Waarvoor is de mens op aarde? Op die vraag geeft de Hebreeuwse Bijbel, meteen op pagina 2, een duidelijk antwoord. Adam, de aardmens is niet in het leven geroepen om vervelend fabriekswerk te doen, op een kantoorkruk te zitten gekromd achter een computer of in een blikken ding van hot naar her over asfalt te racen of stil te staan in giftige dampen. Maar Adam is geschapen om Gods hovenier te zijn, om de door Hem aangelegde Tuin van het Genieten, de Gan Eden, het paradijs, te bedienen (עבד ábhad: te bedienen: de aarde te bewerken en te bewaren = in verband (verbinding) te houden met de God de Schepper. Dankzegging houdt de schepping in het Krachtenveld van de Schepper = binnen de reikwijdte van Zijn Zegen. Waar de dankzegging verstomt, waar de aarde puur een gebruiksvoorwerp wordt, gaat de aarde ontaarden, wordt de Tuin een woestijn, een tohuwabhohu (een ‘huilende wildernis’, Gen.1:2).