(Studietafel Wav, zes)
Israël is een geheel nieuw ontwerp
Israël is niet één van de 70 volken, geen aparte tak van een Semitische stam. Israël is een geheel nieuw ontwerp, een aparte schepping: uit één echtpaar, de stokoude Abram en Sarah, schiep God een geheel nieuw volk. Hij riep Abram en Sarah weg uit de kring van hun familie in Ur, zelfs hun neef Lot moesten ze laten gaan. Uit dit versleten, volledig onvruchtbare tweetal riep God de stamvader van Israël tevoorschijn. Een schepping apart, een ‘chen’ (gein, genade), een lachverwekkend wonder. Jitschaq, de naam van Israëls stamvader betekent letterlijk: Hij, Israëls God, lacht (zie ook Ps. 2:4). Deze stamvader is niet alleen de belichaming van Gods Lach, maar ook van Zijn Liefde: op de berg Moria werd deze stamvader (Israël zelf) bevrijd door een Offerlam, een verrassend verschijnsel waarin de vergevende Liefde Gods, Zijn Zelfovergave, gestalte nam. Israël leeft van genade en nergens anders van, de bestaansgrond van dit aparte volk is Gods vergevende, bevrijdende Liefde: Hij is met hen, draagt hen, vereenzelvigt Zich met hen, verplaatst Zich in hen, neemt hun schuld op Zich en draagt die weg 1).
Israël is dé Ekklesia
De schepping van Israël heeft geen doel in zichzelf, maar is gericht op de bevrijding van de volkerenwereld. Abram is weggeroepen uit Ur, niet om voor zichzelf en zijn nageslacht een mooie woonplek te vinden in Kanaän, maar om van daaruit voor alle volken een zegen te zijn (Gen. 12:2).
Bij de Sinaï is deze roeping voor heel Israël bevestigd: ‘gij zijt voor Mij een koninkrijk van priesters;’ een leidinggevende en eredienende volksgemeenschap, met het oog op heel de aarde. ‘Want heel de aarde is Mijn eigendom, zegt God (Ex. 19:6).’ Heel de wereld is Zijn Rijksgebied, Hij is Koning over alle volken, Zijn Rijk reikt van zee tot zee en tot de einden der aarde.
Het Hebreeuwse woord voor deze apart in het leven geroepen en met een opdracht belaste volksgemeenschap is qáhal קהל, waarin het woord qólקול (stem). Een mooie Griekse vertaling hiervan is ekklesia, van het werkwoord kaleo (roepen); een andere veel gebruikte vertaling is sunagogè, van ‘sunagogèn:’ vergaderen, bijeenbrengen. Israël is een bijzonder volk, niet alleen vanwege zijn unieke oorsprong, geboren uit een overjarig echtpaar, een lachwekkend wonder, maar het is ook een bijzonder volk vanwege zijn unieke bestemming: geroepen om een licht voor de volken te zijn, een model van een samenleving onder het Koningschap van God, een voorpost, een bruggenhoofd voor het Koninkrijk Gods over alle volken.
De missie van Israël onder de nabuurvolken
Hoe was Israël een licht voor de naburen? Zo vaak en zo lang Israël de gestalte aannam van een vierende en onderling solidaire samenleving, zolang de Heilige Israëls, de Ene, de Unieke, de ereplaats had in hun midden, was het een lichtende kandelaar. Maar zodra het zich van Hem afkeerde en zich ging aanpassen aan de heidense levensstijl, zich ging binden aan de goden van de volken, de natuurgoden en andere ‘tussenwezens,’ doofde het licht, strandde de missie, verloor Israël zijn positie en zijn recht op het Land, werd het verstrooid onder de volken.
Israëls missie tijdens de ballingschap
Maar al werd Israël verstrooid, de roeping bleef: ook in de ballingschap bleef Israël een lichtende kandelaar. Het verstrooide volk verenigde zich in kleine kamerkringen of in publieke gemeenten (qêhiloth, ekklesiai of synagogen) die, hoe afgezonderd soms ook, toch een bepaalde uitstraling hadden op de omgeving. Vooral de publieke Torahlezingen (Hand. 15:21), met aansluitend de voor velen toegankelijke leerhuizen, hebben tijdens de Babylonische, Perzische en Grieks-Romeinse ballingschap hun stille invloed uitgeoefend op de heidense wijze van denken en samenleven.
