02-11-2022

Psalm 103

In Psalm 103 beschrijft David de betekenis die God heeft in zijn leven en hoe dat zijn uitwerking op hem heeft, zowel fysiek en geestelijk. Vervolgens wil hij helemaal leven volgens de regelgeving van zijn geweldige God en Bevrijder. Psalm 103 heeft 22 verzen, net zoveel als er Hebreeuwse letters zijn. We kunnen wel zeggen dat deze Psalm één van de meest bemoedigende en opgewekte van al Davids Psalmen is. Voor velen is dit een lievelingspsalm. Vol hoop, liefde en genade maar toch stellen we ook de vraag of deze goede dingen voor iedereen, wat men ook doet, zijn voorbehouden? Spreekt David ook nog van een soort voorwaarde waaraan we behoren te voldoen? Dat zullen we onderzoeken! We zullen vooral de kernwoorden bespreken uit deze prachtige Psalm.

Wilt u graag studie over bepaalde woorden? Laat het ons weten.

Opvallend is dat David in de eerste zinnen over zichzelf, zijn ziel in het enkelvoud spreekt en verderop in de Psalm is David, in de ‘ik-persoon’ opgegaan in het meervoud, in zijn geloofsgemeenschap.

Een paar gedachten in grote lijnen:

1. Allereerst spreekt David zijn ziel aan (vs1-5) om de Heer te loven en dan ook zijn ingewanden, zijn binnenste, Qerebh קרב

2. Dan gaat hij vanaf vers 10 over in de wij-vorm

3. Vervolgens spoort hij in vers 20 de engelen, Malachiem aan, de krachtige hemelse boodschappers, die Gods boodschappen overbrengen aan mensen, zoals we zagen bij Abraham, bij Lot en Jacob enz. ‘Jullie engelen, Looft de Here,’ zegt David en

4. als vierde spreekt hij de heirscharen aan, de tswa’ot, de hemelse legermachten, het complete scenario aan dienaren die Gods welbehagen doen, om God te loven (vs 21)

5. Als laatste spreekt hij ál Gods werken aan, alles wat door God gemaakt is, waar dan ook; heel de schepping moet Hem loven. Het laatste vers van Psalm 103 heeft duidelijk samenhang met het allerlaatste vers van de laatste Psalm: 150: ‘Alles wat adem heeft, love de Heer.’

David bouwt het loven van de Heer op door bij zichzelf te beginnen, en nee, nog niet eens alles van hem zelf, maar slechts zijn ziel en ingewanden. Zijn ledematen doen hier nog niet mee. En dan gaat hij ‘ons’ en daarna de engelen mee te laten doen en daarna Gods dienaren; de heirscharen en pas daarna doet alles en iedereen mee: al Zijn werken, niemand mag nog zwijgen, geen lichaamsdeel dat door God gemaakt is mag stil blijven staan; geen steen zal stil zijn (Lukas 19:40)!

Prachtig is die opbouw, zoals een orkest een muziekstuk begint, eerst heel bescheiden met één of twee instrumenten en dan bouwt de muziek zich op: meer en meer instrumenten en stemmen doen mee en werken samen naar een schitterend crescendo. David is musicus en weet zijn woorden zo in te kleden dat ze meedoen in deze prachtige opbouw, de melodie van deze Psalm is helaas verloren gegaan, maar wat moet het mooi zijn geweest; in de woorden van David hoort men al de instrumenten en de stemmen aanzwellen!

Vers 1: Barakhi naphshi et JHWH,  ברכי נפשי את יהו-ה mijn ziel zegent de Heer. De nephesh נפש , die opgeroepen wordt door David om God, JHWH te loven is onze ziel en is onsterfelijk, blijft bestaan. De nephesh chayim נפש חיים  heeft Hij ons ingeblazen. Ons in- en uitademen is a.h.w. de Ruach רוח adem die Hij ons heeft gegeven en met die Ruach, adem prijst David de Here God. Nefesh komt van nafash, op adem komen, verfrissen. De eerste keer komen wij dit woord tegen in verband met God Zelf, Die op adem kwam na het scheppen van de zesde dag.

