Door ds. R. Strijker
Is Chanukah meer dan een jaarlijks terugkomend gezellig samenzijn met lichtjes, een lied en een oliebol? De kern van het Chanukahfeest is de herinnering aan de bevrijding uit de Griekse tirannieke éénheidscultuur, die ervan uitgaat dat alle mensen en alle volken gelijk zijn en dus desnoods met geweld gelijkgeschakeld moeten worden: voor een apart Israëlvolk met een eigen afwijkende levensstijl was in de toenmalige wereld geen plaats.
Maar Chanukah is vooral ook de herinnering aan de Terugkeer naar de Torah: het herstel van de dagelijkse eredienst (morgen- en avondgebed in de Tempel); van de wekelijkse rustdag (Shabat) en de jaarlijkse feesttijden (Pesach, Shawuoth, Jom Kipur en Sukoth), feesttijden die gericht zijn op de God van Israël, de Bevrijder, Die Zich niet laat gelijkschakelen met de goden van de gojim (Deuteronomium 6:4). Speciale feesttijden waarin de herinnering levend bleef aan de Zijn grote Daden: de Uittocht uit de slavernij; de Doortocht door de woestijn met het manna en de Waterrots die met hen meetrok; Zijn Neerdaling op de Sinaï en het Inschrift in Steen van de Tien Torah-Richtlijnen en de Intocht in het Beloofde Land, met voorop de Man met het zwaard; de Messiaanse Vorst die Jozua bemoedigde voor de aanval op Jericho en de verovering van het Beloofde Land.
De vraag of het meevieren van dit feest voor ons meer is dan een spelletje spelen, is een tweeledige vraag: 1. hoe formuleren we onze houding tegenover de moderne Westerse cultuur die sinds de Verlichting en de Franse revolutie toch ook duidelijk ‘Grieks’ gestempeld is, getypeerd door een onweerstaanbaar éénheidsstreven. In de taal van de Bijbel is onze huidige cultuur Babylonisch, want Rome geldt, denk ook aan Openbaringen 18 als de opvolger van Babel.
Babel staat voor een multiculturele, oververtechniseerde en rebelse stadscultuur, waar iedereen zijn gang kan gaan. Dat is de eerste vraag die vanuit het Chanukahfeest op ons afkomt: hoe formuleren we hierin onze houding?
Moeten ook wij in het spoor van Israël terug naar het land, in de lijn van Jer. 51:6-10: vlucht uit Babel, terug naar Erets, naar het Beloofde land?
De tweede vraag die het Chanukahfeest ons stelt is: Kan de Mozaïsche Torah nog een redmiddel zijn en een vernieuwde impuls geven aan de westerse cultuur?
Het oudste gebod in Genesis 2 is: de aarde goed beheren, te bebouwen, letterlijk te bedienen (áwad: eredienen, `awodah = eredienst, liturgie) en te bewaren, dat wil zeggen: in verband houden met God de Schepper.
De Onderwijzing/Torah begint met de opdracht aan de mens om Zijn liefde voor de aarde praktisch vorm te geven door met zorg en liefde met de aarde om te gaan en deze niet te verwaarlozen, te laten verruïneren, te laten verwoestijnen of te laten vermoerassen zoals de Arabieren en de Turken het land Israel hopeloos hebben verwaarloosd in de afgelopen eeuwen. Laten we het goed beseffen: volgens de Torah is de mens niet de eerste, maar de láátste in Gods schepping. Volgens de Torah is de aarde er niet voor ons, maar wij zijn er voor de aarde; mens zijn is Gods grondpersoneel zijn.
In feite is de mens een hele late schepping. God bedoelde tenslotte om Zichzelf persoonlijk te laten vertegenwoordigen door een bijzonder schepsel, ‘ádám, mens אדם ; Adam, die weliswaar bloed-verwant is van de dieren (dam דם = bloed), maar die tegelijk in een unieke persoonlijke relatie staat met de Schepper, de Eén (de letter Aleph א van adam אדם is de één die verwijst naar de Eén).
Maar het woord adam אדם is ook verwant met adamah אדמה aarde. De mens die geschapen is, niet naar zijn aard, maar naar het beeld van God, is geroepen om Gods liefde voor Zijn schepping te weerspiegelen tegenover heel Zijn schepping. Niet alleen tegenover onze medemensen, maar vooral tegenover de dieren, de planten en de aarde zelf met al zijn rijkdommen aan mineralen die onmisbaar zijn voor mens en dier.
Deze ondergeschikte, dienstbare opdracht staat lijnrecht tegenover de Grieks heidense opvatting dat de mens centraal staat, dat de aarde draait om ons en dat wij als een god op aarde deze aarde voor onszelf mogen gebruiken, misbruiken en mogen uitbuiten zoveel we willen. Ook de vervuiling van ons milieu is een direct gevolg van onze liefdeloze omgang met Gods beminde aarde.
