Opvallend is dat de apostelen tijdens het zogenaamde ‘apostelconvent’ in Jeruzalem (Hand:15) niet de weg kozen van de christen geworden Joden: zij hielden de hele Torah, lieten zich besnijden, waren dagelijks in de Tempel bij het morgengebed en avondgebed = het Psalmlofzang rond het dagelijks lamoffer, hielden zich aan de shabbat en vierden de Bijbelse feesten (Paulus wilde met Shawuòth/Pinksteren in Jeruzalem zijn, Hand. 2:46). De christengeworden Joden wilden dat alle gelovigen uit de heidenen zoveel mogelijk hetzelfde zouden doen. Voor pas bekeerde heidenchristenen was dit niet alleen een al te radicale en bijna onuitvoerbaar programma, maar het was ook niet in de lijn van het jonge christelijke geloof. Immers dit jonge geloof onderstreepte in de lijn van Mozes en de Profeten dat zowel de bevrijding uit de greep van de zonde als de radicale levensvernieuwing of levensheiliging een puur Godswerk is, puur het werk van Jêhoshua`(= Hij bevrijdt) en van Zijn Geest: deze Heilige en heiligende Geest Zelf zal de wet, de Aanwijzingen Gods voor het Goede Leven inschrijven in de harten van de gelovigen (Jer. 31:33,34). Zoals eertijds God Zijn richtlijnen Zelf schreef op de Stenen Tafelen , zo schrijft Hij die nu op de tafels van ons hart. De brief aan de Hebreeën onderstreept dit: ‘Ik zal mijn wetten in hun harten leggen en die ook in hun verstand schrijven (Hebr. 10:16)’
Typische verschil tussen Joden en Christenen: niks laten opleggen!
We raken hier een typisch verschil tussen het Joodse volk, Gods eersteling en ons hier als gemeente uit de volken. Bij het Joodse volk heeft God Zijn Torah van buitenaf op gelegd: ‘Hoor Israël’= geef gehoor, doe wat Ik jullie gebied. Maar aan ons Christenen wordt niets buitenaf opgelegd, het moet bij ons van binnenuit komen en anders gaat er iets mis. Daarom als iemand een opgelegd gevoel krijgt bijv. bij het geven van de tienden, moet hij of zij het beslist niet doen, mag hij het zelfs niet, want dit leidt tot wetticisme en het verleidelijke gevoel van: ‘ik doe hier even een goed werk, wat ben ik toch weer braaf bezig!’ Wij Christenen mogen niks doen wat ons opgelegd wordt – wij moeten alleen een paar dingen niet doen: zoals iets eten wat aan de afgoden is gewijd, hoererij en geen bloed ete (zie Hand. 15:20.)
Maar verder ons niks van buitenaf laten opleggen. Voor ons Christenen geldt maar één gebod, het gebod van Jêhóshua`: ‘Blijf bij Mij’. Dat is: blijf bij Mijn Woord en blijf in het Krachtenveld van Mijn Geest. Want door Zijn Geest wil Hij de Torah inschrijven in ons hart. De Torah, dat is de Liefde Gods, dat is Jêhoshua` Zelf, want Hij is de Liefde van God in levende lijve. En de liefde is de vervulling van de wet, zegt Paulus in Rom 13: 8: ‘wie lief heeft, heeft de wet vervuld.’