De reactie, overigens, van de volken op het verschijnsel Israël is verschillend geweest. Enerzijds was er de botte afwijzing met versterking van de eigen volksreligie of de eigen levensbeschouwing. Maar anderzijds was er ook, vooral bij de Perzen, de Grieken en de Romeinen, een opvallende openheid en ontvankelijkheid voor de geestelijke bagage die het Joodse volk bij zich droeg op hun zwerftochten ver weg van Jeruzalem. Men schat dat er rond het begin van onze jaartelling miljoenen zogenaamde ‘jodengenoten’ of ‘proselyten’ zijn geweest (Hand. 2:10). Ook zij hebben uiteraard licht uitgestraald in hun omgeving.
Hoe dan ook, er is verband te zien tussen het Bijbelse Joodse denken en de Perzische en Griekse-Romeinse levensfilosofie. Te denken valt aan de Perzische visie op de strijd tussen de twee goddelijke machten, de goede en de kwade geest; aan de Griekse gerichtheid op het Hogere, hoger dan de mythologische tussenwereld van de Olympische goden; en aan de Romeinse nadruk op het deugdzame leven, dat vooral accent kreeg in de Romeinse Stoïcijnse filosofie (het is bekend dat Zeno, de grondlegger van de Stoa, van Semitische afkomst was: zijn vader heette Mnaseas/Menasse). Zo gingen er al eeuwen vóór het begin van onze jaartelling naar alle kanten lichtstralen uit vanuit Jeruzalem.
Helaas werden deze stralen lang niet altijd zuiver opgevangen, maar gekleurd en aangepast, vanuit de Perzische en Grieks-Romeinse achtergrond, waardoor ze later juist fungeerden als sterke tegenstander van de Bijbelse boodschap, veel vijandiger vaak nog dan de oud-heidense mythologie.
De vernieuwing van Israëls Missie: vernieuwd Sinaï-gebeuren
Het is een merkwaardig gegeven dat de vernieuwing van Israëls missie om een licht voor de volken te zijn – wat tegelijk de geboorte werd van de gemeente onder de volken – plaatsvond in Jeruzalem tijdens het eerste Wekenfeest, na het afscheid van Jehoshua 2). Het Wekenfeest (Shawu`oth) op de vijftigste dag na Pesach (‘Pinksteren’) is de jaarlijkse viering van de geboorte van Israël als Godsvolk. Dat gebeurde destijds in de woestijn bij de berg Sinai, toen God Zelf neerdaalde op de top van de Berg om de Torah, Zijn Onderwijzing voor leven en samenleven, te overhandigen aan de kinderen Israëls en hen officieel aan te stellen (máshach, zalven) tot een koninkrijk van priesters; tot een leidinggevende, (ere)dienende volksgemeenschap.
Ongeveer 15 eeuwen na deze geboorte van Israël als een Godsvolk, werd Israël, tijdens een bijzonder Wekenfeest in Jeruzalem, opnieuw geboren, opnieuw aangesteld (gezalfd) om een lichtdrager te zijn onder de volken. Heel Israël, de hele volksgemeenschap die van heinde en verre 3) bijeenvergaderd was op het tempelplein – zoals het indertijd verenigd was rond de berg Sinaï – beleefde opnieuw een Neerdaling Gods. Maar nu nog dichterbij dan toen: toen daalde Hij neer in de gestalte van een afstandelijke Stem, huiveringwekkend (Ex. 24:18-21) nu daalt Hij neer in hun midden als een Stille Stem, Die in ieder van hen ter sprake wil komen. Toen, bij de Sinaï schreef het Woord Zich in op Twee afstandelijke Stenen Tafelen, vanaf nu wil het Woord zich inschrijven in het hart en het verstand van het heel het volk, van oud en jong, vrij of slaaf zoals beloofd was bij monde van de profeten (Joël 2:28-32; Jer. 31:33; Hebr. 10:16).
Twaalf gezanten uitgezonden vanuit Israël
Zoals de eerste Neerdaling op de berg Sinaï, heeft ook de tweede Neerdaling op de berg Tsion geen doel in zichzelf: Israël werd hier opnieuw geroepen om een licht voor de volken te zijn, om als een volwassen Godsgezant, nu niet langer onopzettelijk of terloops, maar doelbewust en met strategische opzet buiten Israëls grenzen te treden, om in de wijde wereld het Evangelie van Koninkrijk Gods te verkondigen onder alle volken. Niet alleen het Evangelie van de rechtstreekse relatie met de God der goden, de Ene, de Unieke, maar ook het Evangelie van het Offerlam 4) dat in Jehoshua reddend verschenen is, en vooral ook (tegenover de heidens-mystieke zelfverlossingsleer en de Stoïcijns-Romeinse deugdencultuur) het Evangelie van het Tweede Sinaïgebeuren: de zalving met de Heilige Geest, de innerlijke bevrijding en de verinnerlijking van de Mozaïsche Torah (Jer. 31: 33, Hebr. 10:16).
