(Studietafel Daleth, vier)
De Bijbelse samenleving is een ‘samenloieving’ (samenleving-samenlieving-samenloving)
De heiliging van heel het leven
Het bevrijdend handelen van de G-D der Hebreeën is niet alleen een puur persoonlijke aangelegenheid, maar betreft ook de hele samenleving, zowel het gezins- en familieleven als het hele publieke domein. Anders gezegd; de heiliging des levens is ook de heiliging van de heel de samenleving.
Israël is Gods Eersteling, een lichtend voorbeeld
Israël is Gods Bekhor, Zijn eerstgeborene. Israël, de jongste van de 70 volken, een late nakomeling in het nageslacht van Noach, is de eerste, geheel bevrijde en geheiligde volkssamenleving. Het volk begon als een grootfamilie van ongeveer zeventig zielen, maar groeide in de loop van enkele eeuwen uit tot een volk. Een volk dat nog niet een Godsvolk was. Het kende wel een gemeenschappelijke afkomst: het waren de kinderen Israëls, de achter-achter-achterkleinkinderen van vader Jacob. Ook was het wel een specifiek volk dat door een gemeenschappelijke lange lijdensgeschiedenis een sterke lotsverbondenheid moet hebben beleefd. Maar het was nog geen echt Godsvolk, geen bevrijde en geheiligde volksgemeenschap. Dat gebeurde pas bij de Sinai. Daar werd het volk der Hebreeën pas echt geboren of beter misschien: wedergeboren. Daar pas werd Israël aangesteld en geestelijk toegerust (‘gezalfd’ 1)) tot een Malkhut Kohanim, tot een Koninkrijk van priesters (Ex. 19:6) = tot een leidinggevende en (ere)dienende volksgemeenschap, tot een lichtend voorbeeld voor alle volken. Want het gaat God uiteindelijk niet om Israël! Weliswaar draait de wereldgeschiedenis om dit bijzondere Godsvolk – Israël is Gods speciale eigendom, Zijn sêguláh (Ex. 19:6) 2), maar het gaat God om heel de volkerenwereld. Want heel de aarde is Zijn eigendom (Ex.19:6) en met het oog daarop is Israël geroepen: om een voortrekker te zijn, een voorbeeld voor heel de volkerenwereld, een lichtend voorbeeld van een (ere)dienende samenleving.
Dienen en eredienen zijn één: de samenleving als ’samenloving’
Voor dienst en eredienst heeft het Hebreeuws hetzelfde woord עבודה `âbhódáh van het werkwoord עבד `ábhad: dienen, bedienen, eredienen. Het bewerken van de aarde is een vorm van `ábhad, maar ook het werk van de priester in het heiligdom is`âbhódáh. In feite is dit in onze taal ook zo: het woord dienst kan betrekking hebben op een kerkdienst: ‘de dienst begint om 10 uur’, maar het kan ook doelen op het verwijderen van het huisvuil: de vuilnisdienst. Maar wat in onze beleving vaak twee werelden zijn, is in de Hebreeuwse Bijbel onlosmakelijk gekoppeld. Het dienstbetoon aan de naaste is niet los te denken van het eerbetoon aan God, en een dankzeggend vierend leven kan niet zonder daadwerkelijk onderling liefdebetoon. De liefde tot God en liefde tot de naaste zijn één. Anders gezegd: de Bijbelse samenleving is een samenloving en ook een ‘samenlieving’, in één onverbrekelijke samenhang: de Bijbelse samenleving is een ‘samenloieving’.
Het woord `âbhódáh wordt in de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel weergegeven door het woord leitourgia,waarvan ons woord ‘liturgie’ (eredienst). In deze Griekse Bijbelvertaling wordt leitourgia uitsluitend gebruikt voor de priesterdienst in de tempel. Maar oorspronkelijk had het een veel wijdere betekenis en doelde het vooral op de verplichte, onbetaalde werkzaamheden ten dienste van de samenleving, de zogenaamde ‘herendiensten’. In het moderne Grieks heeft leitourgia nog steeds die brede betekenis, en doelt het net als het Hebreeuwse `âbhódáh niet alleen op de kerkelijke eredienst, maar ook op het onderlinge dienstbetoon: in Athene staat op de wagens van de vuilnisdienst het woord ‘leitourgia’ en de openingstijden van het postkantoor heten: ‘liturgische uren’. Heel het leven en samenleven is liturgie!