Het woord Barakhi ברכי  komt van het werkwoord Bérékh ברך zegenen, vermenigvuldigen, vertweeën, dubbelen. Het hangt ook samen met het woord voor knie, Berekh. Een knie splitst ons been ook in tweeën en een zegen ontvangen we dikwijls in geknielde, gebogen houding. Wanneer een vader zijn kind zegent, dan zet hij het vaak op zijn knie, denk maar aan Ja’akobh, die Ephraim en Manasse op deze manier zegent. Overigens is Ja’akobh de opa van de twee maar hij neemt hen in de zegen over van Jacob en laat hen delen in zijn erfenis alsof hij hun eigen vader is

Wie looft, prijst en zegent David: JHWH, de Aanwezige! Eén van de zeven Namen van God die wij tegenkomen in de Tenach en welke letterlijk betekent: Hij die aanwezig zal zijn, aanwezig was en aanwezig is. JHWH betekent niet: Ik ben die Ik ben want Hebreeuws kent het werkwoord voor zijn/ben/is immers niet. Ik ben mooi is ‘ik mooi’ ani jafeh אני יפה (mnl.). De naam van God in de Bijbel is een werkwoord en niet een zelfstandig naamwoord. Alles draait in Zijn Woord immers om werkwoorden en daarvan zijn de naamwoorden afgeleid. Daarom spreken we ook liever van Jehoshua יהושע  (Hij doet bevrijden) in plaats van Jeshua ישוע (bevrijding).

Vervolgens gaat David nog uitgebreider naar binnen en zegt: ‘Al wat binnen in mij is prijst Zijn Heilige Naam:’ Qirbi קרבי mijn binnenste, van binnenste: Qerebh קרב. De organen, die de gevoelens, gedachten en de wil van de ziel reflecteren tijdens ons bestaan. De eerste keer komen we het woord tegen bij Sarai שרי  die in haar binnenste lacht omdat ze hoort dat zij als 90 jarige nog een kind zal baren. Soms wordt Qirbi קרבי vertaald met mijn baarmoeder. Zoals Rivka/Rebecca tegen God zegt in Gen. 25:22: ‘het rommelt in mijn Qirbi, binnenste, haar kern, de kinderen Jakob en Esau maken daar al ruzie (en hun nakomelingen voeren nog tot op de dag van vandaag strijd).

In psalm 51:12  komen we het woord ook tegen: lev tahor bara li elohiem ve ruach nachon chadesh beqirbi לב טהור ברא לי אלהים ורוח נכון חדש בקרבי: ‘Here, herschep in mij een rein hart en vernieuw in mijn binnenste een juiste geest!!’ En vervolgens in vers 13: ‘neem uw Heilige Geest רוה קודשך  niet van mij weg,’ de Ruach Haqódes is er uiteraard ook in Davids tijd! In psalm 94: 19 e.v. wordt net zoals in psalm 103 Nafshi, mijn ziel en Qirbi, mijn binnenste in één zin gebruikt: alles wat in mij is wordt opgeroepen om Zijn heilige Naam te prijzen.

Qerebh קרב komt van het werkwoord Qarabh, naderen, en heeft ook woordverband met Qrabh  strijd, oorlog. In een oorlog naderen de vijanden elkaar. Het woord Qorban קרבן offergave is net zoals Qerebh קרב, binnenste, afgeleid van Qarabh.

Als we Hem benaderen met een Qorban קרבן  kan God van Zijn kant tot ons naderen, afdalen; wij hoeven niet omhoog, naar boven te gaan, zoals in mystieke godsdiensten wordt beweerd. Ook binnen het Jodendom hebben we een stroming die middels een weg naar Boven, door getalsberekeningen en dergelijke, denkt betere en hogere kennis te kunnen verwerven. Het is juist andersom: Hij, onze God komt naar ons toe, Immanuel. Hij troont op onze lofzangen, op onze Psalmen (Psalm 22:4). Een andere mooie woordverbinding van Qarabh קרב is met het werkwoord Qara קרא, roepen, noemen (twee van de drie basisletters zijn gelijk en dan is er dikwijls betekenisverband).

Roepen naar God, een lofzang uitroepen naar God, zoals hier in deze mooie Psalm, vanuit je binnenste, Qirbi,  oprecht gemeend en dan vol geestdrift en overgave uitspreken opdat Hij ons moge naderen. Onze Psalmzang, lofzang is als een Qorban, een offergave…  En qara קרא, roepen… heeft woordverband met bara ברא, scheppen. Al roepende, benoemende, schiep God Zijn Schepping.

