18-11-2022

Woordstudie uit Psalm 1 – Tóráh תורה onderwijzing

Meestal wordt het woord תורה tóráh vertaald met ‘wet’, maar ‘onderwijzing’ is een veel betere weergave van het Hebreeuwse תורה. Dit is woord is afgeleid van het werkwoord járáh, dat drie betekenissen ירה heeft die min of meer samenhangen. De basisbetekenis is werpen, een steen opwerpen (Genesis 31:51), een pijl op de boog werpen, schieten (Exodus 19:13, Ps 11:2). Maar het kan ook betekenen: ‘water werpen’, beregenen. De derde betekenis waarmee het woord Tóráh direct in verband staat is: de vinger in een bepaalde richting werpen, aanwijzen, aanwijzingen geven, onderwijzen. Toch is het woord Tóráh ook mede gekleurd door de tweede betekenis: een leraar ‘beregent’ zijn leerlingen, giet water over deze plantjes. Hij doet dat ook met mate, niet te veel ineens: de Torah in zich opnemen kan nooit in een keer.

In Handelingen 15:19-21 krijgen de gezanten die vanuit Jeruzalem zijn uitgezonden om de volken te onderrichten (‘maakt al de volken tot Mijn leerlingen’, Mattheüs 28:19) het wijze advies mee om niet meteen de hele Torah verplichtend aan hen op te leggen, maar eerst te volstaan met een paar algemene richtlijnen en hen vervolgens naar de Joodse synagoges te verwijzen: ‘immers sinds mensenheugenis wordt in elke stad op elke Shabat de Mozaïsche Torah voorgelezen en verklaard’. Door zich zo regelmatig te laten beregenen, besproeien kan Gods Onderwijzing doordringen tot in ons binnenste. Anders gezegd: door te horen (Deuteronomium 6:4) kan de Geest van Israëls God Zijn Torah schrijven in de harten van Zijn volk én ook in hart en verstand van de heidenen (Jeremia 31:33; Hebreeën 10:16). Want de echte Onderwijzer is God Zelf. Leraren die niet verwijzen naar Hem als dé Onderwijzer zijn on-wijzers, die hun leerlingen niet wijs maar onwijs maken, waardoor ze tenslotte terecht komen in het krachtenveld van de Tegenstander die ook graag ‘onderwijst’ (Genesis 3:4, 5), maar daarbij ‘liegt’. Satan is de vader van de leugen, van de halve waarheid, van de onwijsheid.

Torah krijgt kleur

Er zijn enkele Hebreeuwse woorden die het woord Torah kunnen opkleuren. Volgens de Hebreeuwse taaltraditie is er namelijk betekenisverband tussen twee woorden als minstens twee letters dezelfde zijn. Zo gezien hangen de woorden járáh samen ירה Tóráh en תורה met de werkwoorden ירא járé’ en ירד járad. ירא járé’ betekent: vrezen, ontzag, respect hebben. ‘De vreze des HEREN is het beginsel (reshiet) van de wijsheid’ (Psalm 111:10 ). Een goede leraar verwijst niet alleen naar dé Leraar, God, maar laat ook zelf respect blijken voor de Goddelijke Onderwijzing zoals gedocumenteerd in de Heilige Schrift.

Bovendien oefent de goede leraar zijn/haar leerlingen in het horen naar de actuele Goddelijke Onderwijzing, want de Torah is ook een actueel gebeuren. Nog altijd onderwijst God Zijn volk, zijn mensen, hoewel nooit los van het gedocumenteerde Woord en ook nooit in strijd ermee. Wie oren heeft om te horen die hore! Het Bijbelse kerngebod ‘Hoor Israël’ is dé basis voor ‘gezond verstand’.

Behalve door ירא járé’ wordt het woord תורה Tóráh mede gekleurd door ירד járad: afdalen. Járád hangt samen het woord Jordaan, de rivier die neerdaalt van het hoge noorden naar het lager gelegen zuiden. Een goede leraar beregent niet alleen, maar gaat als de Jordaan stroomafwaarts: hij/ zij probeert af te dalen naar het niveau van de leerling.

Regel 2 voor Bijbelwoordstudie

Een tweede belangrijke richtlijn voor Bijbelwoordstudie, naast het zoeken van woordverbanden, is woordvergelijking. Uitgangspunt hiervoor is dat de Bijbels een literaire eenheid is, een Kunstwerk van de Heilige Geest, een TaalJuweel waar elk woord, zelfs elke letter op z(Z)ijn plaats staat, en dat daarom een woord in het ene verband licht kan afgeven aan hetzelfde woord in een ander verband. Het is goed daarbij er ook op te letten waar een bepaald woord de eerste keer voorkomt, in Torah, Profeten of Psalmen, en ook waar het voor het eerst gebruikt wordt in direct verband met God Zelf. Onmisbaar hulpboek hierbij is een Hebreeuwse concordantie: een Bijbels vindplaatsen boek. Woordvergelijking is een bijzonder interessante vorm van Bijbelstudie, niet alleen omdat we zodoende soms terechtkomen in voor ons nog onbekende Bijbelgedeelten, maar het opent ook heel vaak verrassende perspectieven. Het woord תורה Tóráh komt de eerste keer voor in Genesis 26: 5 waar staat dat God Isaäk zal zegen, en in hem alle geslachten der aarde, omdat Abraham zich trouw hield aan Gods Torah. Lang vóór Mozes dus had Abraham al kennis aan de Torah? Hoe kreeg Hij die? Door direct persoonlijk onderwijs, maar zeker ook via overlevering. Een overlevering die via Sem, Noach en Henoch teruggaat tot op Adam. Adam had in de Hof van Eden al Torahkernles gekregen: alle bomen staan U ter beschikking, behalve één. ‘Alles min één’ is één van de kernthema’s uit de Goddelijke Onderwijzing: alle dagen zijn voor U, behalve één, alle opbrengsten van het vee en van de aarde zijn voor U, behalve de eerstelingen, alle inkomsten mag U voor Uzelf besteden, behalve één tiende. Adam had dit basisprincipe van ‘alles min één’ kennelijk ook doorgegeven aan zijn kinderen, want er staat, niet van Kaïn, maar van Abel uitdrukkelijk dat hij een offer bracht van de eerstelingen van zijn schapen (Genesis 4:4). Een andere boeiende Bijbelplaats waar het woord Tóráh voorkomt is Jesaja 2 vers 3: ‘want vanuit Tsion zal Goddelijke Onderwijzing uitgaan’. Torah bestuderen, door God Zelf onderwezen worden kan overal, maar centraal is het Leerhuis in Jeruzalem.

ירה -woordverband tussen Tóráh járáh én ירח járéach: maan. Ook de maan is een soort onderwijzer: de maan leert ons maandelijks dat we geen licht hebben in onszelf, maar afhankelijk zijn van Gods Licht, van Zijn Woord en Geest.

NB Onder “Puzzels” vindt U een puzzel over Psalm 1! Of Klik HIER.