Het Godsvolk Israël is allereerst een samenloving
De Bijbelse samenleving is weliswaar een samenloving én een samenlieving in één verband, maar toch staat het eerste voorop: God liefhebben is het eerste en grote gebod (Matth. 22: 38). En God liefhebben betekent ook deze liefde daadwerkelijk gestalte geven, niet alleen in de besloten sfeer van het huisgezin of de familie rond de huistafel, maar ook in het publieke domein, in de voor ieder toegankelijke erediensten in het midden van de volkssamenleving.
Als leidinggevend volk is Israël in de eerste plaats een `Am Jêhudaim 3): een volk van ‘Godlovers’, een priesterlijke natie, geroepen en aangesteld om in het midden van de aarde (de Berg Tsion is het unieke middelpunt van de wereld) de lofzang gaande te houden en zodoende heel de aarde te heiligen; te verbinden met de Heilige, de Ene, de Unieke Schepper en Bevrijder. In de Torah heeft God Zelf de tijdsorde bepaald voor deze samenloving: elke dag moet een bepaald tijdsdeel worden afgezonderd voor de morgen- en avondgebeden rond het Gedurige Offer, het lamoffer als symbool van Gods voortdurende vergevingsgezindheid (Exodus 29:38-46). De week moet geheiligd worden door de viering van de Shabat en voor de gang van het (maan)jaar heeft God een tweetal feesttijden verordend, twee hoogtepunten van lofzegging: in het voorjaar de tijd van Pesach tot Shawuoth en in het najaar de feesttijd van Rosh Hashánáh tot Sukoth.
Israël als dienende samenleving
Onlosmakelijk gekoppeld aan deze eredienende samenleving is de dienende samenleving. Voortdurend wordt het Godsvolk Israël opgeroepen om oog, oor en hart te hebben voor de zwakken en de kwetsbaren in hun midden: voor de armen en ellendigen4), voor de weduwen en de wezen, voor de vreemdelingen en voor allen die geen helper hebben. Hoe dit liefdebetoon ‘onlosmakelijk gekoppeld’ is aan het eerbetoon tegenover de Ene, Unieke? Het Godsvolk moet in zijn liefdebetoon de Liefde Gods betonen = Israël moet duidelijk laten blijken, dat de gaven die men geeft geen donaties zijn van henzelf, maar dat men slechts een klein deel, een tiende deel meestal, afstaat van het vele dat men als Godsvolk dankbaar heeft ontvangen uit Gods Liefdevolle Hand.
De koppeling zit ook hierin dat niet alleen de armen en de kwetsbaren delen in deze demonstratie van Gods Liefde, maar dat dit ook geldt voor de priesters5), de kohanim, de specialisten in de liturgie, zij die bij toerbeurt dag en nacht beschikbaar zijn als zangers en musici en ook als leraren, die het Godsvolk opleiden tot een mondige (ere)dienende volksgemeenschap. Behalve van de tienden ontvangen deze specialisten ook van de eerstelingen van de vruchten en het vee.
Tenslotte wordt de koppeling ook zichtbaar in twee bijzondere Bijbelse feesttijden: het Shabatsjaar en het Jubeljaar. Het Shabatsjaar is het zevenjaarlijkse feest waarin schulden worden kwijtgescholden en slaven 6) worden vrijgelaten. In het Jubeljaar dat eens in de 50 jaar wordt gevierd en dat eigenlijk één groot Sukothfeest is ter herinnering aan de Intocht in het Beloofde Land, moet de aarde van het Beloofde Land worden herverdeeld zodat ieder zijn oorspronkelijk erfgoed terugkrijgt en weer kan zitten onder eigen wijnstok en vijgenboom.
In het spoor van Israël: te mooi om waar te zijn, een illusie?