Met het oog op deze missie onder de volken werden vanuit Jeruzalem 12 gezanten namens de 12 stammen Israëls uitgezonden naar alle steden van het Romeinse rijk. En gaandeweg vormden zich rondom de boodschap van deze gezanten uit Jeruzalem kleine huiskamerkringen, ekklesia’s, met de opdracht om de Bevrijdende Boodschap vanuit Jeruzalem door te geven aan heel hun volk: hen op te roepen om in het spoor van Israël te gaan; om de slip te grijpen van de Joodse man (Zach.9:23); om openhartig te zijn voor de Geest van Israëls God, Die Zijn Torah wil schrijven in hart en verstand zodat in heel het Romeinse wereldrijk de Naam van Israëls God geheiligd wordt; Zijn koningschap wordt erkend en Zijn wil, Zijn Torah daadwerkelijk gestalte krijgt.
De gezantschappen van Israël hebben geen doel in zichzelf
Want evenals het Godsvolk Israël heeft ook de gemeente onder de volken geen doel in zichzelf. Wat Israël is tussen de volken, zijn Israëls gezantschappen binnen de volken: de diverse ekklesia’s of gemeenten zijn bestemd om een model te zijn van een eredienende en onderling solidaire samenleving. De kleinste eenheid van een ekklesia of gemeentekring is het gezin: de huisgemeente rond de huistafel, waar vader en moeder de priesters zijn die dankzegging doen over het dagelijks brood en over de wijn in het weekend. Behalve model en oefenplaats voor een vernieuwde eredienende en solidaire samenleving, waarin openlijk de Naam van Israël God geheiligd wordt; de centrale plaats heeft, zijn Israëls gezantschappen vooral ook de leerplaatsen waar het volk leert luisteren naar het Woord van God der Hebreeën, waar men vooral ook de Hebreeuwse kernwoorden leert spellen en ontdekken in hun veelkleurigheid en veelzijdigheid. Anders gezegd: de gemeenten onder de volken zijn slechts een hulpconstructie, een noodverband dat nodig als steigerwerk voor de bouw van het eigenlijke Huis Gods: de vernieuwde volkssamenleving (de gezinnen voorop) waarin Zijn Naam geheiligd, Zijn Koningschap erkend wordt en Zijn wil, Zijn Richtlijnen richtinggevend zijn voor de inrichting van de samenleving.
Een gezantschap van Israëls Koning is een gezantschap van Israël
De apostel Paulus noemt de gemeente in de Griekse stad Korinthe niet uitdrukkelijk een gezantschap van Israël, maar het bijzondere instrument van Israëls Messias Koning: ‘gij zijt het lichaam van Christus (1 Cor. 12: 27).’ En terecht, want de twaalf gezanten zijn een speciaal gezantschap van Israëls gezalfde Koning. Zij zijn niet door het hele Joodse volk tijdens een publieke volksvergadering (qáhal) in Jeruzalem geselecteerd en uitgezonden, maar nadrukkelijk in Jeruzalem door Jêhoshua Zelf: ‘zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend ik ook U (Joh. 20:21).’ De Zender Jehoshua is de Gezalfde Koning van Israël, zoals boven Zijn kruis geschreven stond: ‘dit is de Koning van de Joden ( Joh.19:19).’ De Koning van de Joden heeft als de Unieke Vertegenwoordiger van Zijn volk een Joods gezantschap uitgezonden naar de volkerenwereld. En zoals Jehoshua niet los verkrijgbaar is, niet los van Israël- want die twee zijn één- is ook Zijn instrument, Zijn lichaam niet los verkrijgbaar, niet los van Israël, want ook die twee, het volk Israël en zijn gezanten zijn één. Waar Jehoshua wordt losgemaakt van Zijn volk ontstaat een ander soort ‘messias’: een Griekse, Romeinse, Germaanse of een verafrikaniseerde en veramerikaniseerde ‘messias’.