In vers 2: Vergeet niet de goede dingen, de weldaden die Hij voor ons gedaan heeft, de Gemoeliem. Dat is datgene wat door de tijd heen ten goede gerijpt is, wat door Hem in beweging is gezet. De Gemoeliem גמולים, de goede weldaden komen van het werkwoord gamal גמל, gespeend worden, op eigen benen komen te staan. Het woord heeft verband met de 3e Hebreeuwse letter, de Gimel ג en ook met de derde scheppingsdag waarin alles in beweging komt. Uit de aarde spruit van alles voort: bomen en planten en al het groene kruid.

Ook de Here Jehoshua begint Zijn goede werken, Gemoeliem, op de derde dag: ‘Ten derde dage was er een bruiloft.’  Water verandert plots in hoog kwalitatieve wijn en niet, zoals sommigen denken, in een druivensapje. Hij is natuurlijk ook het beeld van de alcoholische wijn, van de geperste druif, die een bijzonder proces moet ondergaan, net zoals de graankorrel die in de aarde moet sterven en tot rijping komt.

We vergeten soms zo snel weer de Gemoeliem, de goede dingen die Hij voor ons deed, of liet doen via anderen; al die bevestigingen of tekenen waar we Hem om vroegen, soms smeekten, lang geleden of nog onlangs; wat God in ons, of in ons gezin gedaan heeft e.d. Het is goed om ze weer eens te memoriseren, op te schrijven en regelmatig te herhalen; dankbaar blijven is heel belangrijk.

De Bijbel zegt het ook steeds weer: Israël vergeet niet wat God voor jullie gedaan heeft toen destijds in Egypte, de doortocht door de rode zee, de woestijn, en toen later bij de verovering op Og en Sichon en later van het Land, beginnend met de val van Jericho en ga zo maar door.

Ook in NT lezen we regelmatig over alle goede dingen die God voor het volk doet. ‘Herhalen herhalen zodat de herinneringen indalen,’ is Zijn devies; we moeten het steeds horen en daarom is het hoofdgebod ook SHMA YISRAEL: ‘hoor Israël’ en niet: ‘zie Israël….’

Vanaf vers 3 begint David op te sommen waarom we de Heer moeten loven: Ten eerste: Die AL uw overtredingen, ongerechtigheden, avonekhi עונכי  vergeeft, salach סלח. David weet er alles van, hij heeft heel veel uitgehaald in zijn leven en heeft veel vergeving nodig gehad, zou het zelfs na het moment van het schrijven van deze Psalm nog nodig hebben. Wie veel vergeven is, heeft veel om dankbaar voor te zijn. David heeft het echt helemaal begrepen: hij weet dat God hem niets meer voorhoudt van wat eerder vergeven is. Salach סלח is kwijtschelden, vergeven. Het modern Hebreeuws gebruikt hiervan het woord Sliecha סליחה, sorry, excuses. In feite is dat dan dat God Zelf de schuld op zich neemt, de zonde daardoor verzoent. Bijzonder dat er ook woordverband is tussen Salach סלח en Sala סלא (met Aleph (א betalen, afwegen. Hij vergeeft. Dat gaat diep, zo lief heeft Hij ons dat hij de schuld, die toch betaald moet worden, Zelf op Zich neemt.

Dat is ook het beeld van Meshiach Jehoshua, Die als Lam Gods de zonden op Zich nam en ze wegdroeg door Zelf onze dood te sterven. We denken daarbij ook aan het woord Shalom שלום, wat wij met vrede vertalen, maar wat is vrede? Een situatie van geen oorlog, of veel meer?  Daardoor alleen al is het Hebreeuws zo’n mooie diepzinnige taal. In de diepste kern heeft vrede te maken heeft met de rekening vereffenen. Shalom שלום, een zelfstandig naamwoord komt van het werkwoord betalen, Shilém שלם. Daarom noemt men Hem ook de vredevorst; Hij heeft de rekening betaald.

Ten tweede: Want Hij geneest, ha’rofeh הרופה, AL uw ziekten. Aangezien David hier nog tegen zijn ziel spreekt, kunnen we dus ook en vooral spreken van het genezen van de ziekten van de ziel: depressiviteit, somberheid, eenzaamheid, ja zelfs sterfelijkheid! ‘Want,’ zo gaat hij verder, ‘Hij verlost u van het verderf!’ Overigens, wat een typische tegenstelling met vers 14 en 15 waar hij spreekt dat wij stof zijn en voordat we het weten ‘zijn wij niet meer.’ Het woord voor ziekte is hier Chala חלא wat ook betekent: ongemak, on-gemak, in het Engels dis-ease. Het tegenovergestelde van gemak. Men kan lichamelijke ongemakken hebben, maar zeker ook ongemakken in de ziel. Het is overigens beter dat we niet zeggen dat wij ziek zijn maar dat we eventueel een ziekte hebben die aan ons kleeft. We zeggen ook niet ‘ik ben een probleem maar ik heb een probleem’! De ziekte bepaalt namelijk niet wie wij zijn; God bepaalt dit! Maar we weten ook dat we, doordat we stof zijn, toch ook zomaar kunnen verdwijnen doordat bijvoorbeeld een ziekte die aan ons kleeft ons toch overmeestert; we overlijden dan, we zijn dan over het lijden heen…. En toch.. Hij, onze God, is Geneesheer.