Israël is een Am Mashiach, een volksgemeenschap die bij de Sinaï officieel is aangesteld- en geestelijk is toegerust- om de volken voor te gaan in de `avodah , in de eredienende
samenleving. Is dat een mooie droom, te mooi om waar te zijn? Zou het ooit lukken om onze moderne samenleving om te vormen tot een samenloving in het spoor van Israël? Bovendien, staat Israël zelf wel op dit spoor? Dat is inderdaad een vraag van belang. Maar de kernvraag is niet wat Israëlvandaag doet met de Torah, of dit Godsvolk wel is wat het heeft te zijn: een sêguláh, een licht voor de volken. De kernkwestie is wat wij vandaag doen met het licht, dat al 2000 jaar geleden vanuit Israël naar ons toegekomen is? Zelfs nog meer dan 2000 jaar geleden. Immers al vanaf de 3e eeuw vóór het begin van onze jaartelling 7) straalt over Europa en een groot deel van Afrika en Azië het licht van de Torah met zijn liefdevolle Richtlijnen voor het ordenen van de tijd (de morgen- en avond gebeden, de Shabat, de jaarlijkse feesten van Pesach tot en met Sukoth) en voor het ordenen van het aardse bezit (tienden, eerstelingen, Shabatsjaar en Jubeljaar). In het boek van de Handelingen der Apostelen staat – het moet ongeveer in het jaar 50 na Chr. geweest zijn – dat er vanuit Jeruzalem een schriftelijke verklaring uitging naar de jonge Christengemeenten in heel het Romeinse rijk, een verklaring waarin er uitdrukkelijk op gewezen werd dat de Mozaïsche Torah al van ‘oudshers’ in ‘alle steden’ van heel dit toenmalige wereldrijk (= tot aan de Rijn = tot aan Utrecht/’Trajectum’) elke week werd voorgelezen en uitgelegd (Hand.15:21).* Wat hebben wij hier in de Nederlanden en West Europa met Mozes gedaan al die eeuwen en wat doen wij er vandaag mee? Europa, de Kerk voorop, heeft voor de inrichting van de samenleving, voor de ordening van de tijd en van het aardse bezit niet gekozen voor de Mozaïsche, door God Zelf gegeven orde, maar voor de Romeinse orde, die wortelt in het oude Babylon. In de Babylonische ordening wordt de tijdsindeling bepaald door de sterren en de gang van de zon en wordt de aarde ‘bezaaid’ met steden, handelssteden, die het landsvolk uitbuitten: Babel is vooral een stads- en handelscultuur. Maar in de Mozaïsche ordening worden de feesttijden bepaald, niet door de zon, maar door de maan en is Jeruzalem geen handelsstad, maar een liturgiestad, de unieke plek waar het volk van het land komt staan met handen en manden vol om hun Schepper en Bevrijder te bedanken, te loven en te prijzen. Niet Babel, niet Rome, maar Jeruzalem is de Godsstad, Zijn lof-stad op aarde: hier klopt het hart van het land, van het Beloofde Land, dat zo klein is als Kanaän en tegelijk zo wijd als de wereld. Want heel de aarde is Zijn bezit (Exodus 19:6).
In het spoor van Israël- te mooi om niet waar te worden
Gaan in spoor van Israël – kan dat nog na 2000 jaar? Is het te mooi om waar te zijn? Het is te mooi om niet waar te worden! Onze moderne babylonische, oververstedelijkte wereldsamenleving verkeert in een ongekend diepe crisis, die groter en veel omvattender is dan de crisis waarin oude Romeinse rijk ten onder ging. De huidige crisis in de financiële sector is ‘peanuts’ vergeleken bij de onoplosbaar lijkende crisis in de huidige overvolle wereldsteden, met zijn onoplosbare ellende – wereldwijd wonen 1 miljard mensen (ongeveer 1 op de 6) in de krottenwijken van de huidige wereldsteden in Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Hoe wil men dit ooit oplossen? Zonder de wortel van het probleem aan te pakken worden de problemen steeds groter: men kan ‘pamperen’ maar niet temperen. Jaar na jaar, steeds meer ontvolkt Gods goede aarde, ook in het rijke Westen- en groeien de Babylonische steden met alle ellende van dien 8). Er is maar één echt reëel perspectief: terug naar de Weg, die al 3500 jaar geleden aan Israël is gewezen, terug naar de Liefdevolle Richtlijnen voor het omgaan met Gods goede aarde en met de tijd terug naar het land dat Hij ons geeft, om samen te leven, om samen Hem te loven, in het spoor van Israël, Zijn Bechor, Zijn Eersteling,
De Heilige Geest en de Torah*
Het is naïef om te denken dat wij op eigen kracht, met geweld of met politieke pressie onze huidige samenleving zouden kunnen bekeren, omvormen tot een Torahsamenleving. Zoals eerder gezegd: Bevrijding is niet alleen een puur persoonlijke aangelegenheid, maar betreft de hele samenleving. Anders gezegd: de heiliging van de samenleving is het werk van de Heilige Geest. Van nature hebben wij geen oog, geen oor en geen hart voor de Torah, voor het Bijbels perspectief op wereldvrede en welvaart voor alle volken (Jesaja 2:1-4). Van nature zit ons hoofd vol met bedenkingen en redelijke tegenargumenten. Alleen de Heilige Geest kan de Torah schrijven in ons hart en ons verstand: ‘Ik zal Mijn wetten in hun harten leggen en die ook in hun verstand schrijven (Jer. 31:33,34; Hebr. 10:16).’ De kernvraag is niet wat Israël vandaag doet 9), maar wat wij vandaag doen: staan wij open voor het Werk van de Heilige Geest die niet alleen ons persoonlijk leven, maar ook onze samenleving radicaal kan omkeren? Willen wij ons hart en ons verstand láten ontsluiten voor de liefdevolle Richtlijnen, die God aan Israël gaf voor het omgaan met de aarde en de tijd? Een bekering van onze moderne samenleving is niet te mooi om waar te zijn. Immers de belofte ‘bidt en U zal gegeven worden’ (Luk.11:13) heeft allereerst en allermeest betrekking op de Heilige Geest!
