Rebellie in de hemelse gewesten tegen het programma van Israël’s God: de verborgen ‘tussenwezens’ of volksengelen worden opzij gezet en er komt jaloersheid onder de gojim op het nakomertje Israël dat bovendien beslag legt op land dat toebehoort aan de gojim
Er zijn diverse vormen van antisemitisme: het is wel een ‘veelkoppig monster’ genoemd. Naast de pure, anti-joodse vorm zijn er meer of minder bedekte vormen: het wetenschappelijke antisemitisme, het politieke antisemitisme, het religieuze antisemitisme en tenslotte, het ergste van alles, het Christelijke antisemitisme of anti-Torahisme. Maar al deze vormen hebben één gemeenschappelijke wortel. Antisemitisme is in diepste wezen rebellie tegen Israël’s God, Die het nageslacht van Abraham, Isaäk en Jacob – een laat nakomertje te midden van de volkerenwereld (zie Genesis 10,11 en 12:1-3) heeft uitverkoren om het land van Kanaän te bewonen met Tsion in het centrum en om vandaar uit als drager van Zijn Torah een licht voor de volken te zijn en hen op te roepen zich af te keren van hun afgoden en een rechtstreekse relatie met Hem aan te gaan, in het spoor van Israël.
Het verzet tegen dit grootse bevrijdings- en herstelprogramma van Israël’s God is weliswaar een aards gebeuren, het zijn mensen en het zijn volken die zich verzetten, maar dit aardse verzet wortelt in de onzichtbare wereld van de geestelijke machten. Anders gezegd: achter de menselijke rebellie verschuilt zich dé Rebel, de rebelse Tegenstand, de Satan die Gods Plan om Zijn wereld, Zijn volken te bevrijden en rechtstreeks aan Zich te verbinden (= te heiligen), wil verhinderen. Deze Geest van Tegenwerking, deze satanische, rebelse Geest bedient zich daarbij van de geestelijke leiders van de gojim, van de zogeheten ‘tussenwezens’ in de hemelse gewesten die door dit programma op een zijspoor worden gezet, of in ieder geval niet meer rechtstreeks gezag hebben over het hun toegewezen volk.
Want hoe was de oorspronkelijke situatie? Bij de verdeling of de ‘splitsing’ van de mensheid in ‘70’ volken (Gen. 10/11) kreeg de stamvader van elk volk een geestelijk overwicht door de bijstand van een geestelijke leider, een volksengel of volksgeest, één van de velen uit de geestelijke legerscharen des HEREN, waarvan sprake is in Genesis 2 vers 1: ‘zo schiep God de hemel en de aarde en al hun heerscharen’ (tsêwa`oth, zie ook Exodus 33:2 en Daniël 10:13,29).
Vanuit hun hoge positie in de onzichtbare zijde van onze werkelijkheid* was iedere volksengel in hoge mate bepalend voor de mentaliteit van het toegewezen volk, voor de volkscultuur, de waarden en normen, de volkstaal, het nationale besef, en vooral ook voor de legitimiteit van de in beginsel autoritaire volksleiders (koningen of een andere machthebber) die door deze geestelijke bijstand een soort goddelijk aureool ontvingen.** Deze hoog gekwalificeerde machtspositie had echter geen doel in zichzelf: volksengelen zijn aangesteld om namens God via aardse vorsten Zijn volken van dienst te zijn, uiteindelijk om hen in het spoor van Israël te begeleiden tot mondigheid, zoals ouders kinderen toegewezen krijgen om deze te begeleiden tot volwassenheid in een directe, persoonlijke relatie tot hun Schepper. Het radicaal politieke perspectief van de Bijbel is dat God Zelf gaat wonen te midden van Zijn volken (Openbaring 21:3). De ouders, de begeleiders der volken komen op zij te staan, in een andere rol, een bijrol.
Het is aannemelijk dat ook deze autoritaire volksengelen net als sommige ouders moeite hebben met het perspectief op deze bijrol en het is ook aannemelijk dat juist deze frustratie dé invalshoek vormt voor de satanische, rebelse Tegenstander om deze engelmachten te betrekken in zijn satanische verzet tegen Israël’s God en om via hen de gojim te beïnvloeden, te bewerken. Ook dat is niet al te moeilijk, omdat er ook bij hen onbegrip en frustratie is vanwege die vreemde gang van zaken: waarom wordt het nakomertje Israël zozeer voorgetrokken, waarom neemt dit volkje land in beslag dat oorspronkelijk van ons is? Met slimme slangentaal is deze frustratie heel gemakkelijk om te zetten in jaloersheid en wrevel en daarna in een algemene volkswoede met oorlogszuchtige taal en tenslotte in daadwerkelijke agressie en oorlog: ‘Zij (de verenigde naties uit de tijd van de psalmdichter Asaf) smeden een listige aanslag tegen Uw volk, zij beraadslagen tegen hen die door U als een schat beschermd worden. Zij zeggen: ‘kom, laten wij hen als volk verdelgen, zodat aan de naam van Israël niet meer wordt gedacht’ (Psalm 83:4,5). Het zou moderne krantentaal kunnen zijn, opgetekend uit de mond van de Perzische leider van nu: ‘Kom, laat ons Israël voorgoed van de kaart vegen!’
* ‘Hemel’ in het Hebreeuws is שמים shámajim, waarin de woorden שם shám: dáár en שם shém: naam, wezen; de hemel is dáár, aan de Overkant, dáár waar de namen zijn, de wezens die de gang van zaken op aarde mede bepalen.
** Het Hebreeuwse woord voor deze volksgeesten is שר sar: vorst, luchtvorst. Van het woord sar zijn zeer waarschijnlijk afgeleid de woord tsaar, caesar en keizer, waarmee de grote volksleiders worden aangeduid. In het Bijbelboek Daniël is met name sprake van de sar van Perzië en de sar van Griekenland, twee grootschalige tegenstanders van Israël.