Een Rofeh רופה is een arts, van het werkwoord Rafah רפה genezen. De eerste keer dat dit woord voorkomt in de Bijbel is in Bereshiet/Genesis 20:17 bij Abhimelech. Abraham bad tot God en Hij genas Abhimelech en o.a. zijn vrouw zodat zij (weer) kinderen konden krijgen. Mooi dat in het woord de Hebreeuwse letter Peh פ, dat mond betekent, in het midden staat. Al sprekende tot God wordt om genezing gesmeekt. Woorden hebben dikwijls scheppingskracht. Het is daarom goed om te proberen opgewekt te zijn, vertrouwen te hebben in onze God en bovendien: ‘Een vrolijk hart bevordert de genezing’ (spr. 17:22) zegt de spreukendichter, de zoon van koning David. Dat was 3000 jaar geleden dus al bekend….

Rafah רפא is een bijzonder mooi werkwoord omdat er ook een Aleph א in staat en de Aleph verwijst naar God Zelf, Die de Aleph is, zoals Jehoshua van Nazareth in Openbaringen ook van Zichzelf getuigt dat Hij de Aleph, de Eersteling is. Hij is de grote Rofeh, Geneesheer. ‘Kijk naar Mij,’ sprak Hij tegen de discipelen van Johannes: ‘Als je Mij niet gelooft om wat Ik zeg, kijk dan naar de dingen die Ik doe: mensen worden genezen en bevrijd van demonen (Joh. 14:11).’

Derde punt waarom we God mogen zegenen en Hem loven staat in vers 4 van onze Psalm. Het is omdat Hij uw leven verlost van het verderf, corruptie of vernietiging. Het werkwoord verlossen is het woord Ga’al גאל en dat is een heel mooi Messiaans woord. De Aleph א in het midden is de letter van God Zelf en staat hier tussen twee letters van beweging: de Gimel ג en de Lamed ל. Hiervan is het woord Go’él גאל afgeleid, Verlosser. Het woord Go’él hangt samen met het werkwoord Galah גלה, ontbloten, in ballingschap gaan. Twee van de drie basisstamletters zijn gelijk: de Gimel ג en de Lamed ל en dat duidt dikwijls op woordsamenhang. Het woord Golgolta גלגלתא  waar Gods verlossing in beweging werd gezet, heeft woordverband met dit werkwoord ontbloten. Op die executieplaats werden misdadigers maar ook de Messias ontbloot en a.h.w. de ballingshap, de galoet גלות, in gestuurd.

De Go’el גאל, De Messias, Hij is onze Losser. Davids Psalmen staan vol met dit soort Messiaanse profetieën, hij ziet als het ware al het grote verlossingswerk van God dat dan nog in de toekomst ligt, maar waaruit David al helemaal leeft. Verderf is hier het woord shachat שחת, wat put betekent. Het is afgeleid van het werkwoord Shuach שוח, wat betekent: zinken, neerbuigen, in de put terecht komen.

Als vierde reden om te loven noemt David: Die u kroont, Atar עטר met goedertierenheid, Chesed חסד en genade/mercy, en barmhartigheden, Rachamiem רחמים  van Rechem, baarmoeder. David herinnert zich deze overvolle genadegaven van Adonai. In het woord Rachamiem lezen we ook het woord Cham חם, warm. De baarmoeder is de plek waar het kind warmte en barmhartigheid krijgt om zich te ontwikkelen, maar wat helaas ook de plaats is waar wereldwijd de meeste doden vallen. Zowel in Nederland als bijvoorbeeld in Israël vinden ongeveer 30.000 abortussen per jaar plaats. Wanneer het leven van de vrouw op het spel staat, is dat een andere situatie dan dat men uit gemakzucht, slordigheid of om b.v. financiële redenen een mens in de dop ‘smoort.’ Tot onze schaamte moeten we zeggen dat in de IDF (Israël’s leger) abortus geheel vergoed wordt door de Staat. Dat men die wet uit 1977 spoedig moge wijzigen.

