Woordstudie over het eerste woord uit het Beloftevolle Voorwoord op de Tien Woorden
Israëls God is “IK”
Israëls God wordt grenzeloos te kort gedaan als Hij gereduceerd wordt tot een onpersoonlijke Grootheid of benoemd wordt met termen als: dragende Grond, het Grote Licht, of de Oneindige. Hij is weliswaar de dragende Grond van ons bestaan en het Licht dat ons omringt, maar Hij is oneindig veel meer dan de Oneindige. Israëls God is een ‘ânokhí: een ‘Ik’, een sprekend Wezen, Die een beroep op ons doet: Ik ben JHWH, de Altijd Aanwezige en waar bent U?
Meestal wordt in het Hebreeuws de handelende persoon, het onderwerp, verweven met de werkwoordstam. Maar om extra nadruk te leggen wordt soms het onderwerp apart gezet, zoals hier: Ik, niet Mozes, niet de een of ander lagere godheid heeft jullie bevrijd uit Egypte, maar Ik, Ik persoonlijk!
De eerste keer dat de Bijbel zo nadrukkelijk betuigt dat het God Zelf is Die hier handelend optreedt, is bij de aankondiging van de Zondvloed: ‘Zie, IK ga hen met de aarde verdelgen’ (Genesis 6:13) en vervolgens in Genesis 9 vers 12: ‘dit is het teken van het verbond dat IK geef tussen Mij en U en alle levende wezens’.
Ons ego is een echo op Gods Stem
De eerste keer dat er sprake is van het menselijk ‘ik’, is in Genesis 3: 10. Nadat God Adam ter verantwoording had geroepen – waar bent U? – en hem weggeroepen had uit het struikgewas waarin hij zich had verschanst, zei Adam: ‘Ik hoorde Uw stemgeluid en werd bevreesd’ (Genesis 3:10). Eerder had Adam wel in een persoonlijke ontmoeting de Stem van God gehoord in verband met zijn opdracht om de Tuin te bedienen. Hij had uitleg gekregen, Torah-onderwijs, over één bijzondere, geheiligde, boom die God voor Zichzelf wil reserveren, maar toen had hij kennelijk alleen maar ‘oké’ geknikt. Later, toen God met eigen Hand een levensgezellin naar hem toegeleid had, zei hij niet: ik noem haar ‘isháh (mannin of mensin/ gezellin) maar heel onpersoonlijk: men zal haar ‘isháh noemen. Pas toen Adam direct en persoonlijk werd aangesproken – waar bent U – pas toen zei hij ‘ik hoorde U’. Dat is veel betekenend. God bestaat, Hij is er, scheppend bevrijdend en oordelend, maar mijn ‘ik’ bestaat niet, bestaat niet op zichzelf. Ons ik wordt gewekt door de Stem die ons ter verantwoording roept. Ons ego is een echo op Gods Stem, ons hart, ons innerlijk is een leegte, een holte* waarin de Stem weerklinkt. Ons zelfbesef is uitsluitend een re-actie.
Het kan een volwassen, rechtstreekse reactie zijn op Gods Stem, op Zijn Woord, maar we kunnen ook reageren op de stem van één van Zijn medewerkers: ouders, onderwijzers e.a. Pas vanaf het moment dat we als kind aanspreekbaar zijn – Waar ben jij? Wat doe jij? Wat zeg jij? – gaat ons ik-besef zich ontwikkelen. Als een kind nooit aangesproken wordt, ontstaat er geen bewustzijn, geen ‘ik ben’-bewustzijn.
Een diepte-laag
Volgens de Bijbel kent ons ik ook nog een oudere, een diepere laag. Lang voor onze geboorte heeft de Stem van God ons al aangesproken: ‘Ik heb U bij de naam geroepen!’ Ons diepste wezen is een unieke naam, ‘een naam die niemand kent behalve degene die hem ontvangt’ (Openbaring 2:17).
Drieërlei reactie
Onze reactie op de stem kan zeer verschillend zijn. Er zijn ten minste drie vormen van reageren op de Stem van God:
1. We kunnen hineni zeggen: hier ben ik, ik stel mij open voor Uw Stem;
2. We kunnen met de rug naar God gaan staan, ons afkeren van Hem, wegvluchten voor Zijn Stem, net als Adam ons verschansen. We kunnen ons ook doof houden, de Stem verdringen;
3. We kunnen ons opstellen tegenover God, ons verzelfstandigen, Gods Stem tegenspreken of de gehoorde woorden Gods verdraaien. Verzelfstandiging is een vorm van zelf vergoddelijking.
* Meestal zijn deze reacties niet in een keer voltooid. Bij elk van deze drie kan men ook nog weer drie fasen onderscheiden: een ontluikende, rijpende en gerijpte fase.
De letter Aleph op de mooiste plek
Volgens een Hebreeuwse taallegende was de letter Aleph ontstemd, omdat hij als de eerste van de letters niet vooraan gezet was in de Torah, maar dat de Beth, de tweede letter die ereplaats had gekregen: Beréshiet is het eerste Bijbelwoord. God maakte hem echter duidelijk dat Hij juist op deze plek, in het verslag van Zijn scheppingswerk de Beth (= ook cijfer 2) nodig had, omdat Hij alles in tweevoud had geschapen: hemel én aarde, dag én nacht, aarde én wateren, man én vrouw. Om de Aleph te troosten deed God toen de belofte dat Hij de allermooiste plek in Zijn Torah zou reserveren voor de Aleph, namelijk aan het begin van de Tien Woorden: אנכי יהוה אלהיך, Ik ben de HERE Uw God.