1) Het Hebreeuwse woord voor ‘gezalfde’ is משׁיח (mashiach: messias); ‘mashiach’, ‘gezalfd’ wil zeggen: benoemd en officieel aangesteld in de functie van koning, priester of profeet, en met het oog daarop ook geestelijk toegerust, begiftigd met de gaven van de Heilige Geest, de Geest van wijsheid en kennis vooral. Israël is een Am Mashiach, een volksgemeenschap die benoemd en geestelijk toegerust is om de volken voor te gaan (leidinggevend, koninklijk) in een (ere)dienende samenleving (zowel in de dienst van de lofprijzing van God de Schepper en Bevrijder, als in de dienst aan Zijn schepping, aan Zijn aarde/land en aan Zijn landlozen, de el-lendigen der aarde die roepen om recht en respect). Als `Am Mashiach is Israël de ‘melekh’(koning) der volken. Het woord voor koning מלך melekh hangt samen met הלך hálakh (gaan, vóórgaan): de koning is de voorganger, de hertog: degene die voor het leger ‘her toog’ (vergelijk het Duitse ‘her-ziehen: voorop trekken).
2) Het woord סגולה sêguláh, uit Ex.19:6 wordt meestal vertaald met ‘speciaal eigendom’ of ‘kostbaar bezit’. In Deut. 7:6 wordt Israël een Am sêguláhgenoemd: een kostbaar volk. Waarom kostbaar? Omdat aan Israël de schatten van de Torah zijn toevertrouwd: ‘zo deed Hij met geen ander volk’(Ps.147: 20). Maar behalve schatbewaarder is Israël ook degene die deze schatten mag delen met de volken = die deze schatten mag voorleven aan de andere volkeren. In het woord sêguláh is dit aspect ook te ontdekken: sêguláh is ook te zien als een samenvatting van het werkwoord סוג sóg(afzonderen) en גולה gúláh (oliehouder, lichtbron, Zach. 4:2). Israël, waarin God zoveel schatten geïnvesteerd heeft, is bestemd om een lichtbron te zijn, een licht voor de volken, een lichtende kandelaar voor een in het duister vertwijfeld ronddolende volkerenwereld.
3) Het woord יהודה jêhudáh waarvan ‘Juda’ en ‘Jood’ zijn afgeleid, betekent letterlijk: Godlover.
4) Het woord el-lend-ig betekent letterlijk: ex (= uit) het land zijn: de ellendigen in Israël zijn de landlozen, die afhankelijk zijn geworden van de bezitters, de landeigenaren.
5) De armen en de priesters vallen onder dezelfde categorie: de kwetsbare leden van de samenleving die een bijzonder recht hebben op Gods Liefdebetoon en dus op het daadwerkelijk liefdebetoon van hun volksgenoten.
