Ziekte bestrijden is heelheid herstellen. De originele arts is een heel-meester. Drie vragen: er is verband tussen shálom en shálosh?
Genezen רפא ráphá’
Het Hebreeuwse woord voor genezen is רפא ráphá’ en voor genezer (dokter, arts) רפא rophé’. De letters Resh, Pé’ en Aleph kunnen het woord ‘genezer’ enigszins toelichten. Een rophé’ (dokter, arts) is iemand die leiding geeft (Resh, rosh = leider, voorganger), die met kennis van zaken, maar ook met wijze taal (met Godswoorden) kan spreken (Pè’= mond: de mond van de profeet) en die met overtuiging kan verwijzen naar het geheim van ons menszijn: we zijn een wonderlijke, diepzinnige, kunstzinnige en technisch hoogst ingewikkelde creatie van God de Schepper (Aleph: Eersteling = de eerste letter van ‘Elohím én van ‘Adam: mens).
Ziekte bestrijden is heelheid herstellen
Ziekte is geen zelfstandig bestaande grootheid, maar een vorm van afwezigheid of tekort. Zoals het duister afwezigheid is van licht, is ziekte afwezigheid van gezondheid of heelheid. Ziekte bestrijden is de kwaal bij de wortel aantasten, is heelheid herstellen door verstoorde, verstopte of verbroken relaties trachten te helen, te verbinden. Er zijn minstens drie relaties die verstopt, verstoord of verbroken kunnen zijn en die vragen om heling. Het is voor de moderne, hooggeschoolde heelmeesters een enorme uitdaging om op deze drie relaties attent te zijn en om drie concrete vragen te stellen of op zijn minst in het achterhoofd te hebben:
1. Hoe is Uw relatie met Gods goede aarde? Gezond zijn is met dankbaarheid genieten van goede en gevarieerde voeding. Goede voeding betekent: met alle daarin noodzakelijke mineralen, vitamines, spoorelementen etc. Op basis van breedvoerig bloedonderzoek kan elke geschoolde arts bepaalde vormen van tekort (‘afwezigheid’) constateren.
* Een stelregel van de Middeleeuwse Joodse arts, tevens Schriftgeleerde/ Torah-kenner en filosoof, Maimonides was: ‘elke ziekte die met natuurlijke middelen (voedingsstoffen uit Gods schepping afkomstig) te genezen is, moet niet met andere middelen behandeld worden’. Zou niet elke artsenpraktijk zich moeten laten assisteren door een specialist in moderne voedingsgeneeskunde?
2. Hoe staat het met Uw intermenselijke relaties: met ouders, verwanten, vrienden, echtgenoot, buurtgenoten, collega’s? God schiep de mensheid niet als een bak met losse zandkorrels, maar Hij schiep ons in onderlinge samenhang in gezins- en familieverband, in een volksgemeenschap. Deze sociale kaders zijn de voedingsbodems voor de volle ontplooiing van ons individuele menszijn. Zoals een pakket gevarieerde voeding nodig is voor onze gezondheid/heelheid, is ook een pakket van gevarieerde intermenselijke relaties noodzakelijk; een gebrek hieraan door verstoorde relaties of door bijzondere omstandigheden (een vereenzaamd leven) hebben een verstorende invloed op de heelheid/gezondheid van ons mens zijn.
3. Hoe is de relatie met Uzelf? Ons zelf, ja, wat is dat? Het Hebreeuwse woord hiervoor is עצם `etsem: bot, gebeente, lichaam, de persoon zelf, ook kracht. Ons ‘zelf’ is meer dan ons lichaam dat in stand blijft door het innerlijke bottenstelsel. Het woord עצם `etsem omvat de hele persoon: lichaam, ziel en geest. Daarom ook is deze derde vraag drieledig (er is verband tussen shálom en shálosh!):
a. Hoe staat het met Uw relatie tot Uw eigen lichaam? Heeft U vrede met Uw lichaam, bent U er tevreden over, is er welzijn, vreugde vanuit de dankbaarheid over deze wondere schepping, deze topcreatie, dit wonderlijke kunstzinnige geheel waarin alles met alles samenhangt? Het Bijbelse woord voor ‘lichaam’ of ‘vlees’ is בשר básár dat ook ‘boodschap’ betekent, van het werkwoord básar: verkondigen (Psalm 96 vers 2: ‘boodschapt alle volken Zijn heil van dag tot dag’). Ons lichaam is een boodschapper, spreekt van Gods Creatieve Geestkracht, maar het spreekt ook zijn eigen zakelijke taal via bepaalde pijnplekken of vermoeidheidsverschijnselen: ‘luister naar je lichaam!’ is een wijs gezegde. Een verstoorde relatie met ons lichaam is een ziekteverwekker.
b. Heeft U een open relatie met Uw diepere zelf, met Uw ziel? De ziel is een even wonderlijk of een nog wonderlijker creatie dan het lichaam. De ziel is de zetel van ons denken (in onze hersenen) en van ons gevoelen (in ons ‘ingewand’), de ziel is de werkplaats van ons denken en gevoelen, en bovendien het pakhuis dat propvol zit met onze eigen denkbeelden, ook met valse, zondige denkbeelden, en boordevol met onze emotionele ervaringen, ook met emotionele kneuzingen. Hoe is onze relatie met dit pakhuis? Het Hebreeuwse woord voor ziel is נפש nephesh, dat ook ‘adem’ betekent en dat samenhangt met het werkwoord náphash: op adem komen (Exodus 23:12, 31: 17 en 2 Samuël 16:14).