Het drama van de kerkgeschiedenis
De kerkgeschiedenis is één groot drama geworden. Eerst werd Jêhoshua losgemaakt van Zijn volk. Allerlei factoren hebben daarin een rol gespeeld, maar één ervan is: dat het Hebreeuwse woord dabar uit Tenach en ook uit het Evangelie (Joh. 1 vers 1: ‘in het begin was het Woord’) in de Griekse vertalingen weergegeven is met het woord logos. Onwillekeurig sloop met dit Griekse woord, ook de Griekse beschouwing over de ‘logos’ het Christendom binnen: de logos als het redelijk beginsel van al het bestaande of de logos als de innerlijke drijfveer, de vurige vonk die van nature in ieder mens aanwezig is. In de zuigkracht van dit algemene Griekse denken werd ook Jêhoshua veralgemeniseerd en daarmee losgemaakt van Zijn volk: het woord ‘Messias/Christus’ werd aanduiding voor een volkomen eigenstandig verschijnsel in de menselijke geschiedenis, dat geheel los staat van Israël.
En waar Jêhoshua verzelfstandigd werd, geïsoleerd van het Godsvolk Israël, werd ook Zijn lichaam, de gemeente uit de volken verzelfstandigd, losgemaakt van Israël.
Dit proces van verzelfstandiging werd niet alleen versterkt door de duidelijke afkerigheid van het Joodse volk zelf, een afkerigheid die soms ontaarde in openlijke vijandigheid, maar vooral ook door het merkwaardige woord ‘kerk’ waarmee de gezantschappen van Israël voortaan werden aangeduid. Het woord komt niet in de Bijbel voor en heeft een onduidelijke achtergrond. Men neemt algemeen aan dat het is afgeleid van het Griekse woord kurios (Heer; de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Adonaj): het woord ‘kerk’ wordt dan gezien als een samentrekking van kuriakè (van de Heer). Als dit waar is, kan men dit woord feitelijk ook toepassen op Israël: immers Israël is het originele ‘volk van de Heer’, de ‘qahal van Adonaj’, Israël is de originele ‘kerk/kuriakè!’ Maar in de praktijk werd dit woord juist een factor voor de verzelfstandiging van de kerken en voor de verdere breuk tussen Israël en zijn gezantschappen onder de volken. Met deze verzelfstandiging maakten de kerken zich ook los van Israëls missie: om een licht te zijn, een model van een radicaal vernieuwde samenleving volgens de liefdevolle richtlijnen van de Mozaïsche Torah met betrekking tot het ordenen van de tijd en het aardse bezit. De kerken pasten zich aan de heidense-Romeinse ordeningen aan voor de aardse goederen en voor de feesttijden: niet de Bijbelse, maar de heidense feesten werden de grondslag voor de kerkelijke gedenkdagen.
Bovendien verloor de gemeente uit de volken, met het verlies van een levende relatie met het Godsvolk Israël,5) ook het zicht op de aardse toekomst, op de aardse vrede voor alle volken, zoals die door Israëls profeten was aangekondigd en later door speciale, hemelse gezanten werd bevestigd: shalom vanuit Jeruzalem (Jes. 2:1-4) en ‘vrede op aarde’ (Luk. 2: 14). Ook in dit opzicht kon de Kerk geen weerstand bieden tegen de zuigkracht van het Griekse denken dat nagenoeg geheel gericht is op het Hogere, het hemelse met verachting voor het aardse, lichamelijke, voor landwerk en handwerk.