6) De Bijbelse vorm van slavernij is niet hetzelfde als de heidense slavernij, zoals de Egyptische, waarbij men onderdrukt en uitgebuit wordt. Het is een tijdelijke maatregel die bedoeld is om mensen die in economische problemen zijn geraakt, weer op de been te helpen: ze konden zich als knecht (in het Hebreeuws: `ebhed = knecht, slaaf) ‘verkopen’ bijvoorbeeld aan een goed boerende buurman. De Bijbelse slavernij ligt meer in de lijn van onze moderne loonslavernij: een vrije ondernemer die, omdat hij in de schulden is geraakt en niet meer in staat is deze last uit zijn eigen bedrijf op te brengen, ‘verkoopt’ zich tijdelijk’ als werknemer/knecht bij een collega. Het bevrijdende en barmhartige aspect van de Bijbelse vorm van slavernij is, dat in het Shabatsjaar de schulden worden kwijtgescholden, terwijl in het Jubeljaar ieder weer in zijn eigen bedrijf op zijn eigen akkers van start mag gaan. In onze moderne samenleving staan liberalisme (privé bezit, vrij ondermerschap) en communisme/ socialisme (herverdeling van het bezit, het bedrijfskapitaal is van de gemeenschap/staatseigendom) lijnrecht tegenover elkaar. In de unieke Bijbelse maatschappij- ordening komen die twee naelkaar: er is privébezit; ieder onder eigen wijnstok en vijgenboom, ieder mag/moet de gegeven goederen en talenten zoveel mogelijk ontwikkelen, maar op gezette tijden vindt een herverdeling plaats. In het liberalisme wordt de kloof tussen rijk en arm steeds groter, in het communisme worden allen even arm met uitzondering van de partijelite. Maar in de Bijbelse ordening zijn er kansen en herkansingen voor iedereen, omdat de God van de Bijbel niet alleen ordeningen geeft voor het verdelen van Zijn aarde, maar ook voor het indelen van Zijn tijd: Hij is de God van de aarde (ruimte) én van de tijd, Zijn unieke tijdsorde bepaalt het welzijn van onze wereld.
7) Al in de 3e eeuw vóór Chr. was door Joodse Schriftgeleerden in Egypte (Alexandrië) de Mozaïsche Torah, met de Hebreeuwse Psalmen en een groot aantal profetische boeken, vertaald in het Grieks, de taal van het toenmalige Hellenistische wereldrijk, dat heel West Azië en Noord Afrika en een groot deel van Europa omvatte en dat later goeddeels werd opgenomen in het Romeinse rijk, dat zich uitstrekte tot aan de Rijnlanden, waaronder zuidelijk Nederland en zelf tot ver in Engeland. In heel dit uitgestrekte gebied woonden Joden en werd wekelijks in hun synagogen de Torah voorgelezen en uitgelegd, misschien nog wel voorgelezen in het Hebreeuws, maar de uitleg vond plaats in de dagelijkse omgangstaal en dat was het Hellenistische Grieks. De taal waarin ook de Vier Evangeliën en de Apostolische Brieven gesteld zijn.
8) Het gezegde van de profeet Jeremia is actueel: ‘Wij hebben getracht Babel te genezen, maar het is niet te genezen, laten wij gaan, (terug gaan), een ieder naar zijn land’ (Jeremia 51:8).
9) Wat Israël vandaag doet? Het is een wonder van bevrijding dat, terwijl in Azië en Afrika jaar op jaar grote stukken kostbare aarde verloren gaan, het teruggekeerde Joodse volk er in mocht slagen om hun oude homeland dat eeuwenlang verwaarloosd en ontaard was te ontrukken aan woestijnen en moerassen. Israël is een sêguláh, een lichtend voorbeeld voor de volken in Azië en Afrika.
Wat Israël nog meer doet? “Jaar in jaar uit, ja dag aan dag, zijn Jeruzalem en Ommeland vol van lof en dankzegging. Aan miljoenen huistafels in het huidige Israël en verstrooid over de hele aarde, wordt dagelijks dankzegging gedaan over het brood en over de wijn in het weekend en worden er Psalmwoorden gezongen en Torahteksten gelernd. En in duizenden of honderdduizenden ‘wijkcentra;’ in sjoels en sjoeltjes wereldwijd, worden de publieke getijden in acht genomen, de morgen en middag/avondgebeden in lijn met de Levitische getijden. Weliswaar zijn hierbij in meerderheid de ‘presbyters,’ de 65-plussers, de dragende krachten, maar niet alleen zij: er zijn tal van scholieren zowel van de speciale Bijbelscholen (jeshiva’s) als ook van de gewone middelbare scholen die dag aan dag aan deze getijdediensten deelnemen. In deze publieke getijden komen Israëls Psalmen tot klinken, de oude, Hebreeuwse lofzangen die voor God der Hebreeën dienst mogen doen als Zijn aardse troon (Ps. 22:4). Met recht is het Joodse volk, zoals de naam ‘Jehudah’ zegt, een ‘Godlover:’ een lovend volk. De oproep van de Hebreeuwse Psalmen is geen slag in de lucht: ‘alle gij volken looft de HERE.’ De volken hoeven alleen maar in te haken, de ‘slip te grijpen’ van deze Godlover in het centrum van de wereld (Zacharia 8:23).… om in hun taal en op eigen melodieën de Psalmen van Israël mee te zingen rond de gedachtenis aan het Lamoffer waarnaar het ‘Gedurige Offer” in de Tempel verwees (Joh. 1:29).