29-09-2022

Lebh לב: hart

(Studietafel Aleph, één)

Eén van de zeven hoofdwoorden

Meteen al in het begin van de Bijbel is sprake van het hart van God en van Zijn hartzeer, Zijn innige verdriet, over de verwildering van Zijn wereld: ‘toen ‘JH zag … dat al wat de overleggingen in het hart van de mens voortbracht slechts boos was …. smartte Hem dit in Zijn hart (Genesis 6:5,6).

Wat is het hart en heeft God echt een hart? Ons hart* is de locatie van onze geest**, de plek waar onze diepste drijfveren zich bevinden en waar het eigenlijke denken zich voltrekt. Want we denken niet met onze hersenen, maar met ons hart; in de hersenen werken we logisch uit wat er innerlijk bedacht is. Heeft God een hart? De Bijbel spreekt niet alleen over het hart van God, maar ook over Zijn ogen en oren: ogen die ons kunnen zien, oren die ons kunnen horen, en over Zijn handen die Zijn volk hebben gedragen, over Zijn machtige arm die de kinderen Israëls heeft bevrijd en over de voeten die Hij bovenop Zijn vijanden zet. Wij denken vaak dat dit een metafoor is, een wijze van spreken, een zogenaamd mensvormig spreken over God. Maar het is net andersom! De Bijbel spreekt niet mensvormig over God, maar Godvormig over de mens: ónze oren zijn een metafoor! De echte oren heeft God, onze oren zijn een afbeelding van de Zijne. Immers Hij schiep de mens naar (met) Zijn beeld, als Zijn gelijkenis en Hij wil dat wij met onze oren en ogen, met onze mond hetzelfde doen als Hij, dat we op Hem lijken. Dat ook ons hart op Zijn hart gaat lijken, dat daar dezelfde gezindheid heerst, dat daarin dezelfde geest huist.

Ja, ‘huist’. Het Hebreeuwse woord voor hart bestaat uit twee letters, Lamed en Beth, eigenlijk of oorspronkelijk uit drie letters לבב lêbhabh, met twee maal een Beth. Beth betekent huis, ons hart, de locatie van onze geest heeft van origine twee kamers: één voor onze geest, voor wat ons van nature drijft, voor onze diepste drijfveren, onze hartstochten, en één voor onze goddelijke Partner. Want Hij schiep de mens naar Zijn beeld met een hart, met een innerlijke, lege plek, een allerheiligste, waar Hij Zelf zou mogen huizen als in een tempel, om van daaruit Zich met ons te ver-één-igen, zodat die twee Beth’s tot één worden, tot één ruimte: tot לב lebh. Tot het huis van God, waar Hij woont en vanwaar uit Zijn Geest van liefde en trouw ons hele mens zijn doorstraalt, zodat onze hartstochten en ook ons denken en gevoelen van richting gaan veranderen, zodat onze ogen en oren metaforen worden: als met Gods ogen gaan we kijken naar Zijn wereld en naar Zijn mensen en als met Zijn oren horen we het geroep van de ellendigen.

In de Bijbel is  sprake van het besnijden van het hart: ‘JHWH, uw God zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de Heere, uw God lief hebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft” (Deut.30:6). Wat wordt er dan besneden, wat wordt er weggesneden? De ‘voorhuid’ (Deuteronomium 10:16) moet weg, de tussenwand in ons hart, datgene wat onze geest afsluit van Zijn Geest. Dat wegsnijden van deze hindernis, kan een langdurig proces worden, waarbij met ‘steen’ voor ‘steen’ onze weerstand tegen de totale overgave aan de Heilige Geest wordt afgebroken. Langdurig kunnen we daarbij gehinderd worden door de grote Hinderaar, de oude Slang met zijn fluwelen fluisterstem: ‘je moet jezelf gaan verwerkelijken, je bent zelf een god, een goddelijke vonk!’ *** Pas als we volledig ons overgeven aan het afbraakwerk van de Heilige Geest en Hem toelaten in heel ons hart, kan Hij ons de goddelijke Liefdeswet inprenten, kan Hij Gods Onderwijzing, Zijn Torah schrijven op de ‘tafels van ons hart’ (Jer.31:33). Om innerlijk heel****, ge-heel-d te zijn, om met heel onze hart, met heel onze ziel en met al ons vermogen God lief te hebben, moeten we eerst de waanideeën over onze zogenaamde vrijheid en ons ‘potentie’ tot zelfverwerkelijking erkennen; moeten we eerst onze rebellie belijden en van harte Gods vergevende Liefde***** accepteren.

* Ons menszijn is als de driedelige tempel in Jeruzalem: 1. de voorhof = onze publieke verschijning, het voor ieder zichtbare lichaam;  2. het heiligdom, de aparte, afgezonderde niet direct voor iedereen toegankelijke binnenkant van ons lichaam: de wereld van onze gedachten en gevoelens; 3. het allerheiligste, het allerbinnenste, ons hart, een ruimte die specifiek voor onszelf is, waar onze unieke geest huist, waar we met onszelf overleggen, waar onze diepste drijfveren zich bevinden, en waar onze driften, onze hartstochten vandaan komen.

** Geest in het Hebreeuws is ruach en het betekent letterlijk: ‘adem’, ‘wind’, ‘stuwkracht’. De geest in ons is datgene wat ons voortstuwt, wat ons ten diepste drijft, onze drijfveren, onze hartstochten. De Lamed van Lebh  betekent ‘prikstok’ en is het symbool voor ‘beweging’: $ l (lekh = ga!) en b l (lebh = de locatie van de Grote Goddelijke Beweger of van Zijn tegenstander!)

*** Sinds wij als mens, als mensheid, als ‘Adam’, collectief verkeerd gekozen hebben,  verkeren wij in het krachtenveld van de grote Hinderaar, de oude Slang die ons voortdurend verleidt om net als God te zijn: baas in eigen hart, om zelf het gehele innerlijke huis in bezit te nemen, om zelf op eigen kracht die tussenmuur af te breken en zelf in de ruimte (Beth) van God te gaan staan, ons zelf te vergoddelijken en ‘verlichte’ waanideeën te koesteren over de goddelijke rede of de goddelijke vonk in ons.

**** Niet alleen ongelovigen, maar ook Bijbelgetrouwe gelovigen kunnen nog verdeeld van hart zijn. Een ongelovige is innerlijk verdeeld als hij weliswaar zijn hart openstelt voor de negatieve invloed van de Hinderaar, maar zich niet geheel aan de Boze overgeeft en dus niet geheel en al ‘boosaardig’ wordt. Met een Bijbelgetrouwe gelovige kan iets soortgelijks gebeuren: wel de invloed van de Heilige Geest toelaten, maar niet zich gehéél laten bevrijden en heiligen. De tussenwand blijft geheel of gedeeltelijk overeind, het hart blijft ‘onbesneden’.

***** Er is etymologisch verband tussen het Hebreeuwse lebh en het Nederland-Jiddische lef:  je hebt het lef (hart) niet, je hebt de moed niet!