Nog een ander rampzalig gevolg van de breuk met Israël* is dat de gemeenten onder de volken zich niet meer richten op de mondigwording van hun volk in het spoor van Israël – om te beginnen in de gezinnen: vader en moeder priesters aan de huistafel- maar zij bevorderden juist de onmondigheid door de vorming van een aparte priesterstand 6) die de plaats innam van de originele priesters: de ouders en oudsten (het Griekse woord voor ‘oudste’ is presbyter, waarvan het woord priester is afgeleid!). Het gevolg van deze volksverdrukking, van de geestelijke dictatuur (hiërarchie en dominocratie) is dat de diverse bevolkingsgroepen uiteindelijk langs en andere weg, de seculiere omweg, tot mondigheid kwamen waarbij men zich radicaal afkeerde van de Kerk.,
Paulus en de Staat Israël (politeia)
In zijn brief aan de Efeziërs schrijft Paulus aan mensen, die vanuit het heidendom door de verbondenheid met Jehoshua, een relatie met het Godsvolk Israël hebben gekregen: ‘Bedenk dat U vroeger uitgesloten was van het burgerschap (politeia) van Israël (Ef.2:12).’ In de dictionary van ‘The Greek New Testament’ wordt ‘politeia’ vertaald niet alleen met:citizenship (burgerschap), maar ook met people (volk) en state (staat). Daarom zou men Paulus’ gezegde ook kunnen vertalen als: ‘Vroeger, toen U nog geen relatie had met Jêhoshua, had U ook geen relatie met het Godsvolk Israël en had u geen recht op een verblijfsvergunning in de staat Israël!’ Hoe dan ook, Paulus onderstreept hier de onopgeefbare verbondenheid tussen de gemeenten uit de volken en het Godsvolk Israël. 7) Die twee zijn niet te scheiden. Waar dat wel gebeurt, gaat het mis met de Kerk en met de wereld. Kras gezegd: De Kerk is een gezant van Israël of ze zal niet zijn. Alleen als een ‘apostolair genootschap van Jodengenoten’ kan de Kerk de 21e eeuw overleven. Alleen dan is ze opgewassen tegen het aanstormende, moderne heidendom, de zogenaamde ‘Nieuwe Tijdsreligie,’ de religie van ‘alles is hetzelfde:’ alle mensen en alle volken zijn gelijk, er zijn geen uitverkorenen, geen voortrekkers, en ook alle godsdiensten zijn hetzelfde. Alleen in onopgeefbare verbondenheid met Israël is er ook hoop voor de volkerenwereld, die mede door de schuld van de kerken hopeloos verstrikt geraakt is een afgodische, van Israëls God afkerige, Babylonische stadscultuur met alle moderne ellende van dien.
1) Lang voor de bekende deportatie van Judeeërs uit hun thuisland, was er al sprake van incidentele deportaties, die onweerstaanbaar hun invloed gehad zullen hebben. In Joel 3:6 staat wat dat betreft een zeer interessante mededeling. De profeet Joël leefde waarschijnlijk in de 9 e eeuw vóór Chr. toen het Griekse volk nog volop in het duister van het mythologische tijdperk zat. Met een Olympus vol goden en halfgoden. Joël vermeldt dat in die tijd een groep jongens en meisjes uit Jeruzalem en Judea gedeporteerd zijn naar Jonië, het huidige West Turkije, de plek waar de Griekse verlichting begon (Thales van Milete, in de 7e eeuw). Die twee gebeurtenissen staan wellicht niet los van elkaar: de jonge kinderen Israëls kenden van thuis uit een rechtstreekse relatie tot de God van Israël, de Ene, Unieke, Die vér boven alle goden uitstijgt, terwijl de verlichte Griekse natuurfilosofen zich met logische argumenten ook afkeerden van deze afgoderij. Het is mogelijk dat zelfs nog veel eerder, in de dagen van Debora (Richt. 5:17), leden van de zwerfstam Dan via Foenicië uitgevaren zijn naar Griekenland. De naam ‘Danaioi’ ter aanduiding van de Grieken zou hierop kunnen wijzen.
2) Wie is Jêhoshua? De evangelist Johannes formuleert kortweg: ‘Hij is het ‘vleesgeworden Woord van Israëls God (Joh.1:1,14).’ Dat houdt niet alleen in dat Jêhoshua de Oorsprong (beginsel, reshiet) is van de schepping; ‘door het Woord is alles geworden,’ maar ook de Kern van Gods bevrijdend handelen. Hij is de belichaming van de Stem, Die Abram riep uit Ur, Die Mozes aansprak vanuit de Brandende Braamstruik; Die neerdaalde op de Sinaï, Die Zich inschreef in de Twee Stenen Wetstafels, Die met Israël meetrok door de woestijn in de gestalte van een geestelijke Rots (1 Cor.10:4); Die bij de bevrijding van het Beloofde Land, samen met Jêhoshua de zoon van Nun vóór de legerscharen van Israël uittrok (Jozua 5:14,15); Die sprak door de mond van Profeten en Psalmdichters; Die op Geestelijke wijze geboren werd uit een Davidische prinses; Hij is de Koning van de Joden, Die Zich met Zijn volk en met ons vereenzelvigd heeft Zich in ons verplaatst heeft tot in onze schuld en dood toe; Die opgestaan is uit onze dood; Die hoog verheven is aan de rechterhand van God, vanwaar Hij neergedaald is in de gestalte van de Heilige Geest; Die toegang vraagt tot ons diepste innerlijk om ons te bevrijden van geestelijke slavernij en de Torah van Israëls God te schrijven in hart en verstand, zodat de vrede vanuit Tsion wereldwijd gestalte krijgt (Micha 4:1-4); het Koningschap van Israëls God (JHWH/Jêhoshua`) erkend wordt door alle volken (Ps.117, Ps.2 en Ps.87) en de heiliging van Zijn Naam de bindende factor is in elke samenleving, in gezin, familie en volksgemeenschap.
