorruptie door Griekse tekstkopieerders of hun theologische adviseurs is Handelingen 15 vers 21, waar het gaat over de voorlezing van de Mozaische Torah in alle Romeinse steden. Tussen vers 20 en 21 gaapt een gat, er is geen logisch verband: ‘immers Mozes heeft in elke stad die hem prediken’– waar slaat dat op? Dat slaat nergens op! Kennelijk zijn er zinnen weggelaten. De duidelijke bedoeling van de tekst over de voorlezing van de Mozaïsche Torah is daardoor volledig vervaagd. Het ligt voor de hand te vermoeden dat de duidelijke bedoeling van deze slotzin in het apostolisch advies was: om nog eens te onderstrepen dat men aan de jonge heidenchristenen niets uit de Mozaïsche Torah moest opleggen, immers zij staan onder de belofte dat God Zelf door Zijn Heilige Geest de Torah in hun hart en verstand zal schrijven (Jeremia 31:33, Hebreeën 8:10, 10:16). De Geest van God werkt echter altijd door het Woord van God, door het horen van het Woord. Daarom is het wijze advies aan de nog ongeletterde heidenchristenen om de Torah te gaan horen voorlezen en uitleggen. De mogelijkheid daarvoor is binnen ieders bereik: want in iedere stad in heel het Romeinse Rijk van de Iraanse grens tot aan de Rijn in Nederland en tot diep in Afrika wordt wekelijks de Mozaïsche Torah voorgelezen. In de tekst is die oproep om het Woord Gods, de Torah te gaan horen voorlezen weggelaten, waardoor die slotzin: ‘immers Mozes heeft in iedere stad die hem prediken, daar hij elke shabbat in de synagogen wordt voorgelezen’, volkomen in de lucht komt te hangen en zo zijn originele doel mist. Een doodzonde! Met rampzalige gevolgen!
* Een heel ander voorbeeld van Griekse bijkleuring is de beschadigde tekst van het ‘Onze Vader’. Behalve de twee verschillende versies in Mattheüs 6:9-14 en in Lukas 11: 2-4, is er het schrijnende gemis van de bede om de Heilige Geest. Dit gemis is daarom zo onbegrijpelijk, omdat juist even verderop in Lukas 11:13 nadrukkelijk door Jêhósha` Zelf wordt gesteld dat het gebed om de Heilige Geest in feite de kernbede van alle gebeden is: ‘hoeveel te meer zal Uw Vader uit de hemel de Heilige Geest geven aan hen die daarom bidden’.
Hoe is het mogelijk dat dit kerngebed in het ‘Onze Vader’ ontbreekt? Trouwens in de Lukasversie ontbreekt ook het gebed dat Gods wil, Zijn Torah op aarde zal geschieden. Waarschijnlijk heeft dit alles ook weer een Griekse achtergrond. Typisch Grieks is, zoals eerder gezegd, de weerstand tegen de aards gerichte Bijbelse toekomstverwachting op basis van de Mozaïsche Torah. De Griek is overwegend gericht op het Hogere, het Hogere ook in onszelf. Men streeft naar zelfverwerkelijking en zelfontplooiing: de olympische, atletische sportbeoefening is daarvan het symbool. Dit streven naar Omhoog is Christelijk vertaald in de gerichtheid op de hemel, op het hiernamaals.
Maar typerend Grieks is ook de weerstand tegen de werking van de Heilige Geest. De menselijke geest is zelf sterk genoeg om naar Omhoog te streven. Een aparte Geestkracht van buitenaf of van bovenaf is niet nodig.
Geheel in lijn met deze Griekse geest is ook de verkeerde vertaling in de eerste bede van de wederkerige Hebreeuwse werkwoordsvorm jitqádésh Shemekhá: Uw Naam heilige Zich (= puur een Godswerk) door de passieve Griekse werkwoordsvorm hagiasthètoo: Uw Naam wórde geheiligd (= waar de mens actief strevend in betrokken is). Deze eerste bede valt zodoende geheel uit de toon van het ‘Onze Vadergebed’ waarin wij immers niet bidden om ons, maar om Gods handelend Optreden: dat Zijn Koninkrijk moge doorbreken; Zijn Wijze Wil (Zijn Torah) geschreven moge worde in mensenharten; dat Hij ons moge voorzien in de dagelijkse behoeften; Hij ons onze zonde vergeeft en wij Hem daarin navolgen; Hij ons definitief moge verlossen van de Boze en ons vervulle met Zijn Heilige Geest. In de Hebreeuwse Bijbel is jitqádesh altijd wederkerig en nooit passief. Het wil zeggen dat God niet het vóórwerp van de heiliging is, maar het ónderwerp: wij bidden dat God-Zelf-Zich-zal-heiligen = Zich zal betonen als de Heilige, de Ene, de Unieke. De bede ‘heilige Zich Uw Naam’, ‘betoon U als de Heilige, de Onvergelijkelijke ’ sluit ook naadloos aan op Ezechiël 38 vers 23: ‘Ik zal Mij Zelf groot en heilig betonen en Mij doen kennen ten aanschouwen van vele volken en zij zullen weten dat Ik de HERE ben’.
Notitie
Er zijn nog drie Misverstanden die we binnenkort behandelen in een volgend artikel:
10. Misverstand over wedergeboorte
Dat wedergeboorte pas plaats kan vinden op latere leeftijd: een klein kind kan dus nooit wedergeboren zijn, laat staan een kind in de moederschoot;
11. Misverstand over het toornige, wrekende Godsbeeld
Dat de Bijbelse God voluit vriendschappelijk en liefdevol is: de teksten die ons een woedende, wrekende God schetsen, moeten anders gelezen worden;
12. Misverstand over ‘gelijkheid’
Dat alle mensen gelijk zijn: het verschil in leeftijd doet er niet toe.