In zijn beroemde boek ‘De Ster van de Verlossing’ (1921) schetst de Joodse filosoof Rosenzweig de verhouding tussen zijn volk en de Christelijke gemeenten uit de volken met het beeld van de ster. De vurige kern is het Joodse volk dat aangeraakt is door het Vuur van Gods Verschijning op de Sinaï en dat als geen ander ‘doorgloeid’ geraakt is van Zijn Torah, terwijl de stralen die de Ster uitzendt naar alle windstreken de Christelijke gemeenten zijn. Stralen die modern gezegd ‘onopgeefbaar’ verbonden zijn met de kern. Zonder die verbondenheid dooft het licht van Gods Torah onder de volken.