Een vijfde reden staat in vers 5: die u a.h.w. versiert, behangt met al het goede. Het is een moeilijk te vertalen zin. Het woord adi עדי betekent sieraad.

De zesde reden om te loven: ‘Die uw jeugd vernieuwt als van een arend,’ een nesher נשר. Deze zin spreekt vele mensen aan. We willen allemaal wel jong ogen wanneer we oud zijn. Daarom past het beeld van de arend goed. Arenden kunnen erg oud worden, soms wel 100 jaar, maar aan vitaliteit zal het hen niet ontbreken. De veren wisselen af en toe en blijven er gezond uitzien, zoals toen ze jong waren. Jesaja 40:31 verwijst ook naar de adelaar: ‘wie op de Here vertrouwt krijgt nieuwe kracht,’ vleugels als die van een adelaar.

Sommige commentaren zien hier ook de geschiedenis van het volk Israël in, wat betreft de verbanningen. Toen het volk in ballingschap leefde, zag het er als het ware oud en versleten uit, maar toen zij terug mochten onder Kores, vernieuwde hun kracht als die van een arend en zo zou men het vandaag de dag ook kunnen zien. Israël is herbóren uit de ballingschap van 2000 jaar  gekomen. Een Godswonder wat zich rechtstreeks afspeelt onder onze ogen.

Een zevende reden staat in vers 6: Hij doet gerechtigheid, Tsedaqah צדקה De eerste keer komt  dit woord voor bij Abraham in Bereshiet/Genesis 15. Abraham geloofde wat God hem toegezegd had, namelijk dat zijn nageslacht zo talrijk zal zijn als de sterren aan de hemel. Dat geloof werd hem als gerechtigheid aangerekend. Het woord komen we ook tegen in de naam Malchitsedeq מלכיצדק: mijn koning, hij is rechtvaardig. Deze bijzondere gestalte uit de stad Shalem שלם (het huidige Jeruzalem) komt naar Abraham toe met brood en wijn, de twee toonbeelden van de Zelfovergave van onze God, de twee symbolen waarvan ook Jehoshua getuigde: Hij, het Brood des levens en de Vrucht van de wijnstok.

De God die David bezingt en looft is weliswaar rechtvaardig maar tegelijk, doet Hij ook eerlijk gericht, Mishpat משפת aan de onderdrukten. Het woord Shophet שופת rechter komt van hetzelfde werkwoord waar Mishpat van is afgeleid; God is Rechter. Zijn de rechters van vandaag rechtvaardig of toch ook gevoelig voor corruptie zoals in de gelijkenis van Jehoshua over de onrechtvaardige rechter en de weduwe die maar bleef zeuren tot zij haar zin kreeg?

Als achtste reden om God te loven spreekt David over Moshe/Mozes משה, van de bijzonder uitverkoren stam Levi לוי  aan wie God Zijn wegen bekend heeft gemaakt. Het werkwoord bekend maken is in de Psalm Jada ידע, we vertalen het doorgaans met weten, kennis hebben, maar het gaat verder met een nog diepere betekenis, namelijk kennis hebben aan, bekennen. Zoals: Adam bekende Eva/Chava, hij had seksueel, intiem contact met haar. Dit weten, kennen is de hoogste manier van iets leren. Moshe had een zeer intiem contact met Adonai/JHWH. En Hij leerde hem aangaande zijn wegen, Drakhim דרכים, oftewel de manier waarop God wil dat de mensheid omgaat met de schepping, met elkaar, de dieren en vooral ook met de Schepper Zelf. Het werkwoord is hier Darakh דרך, de weg wijzen, en bevat de stamletters d,ד  r ר en kh/k ך. Die letters komen we ook tegen in onze moderne taal in woorden als dirigeren, directie, directeur, mensen die de derekh דרך de weg wijzen in hoe een bedrijf gerund moet worden. In Ex. 33:13 vraagt Moshe ook aan God om hem Zijn wegen te openbaren. Behalve aan Moshe, vervolgt David in vers 7, heeft God ook aan de kinderen van Israël, Zijn alilotav עלילותיו, Zijn werken en daden bekend gemaakt, hen het laten weten. Wanneer Jehoshua, in de lijn van Zijn voorvader David, met de Emmaüsgangers op de dag van Zijn opstanding onderweg is dan begint Hij bij Moshe om hen uit te leggen wie Hij is. Ook Shaul/Paulus verwijst naar Moshe als vaste bron om ‘de weg van Adonai te kennen’ in o.a. Handelingen 15:21.