3) Een groot deel, wellicht zelfs het overgrote deel van het Joodse volk was toen al verstrooid over Europa, Azië en Afrika.
4) Behalve de ‘belichaming van het Woord Gods’ wordt Jêhoshua ook het ‘Lam Gods’ genoemd (Joh.1:29), dat plaatsvervangend de schuld van Zijn volk en daarmee van heel de wereld op Zich neemt. Naar Hem verwijst het offerlam dat Isaäk bevrijdde op de Berg Moriah en het bloed van het Pesachlam dat Israëls eerstgeborenen vrijwaarde voor de dood- en vooral ook het offerlam op Jom Kipur (dat het hart vormt van de Torah, Lev. 16:21) en het dagelijks offer in de tempel. Dit offerritueel vormde het middelpunt van de lofzang tijdens de dagelijkse getijdendiensten, waarbij ook de Jeruzalemse gemeente steevast aanwezig was (Luk. 24:53; Hand. 2:46).
5) Maar kon de Kerk na de verwoesting van Jeruzalem, tijdens de 2000-jarige Romeinse ballingschap nog wel een relatie met Israël onderhouden, onopgeefbaar verbonden zijn? Israël is meer dan zijn uiterlijke verschijningsvorm: er is een onzichtbare Wortel die de stammen Israëls voedt en draagt: het Woord en de Geest van Israëls God, de Altijd Aanwezige, Immanuël (JHWH/Jêhoshua). Bovendien waren er en zijn er overal, wereldwijd in nagenoeg alle steden, kleinere of grotere Joodse gemeenschappen waarbij Israëls gezantschappen aansluiting kunnen zoeken. Hadden kunnen zoeken, want in plaats van de ‘slip’ te grijpen van de Joodse man bij hen in de buurt, hebben de kerken eeuwenlang de Joden in hun midden genegeerd, geminacht of zelfs verdrukt.
6) Een hoge functionaris van de Rooms Katholieke Kerk in Nederland heeft de Protestantse Kerken getypeerd als een ‘actiegroep die vergeten is zichzelf op te heffen.’ De protestanten zouden kunnen reageren met: ‘de Roomse Moederkerk vergeet dat haar protesterend pubers geen kleine kinderen meer zijn, die als het buiten donker wordt wel weer naar huis zullen komen, veilig bij moeder thuis!’ Maar dit gekissebis draagt weinig bij aan de oplossing van de eigenlijke kerkcrisis die onoplosbaar is zonder herstel van de relatie met het Godsvolk Israël: de originele ‘Kerk’. Men zou het zo kunnen typeren: de Rooms Katholieke Kerk is een ongehuwde moeder, die zich afgescheiden heeft van haar wettige partner (Israël) en een los-vaste relatie is aangegaan met een heidense partner. De protestantse kerken hebben zich weliswaar bevrijd van deze heidense relatie en zijn teruggekeerd naar de originele bronnen vanuit Israël, de Hebreeuwse Bijbel met name, maar zij hebben het huwelijk met Israël, de wettige partner niet hersteld, zij blijven zelfstandig voortbestaan als (af)gescheiden singles. Weliswaar eerst nog in nauwe verbinding met hun eigen volk (volkskerken), maar nu het volk zich bijna massaal heeft afgekeerd van hun eigen volkskerk, staan de protestantse kerken echt op zichzelf. De spannende vraag is: kiezen deze eenzame kerken nu massaal voor Tsion, de originele ‘Kerk’ of toch in wanhoop tenslotte voor Jeruzalem’s tegenpool: Rome?
7) Het gezegde van Paulus in Efeze 2:15 over het buiten werking zetten van de ‘Wet in inzettingen bestaande’ betekent niet dat de Mozaïsche Torah is afgeschaft (zie Matth.5:17), maar de Wet in Voorschriften bestaande is opgevolgd door de Wet der Inschriften (Jer. 31: 33, Hebr. 10:16). Anders gezegd: de Schriftelijke Torah is na de Neerdaling Gods in de gestalte van de Heilige Geest opgevolgd door de Mondelinge Torah; de Rechtstreekse Inspraak door de Heilige Geest in het hart, waarbij het gaat om dezelfde Wet die nu vanzelfsprekend is, verinnerlijkt is.