Kan onze wijze van ademen – ademen is behalve een lichamelijke ook een psychische en geestelijke activiteit – invloed hebben op het ordenen van ons denken en ons gevoelen? Het meest positieve effect op ons denken en gevoelen heeft ademen in het Woord.
c. De derde vraag is de moeilijkste: hoe is de relatie met Uw geest, met Uw binnenste ‘zelf’? Het woord ‘geest’ is de vertaling van het Hebreeuwse רוח ruach: geest, luchtstroom, ademkracht, windkracht, drijfkracht. Er is woordverband tussen רוח ruach en כוח koach: kracht. Onze geest is datgene wat ons aandrijft en voortstuwt en is nauw verbonden met onze naam, ons unieke wezen, onze identiteit die van de Overkant gekomen is: ‘Ik heb U bij Uw naam geroepen’ (Jesaja 43:1). In onze naam zit ons levensprogramma, onze unieke roeping, ook onze bestemming, onze unieke plaats in Gods Grote Plan met Israël en de volken, met Zijn aarde en heel Zijn Schepping. In onze naam ‘huist’ nog de weerklank van Gods scheppende Stem, de nawerking van Zijn Ruach, Zijn Ademkracht die ons hele mens zijn doortrekt. Wat onze naam ‘uitademt’ is onze geest. Onze geest is een ‘uiting’ van ons wezen, is datgene wat ons aandrijft, stuwt en stuurt.
Wat onze naam uitademt, onze geest dus, is van origine positief gericht op de Ander en de ander, maar is negatief gewórden, is terechtgekomen in het krachtenveld van de Ruach ha-ra`: de kwade Geest. Koning David die de zuigkracht ervaren heeft van deze anti-Geest, zegt, dat hij al van kinds af aan een verkeerde gerichtheid had (Psalm 51:7). Vanaf de moederschoot zijn we zelf-zuchtig, gericht op zelfhandhaving en zelfbevrediging.
* Ons wezen, onze naam wordt ook wel aangeduid met het woord neshámáh waarin het woord shém: naam, en is te lezen en te vertalen als: ‘gê-naamd’, ons wezen is een ge-noemd zijn door God Zelf.
Een slotvraag
Elke heelmeester, elke רפא rophé’ zou een slotvraag moeten en mogen stellen, waarin alle vorige vragen zich bundelen: hoe is Uw relatie met de Geest van God, Uw Schepper en Bevrijder, die in U woont/wonen wil? Want de God van Abraham, Isaäk en Jacob is niet alleen ‘Opper-wezig’: ‘Abhínú Malkénú, onze Vader, onze Koning, ook niet alleen Aan-wezig: Immanuël, God als onze Metgezel Die Zich met ons vereenzelvigd heeft, onze zonden op zich genomen en weggedragen heeft, maar Hij wil ook In-wezig zijn : als de Shêchináh door Zijn Heilige Geest, Die ons van binnenuit wil vernieuwen en Gods Torah, Zijn zegenrijke Richtlijnen voor vrede en rust, voor het ordenen van de tijd en het aardse bezit, wil schrijven in ons hart. ‘Neem Uw Heilige Geest niet van mij’, bidt David (Psalm 51:13). ‘Heel’ worden is geheeld willen worden door dé Heelmeester, de Ruach Ha-Qodesh Die onze naam, ons wezen, ons diepste innerlijk bevrijdt uit het krachtenveld van de Ruach ha-ra`, Die ons bevrijdt van onze gehechtheid of verkleefdheid aan onszelf van narcisme, egoïsme, van ongezonde zelfliefde.
R.L. Modeth
NB.
Lang niet alle aspecten en bijkomende kwesties zijn aan de orde geweest. Hoe zit het met erfelijke ziekten, jonge kinderen, baby’s worden soms gehandicapt geboren of zijn ernstig ziek, hebben een hersentumor. Kan dit verband houden met onze moderne leefstijl, of nog verdergaand: met de ‘zonden der vaderen’? Wat zegt ons in dit verband het verhaal uit Johannes 9 over de blindgeborene?
Een probleem is ook: hoe kunnen wij heel zijn, gezond blijven in een verziekte samenleving, met haar vuiligheid, haar vele stress-situaties, haar miljarden ziektekiemen (virussen, bacteriën) en andere ziekteverwekkers (giftige insecten e.a.)? Hoe kunnen we overleven in een eigenwillige, van God vervreemde samenleving die niet geordend is volgens Zijn Torah, niet volgens Zijn zegenrijke en rustgevende Richtlijnen voor het ordenen van Zijn tijd en Zijn aardse bezit? Van koning David is het gezegde: ‘Als de grondslagen zijn vernield, wat kan dan de rechtvaardig nog doen?’ (Psalm 11:3).
Een derde vraag hangt samen met de kwestie van ons ‘ik’. Wat is ‘ik’? Bestaat dat wel, is het geen illusie? Het is merkwaardig dat Adam pas voor het eerst ‘ik’ zegt nadat God hem persoonlijk had aangesproken: waar ben jij? (Gen.3:9,10). God is een ‘IK’, een Zelfstandige Grootheid: ‘IK heb U bij Uw naam geroepen’, maar ons ‘ik’ is geen zelfstandigheid. Ons ‘ik’ is een reactie op de Stem die ieder mens aanspreekt en die door iedereen bewust of onbewust wordt gehoord. Ons ‘ik’ is geen woord op zich, maar een ant-woord: ons ego is een echo op Gods RoepStem: Adam, waar ben jij? ‘Wat doe jij met het programma dat Ik in jou heb ingesproken? ‘Wat maak jij van Mijn opdracht om deze aarde te bedienen en te beheren als Mijn bezit? De vraag is wat het geheel (of halverwege) verdringen van die Stem in ons teweegbrengt, hoeveel er daardoor stuk kan gaan, wat geen dokter kan genezen.