De negende reden tot lof staat in vers acht: Hij is lankmoedig en groot van goedertierenheid, langzaam in boos worden.

Vervolgens als tiende punt in vers 9: loh lenetsach jariev לא לנצח יריב, niet altijd zal Hij Ribh, ruzie maken met ons, en loh leólam jitor לא לעולם יטור, niet voor immer boos blijven. Wat een opluchting. We kunnen hier misschien ook een les voor ons zelf uit leren, want wij mensen onderling kunnen soms zo snel en zo lang boos op elkaar blijven. De voorgaande verzen die David bezingt, bevatten zeker ook enkele levenslessen voor ons. De opsomming die David noemt om God te loven zijn tegelijk ook hints naar ons toe; hoe wij met elkaar behoren om te gaan om een waarlijk beeld van hem, onze Schepper te worden en te doen zoals onze Meshiach Jehoshua voordoet. ‘Doe als Ik,’ zegt Hij tegen zijn discipelen.

Een klein uitstapje wat betreft het gebruik van het woord zonde in het Hebreeuws. In de Psalm worden drie soorten zonden genoemd: Chata חטא, Pesha פשע en Avon עון. Enigszins lopen de begrippen in elkaar over.

Avon עון is zoals o.a. in vers 3, een overtreding. Het betreft een slecht verlangen wat iemand tot uitdrukking brengt tot een boze daad. Avon עון komt van werkwoord Avah עוה, zondigen. Het woord heeft woordverband met Avah אוה met een Aleph א voorop i.p.v. een Ayin ע. Avah betekent verlangen, uitzien naar en dit kan in de zin zijn van; naar de juiste weg zoeken om juist niét te zondigen, met de Aleph א, het beeld van God Zelf, die voorop staat in dit woord. Jehoshua noemt zich ook de א Aleph. Chata חטא is een zware zonde waarbij God of de mens beledigd wordt, zoals in Genesis 20:9 waarin Abraham Sarai voorstelde aan Avimelech als een zus i.p.v. als zijn vrouw. Gods regelgeving wordt bewust buitenspel gezet, zoals de Aleph א het teken van God, achteraan staat dit werkwoord chata חטא.

Pesha פשע is zondigen in de vorm van rebelleren. Niet voor niets begint dit woord ook met de Hebreeuwse letter Peh פ, de mond. Rebellie tegen God is ook Hem door middel van onze spraak te kleineren en Hem niet waardig achten.

De elfde reden om God te loven lezen we in vers 10: Hij doet ons niet naar onze zonden חטא en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Vervolgens staat er in vers 11: ‘Zo hoog de hemelen zich boven de aarde uitstrekken.’ Het betreft een verwijzing naar de enorme hoogten boven ons, maar in wezen is het begin van de hemel veel dichterbij dan we ons realiseren. Die begint namelijk al bij de punt van onze schoenen, net boven de grond waarop we lopen. Zoals het strand bij de Nederlandse kusten, aan de waterkant het begin is van de zee die zowat onmetelijk ver door gaat. Of omgekeerd het strand het begin is van het droge en zich ver uitstrekt, zo is de lucht waar wij doorheen lopen het begin van de hemelen, waarin God Zich kan begeven. Soms kunnen we Zijn directe Aanwezigheid ervaren. Anderzijds, de boze machten kunnen zich ook om ons heen manifesteren.

De twaalfde reden tot lof staat in vers 12: ‘Hij doet onze zonden weg van ons, zover als het oosten is van het westen.’ Niet van het noorden naar het zuiden. Wie van noord naar zuid reist die komt daar ook daadwerkelijk aan. Wie naar het westen gaat, die kan blijven lopen, je komt er nooit, je loopt altijd met het licht mee dat opkomt vanuit het oosten. Zo ver doet Hij onze zonden weg van ons. Mizrach מזרח betekent oosten. De Joden die uit de oostelijke landen om Israël heen kwamen, zoals Jemen en Iran e.d. worden ook wel Mizrachim מזרחים genoemd, oosterlingen. Mizrach is afgeleid van Zarach זרח, het opkomen van de zon. Met Ma’arav מערב bedoelen we het westen. In dat woord ligt het woord Erev ערב, avond verscholen, daar waar de zon ondergaat. In Israël zeggen we tegen het einde van de dag: Erev tov ערב טוב, goedenavond.

