In het voorjaar viert Israël op de 14e van de 12e maand Adar (Februari/Maart) het Purimfeest. Het wordt in de Bijbel beschreven aan het slot van het boek Esther. Purim is op de Joodse kalender net als Chanukah een veel minder belangrijk tijdstip (mo`éd: feesttijd) dan de grote Pelgrimsfeesten van Pesach/Pasen, Shawu`ot (Pinksteren) en Sukoth (Loofhutten). Maar het is niettemin een vrolijk volksfeest, waarin men vaak op speelse wijze, met verkleedpartijen e.a. de herinnering levend houdt aan het mislukken van de moorddadige plannen van de toenmalige Perzische heersers en aan de schijnbare overmacht van de antisemitische vijanden.
In de Talmud wordt gezegd: ‘Elk jaar als de maand Adar is aangebroken, neemt de vreugde toe’. Omdat het niet het niveau heeft van de Bijbelse hoogtijdagen, gaat tijdens Purim het dagelijks leven in Israël gewoon door, net als bij Chanukah. Dat neemt niet weg dat Purim en Chanukah beide bijzondere bevrijdingsfeesten zijn. Tussen beide is wel een kenmerkend verschil: op Purim viert men de bevrijding van een vijand die heel het volk wilde uitroeien, op Chanukah viert men de verlossing van een vijand die niet de Joden zelf, maar de Joodse Godsdienst wilde vernietigen.