Kan Israël de wereld op een nieuw spoor zetten? Dat kan!
De volgende stelling lijkt uitdagend, maar is in profetisch perspectief gezien niet te hoog gegrepen: Israël heeft de afgelopen eeuwen niet echt de kans gehad om een verandering te bewerkstelligen in de wereld maar nu zij terug is van weggeweest in het Land en in haar hoofdstad Jeruzalem sinds halverwege de vorige eeuw zal dat steeds duidelijker zichtbaar worden (waterdruppel-irrigatie, ontzilten van water, woestijnen laten bloeien, enzovoort,).
Waarom zou Israël het mogelijk kunnen? Omdat aan Israel:
Het rabbijnse concept dat de Torah specifiek voor het Joodse volk is en de Noachidische geboden voor de gojim zijn, kan het Joodse volk belemmeren om de Torah aan de volken voor te leven: immers het hoeft eigenlijk niet! Of: het mag zelfs niet, de Torah is van ons!! Maar de kernthema’s van Torah zijn al vanaf de schepping bekend geweest: het houden van de Shabat (Gen. 2:2,3); het (be)dienen van de aarde; de `awodah door dankzegging over de scheppingsgaven (Gen. 2:15) en het afzonderlijk houden of afstaan van bepaalde scheppingsgaven (Gen. 2:16). De vrome Abel had de Torah al in het hart: hij zonderde de eerstelingen van zijn kudde af en offerde spontaan één ervan (Gen. 4:4).
Maar er zijn belemmeringen: in een Bijbelstudie over Parashat Terumah onder de titel ‘A religion on the move’ (in verband met de draagstokken aan de ark) zegt de bekende rabbijn Shlomo Riskin dat de Mondelinge Torah steeds on the move is geweest, meegegroeid is met- en aangepast is aan- de veranderende politieke en economische omstandigheden. Toen het volk in ballingschap ging en er geen gemeenschappelijk liturgisch centrum meer was, kwam alle nadruk te liggen op de diverse verstrooide synagogen. Toen de agrarische sector ging industrialiseren moesten de landbouwwetten (Shmitah/Shabatjaar o.a.) worden aangepast. Is de gevolgtrekking van deze visie niet dat sinds het volk weer terug is in het homeland Israël, ook de Mondelinge Torah opnieuw moet worden aangepast?
Er is nog een concept dat het Joodse volk kan belemmeren om de positie in te nemen van een priesterstaat, van een koninklijk, leidinggevend en liturgisch, lerend volk.
In de Joodse visie op het menszijn speelt namelijk de idee van de twee driften een grote rol: er is in ieder mens een goede en een kwade drift, de Jetser tov en de Jetser hará. Door zich te houden aan de regels van Torah zoals die in de Mondelinge Torah zijn uitgewerkt en vastgelegd in de Talmud – vooral wat betreft de dagelijkse gebeden en de viering van de shabat – zou ieder mens zijn kwade driften kunnen leren beheersen. Dat betekent dat men in principe niet alleen geen innerlijke bevrijding nodig heeft – geen bevrijding uit het krachtenveld van de Boze, want men kan door wetsgetrouw te zijn zelf de overhand verkrijgen op de kwade drift – maar het betekent ook dat men geen Heilige en heiligende Geest nodig heeft: de eigen geestkracht is al voldoende meent men….
Zoals bij de terugkeer naar ‘erets, toen enkele Christelijke groeperingen een bescheiden stimulerende en steunende rol hebben vervuld, zouden wij nu bij de terugkeer naar de Torah/Onderwijzing zoals ook Jezus/Jehoshua die volledig aanvaardde, naar een op de Bijbel gefundeerde samenleving, Israël kunnen stimuleren om ons vóór te gaan als leidinggevenden op weg naar vrede en welvaart voor allen (Micha 4:1-4).
Jêhoshua` zit onlosmakelijk vast aan Zijn volk, zit in Zijn volk, in hun Bijbel, in hun dagelijkse liturgie, in hun gebedenboek, in hun onderwijs, in hun feestelijke levensstijl. Hij is de zichtbare gestalte van JHWH. In JHWH יהוה is Jehoshua יהושע aanwezig. Jod-Heh-Waw יהו zijn de drie GodsNaamletters.
Zoals Job geloofde met al zijn wonden en zweren, zo gelooft het Joodse volk met de pijn van een eeuwenlang lijden, met hun moed en hun hoop.
Ook het moderne Israël vertoont ‘Babylonische’ trekken: de verstedelijking dringt op, de kibboetsen zijn voor jongeren niet meer aantrekkelijk, het platteland begint leeg te lopen. Maar er zijn, Baruch HaShem, ook tegenbewegingen: veel orthodox Judese jongeren kiezen weer voor een leven op het land.