Men zou zo terloops kunnen denken tijdens het lezen van deze Psalm, dat wat we ook doen en laten, De Here God toch wel weer vergevend is en, net zoals ouders zeker bereid zijn om hun kinderen te vergeven en hun zonden te vergeten, zo doet God dat ook en in veel sterkere mate. Hij straft wel, al is de straf dikwijls veel milder dan we verdienen. Maar in dit vers, het midden van de Psalm, komen we te lezen voor wíe God zo vergevingsgezind, barmhartig en genadig is, namelijk aan hen die Hem vrezen, Jere’áv, van het werkwoord Jara ירא. Het werkwoord eindigt met een Aleph א , de verwijzing naar God Zelf, onze Adonai. De eerste keer dat het werkwoord jara ירא gebruikt wordt in de Bijbel betreft het angst, schaamangst voor God zoals in Gen. 3:10. Adam was bang om zich aan God te tonen omdat hij had ontdekt dat hij naakt was en daarom had hij zich met Eva verborgen. Ook in Gen 18:15 schaamde Sarah zich om toe te geven dat zij gelachen had en zij tegen JHWH ontkende dat zij gelachen had toen ze hoorde een kind te baren, zij was bang, Jara.

Wat David hier zegt in vers 11 is ook wat we lezen in Devariem/Deut. 8:6, namelijk dat we in Gods wegen moeten wandelen en Hem leren vrezen. Zo zien we dat ook in Deut. 17:19: ‘Om uw God te leren vrezen,’ en bijvoorbeeld in Deut. 31:13: ‘Om te leren vrezen, de Heer uw God.’ Andere teksten waarin we dezelfde strekking vinden zijn o.a. Jozua 24:14: ‘Nu dan, vrees de Heer,’ en 1Sam.12:24: ‘Vrees alleen de Heer,’ Pred. 12:13: ‘Vrees God en hou je aan Zijn bevelen,’ en Spreuken 25:21: ‘Mijn zoon, vrees de Here!’ ‘De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid,’ zegt de Psalmist in 111:10.

In vers 12 staat vervolgens: Hij doet de zonden ver weg, Rachoq רחוק Dit woord komt van werkwoord Rachaq רחק, ver weg zijn. David gebruikt het woord Rachoq verder alleen in de Psalmen om God te vragen of Hij Zelf niet Rachoq, ver weg wil zijn van ons, zoals we dat lezen in Psalm 22:11; Ps.35:22; Ps.38:21; Ps.71:12.

Bij dat ‘ver verwijderen van de zonden’ kunnen we ook aan Corrie ten Boom denken die zei: God vergeeft je wanneer je schuld belijdt en dan gooit Hij die zonden weg en die komen dan terecht in een grote vijver waaraan een bordje staat: ‘verboden te vissen.’

Overigens is het mooi dat we vanuit het Hebreeuws zo een vergelijk kunnen maken met de rivier de Jordaan. Waarom wordt er in de Jordaan gedoopt om de zonden af te wassen en niet in die andere rivieren van Israël? Omdat Jordaan ‘de naar beneden gaande rivier’ betekent, van het werkwoord afdalen, Jarad ירד. Er gaat geen rivier ter wereld zo diep naar beneden, naar het diepste punt op aarde als de Jordaan. Van hoog uit de Golan naar de diepten van de Zoutzee, Dode Zee. Mede daarom doopte Johannes daar tot vergeving van zonden zodat deze in de diepten terecht zouden komen. Overigens hoeft in de Dode Zee geen bordje te staan met ’verboden te vissen’ … ?

Vers 13. Opnieuw staat er dat Hij zich ontfermt over hen die Hem vrezen. Vrezen is niet doodsbang zijn, maar eerbied hebben voor, heilig ontzag hebben, gericht zijn op Hem, nederig zijn en respect hebben voor de Onderwijzing die aan ons mensen is gegeven via, zo zei David eerder in vers 7, Moshe. Het volk Israël is collectief getuige geweest, en in hen hun nakomelingen, van die Openbaringen en van de daden Die Hij gedaan heeft. Vrezen in deze context is doen wat Hij heeft gezegd wat we moeten doen, Zijn wil volgen en dan ontfermt, Racham רחם Hij Zich over die Hem vrezen als een Vader.

Vers 14. Hij weet dat we stof, Afar עפר zijn: Stof is toch wel het minste wat je je kunt voorstellen, een hoopje poeder vermengd met vuil, het is niets waard en vervliegt, ver weg (in het Engels is afar: ver weg) zoals as door de wind verjaagd wordt. Opgeblazen met vlees lijken we nog heel wat, maar er blijft uiteindelijk niet veel van over. God weet dat en daarom kan Hij ook zo enorm liefdevol naar ons zijn want Hij weet dat we maar beperkt hier op aarde zijn. Hij wist, voordat we geboren werden, opgeroepen werden door Zijn Stem, wat voor ‘vlees Hij in de kuip had.’

Vers 17/18. En opnieuw, voor de derde keer in deze Psalm staat het er ‘Al jere’av’ על יראיו: voor wie Hem vrezen is Zijn genade voor altijd en eeuwig: Me olam ve’ad olam מעולם ועד עולם . De belofte van genade en barmhartigheden ligt ook in het ‘zaad,’ het nageslacht van hen die ontzag hebben voor God. Want Hij is een God die van geslacht op geslacht trouw is aan Zijn verbond, zijn Brith ברית  met Israël en via Israël met allen die hem vrezen en Hem willen volgen; die bidden dat Zijn Koninkrijk kome.

Shomrei brito שמרי בריתו die zijn verbond bewaren, dit vasthouden zoals het is. Shamar שמר is niet bewaren in de zin van: ‘ik stop het in een blikje en dan blijft het goed geconserveerd,’ zoals we met koekjes doen. Maar Shamar שמר betekent zich bij Zijn Shem שם, bij Zijn Naam houden, het doelt op praktiseren, iets wat we moeten doen. We komen het werkwoord allereerst tegen in Gen 2:15 waarbij de mens de opdracht krijgt om de tuin van Eden te ‘shamarren,’ te bewaren in de zin van te onderhouden en we leren over dit bijzondere werkwoord ook bij de Shabat: Ve shamru bnei israel et hashabat: En de kinderen van Israël onderhielden de Shabat. Hij, onze God is de Shomer Yisrael; de Bewaarder van Israël.

In vers 18 worden naast het werkwoord Shamar שמר ook Zakhar זכר, gedenken en Asah עשה, doen, maken gebruikt. Deze drie komen we ook tegen wanneer we de Kidoesh, de heiliging van de Shabat uitspreken: Israël moet de Shabat bewaren (Shamar), de Shabat bij de Naam houden, en gedenken (Zachar), niet vergeten dus en vooral doen, uitvoeren (Asah). Ook al mag je niet werken in de zin van je geld verdienen, mogen we wel Shabat maken in de zin van een feestelijke bijeenkomst organiseren of gemeenschappelijke maaltijden gebruiken waarbij God de Schepper in het middelpunt staat en Hij geëerd wordt met dankzegging en Psalmengezang.

Prachtig, de shomrei brito שמרי בריתו, de bewaarders van zijn verbond. Het zelfstandig naamwoord brith ברית, verbond, stamt af van een werkwoord dat niet in de Bijbel wordt gebruikt. In een apart artikel in dit Tijdstipnummer behandelen we dit woord.

Vers 19: in de hemelen, en die kan dus dichterbij zijn dan we beseffen, is zijn troon, zijn stoel, kiseh, zetel. Aardse tronen verwisselen dikwijls van machthebber, maar de troon van God heerst voor altijd over heel de aarde. Niet alleen over het kleine Israël, maar over heel de schepping, en waarschijnlijk, zouden we ons kunnen voorstellen, van boven Israël over de aarde. Want staat er vanuit Tsion gaat Zijn onderwijs, Zijn Torah (Jes 2:3).

In de laatste drie verzen roept David alle hemelse schepselen en werken van God op om Hem te loven en te prijzen. Engelen en alle natuurkrachten die God geschapen heeft, op welke plek, Maqom מקום, dan ook op aarde. Bergen en rivieren klappen in de handen en alles wat adem heeft gekregen, zijn Zijn werken, dat alles, inclusief mijn ziel, prijst JHWH.

Advies: lees deze Psalm eens een paar dagen achter elkaar en schrijf de Gemoeliem, de goede dingen die Hij voor U gedaan heeft (weer) eens op, leg de ‘rode loper’ uit, bestudeer de Schriften, luister naar wat Hij ons te zeggen heeft en bovenal: niet janken maar danken?, amen אמן.