Sukoth is het enige feest waarbij de volken uitdrukkelijk in beweging moeten komen. Bij Pesach en Shawu`oth kan men rustig thuis of in de familiekring blijven, maar met Sukoth moeten de volken, althans hun vertegenwoordigers op pad, op ‘alijáh naar Tsion.
De profeet Zacharia zag het al voor zijn geestesoog gebeuren. Het zal echter niet zo maar gebeuren, de volken gaan niet zonder slag of stoot op weg naar Tsion. Er gaat een Godsgericht aan vooraf over alle vijandige volken die Israël van de kaart willen vegen en daartoe gezamenlijk oprukken tegen Jeruzalem: ‘Ja, te dien dage zal er onder hen een grote door de HERE bewerkte ontsteltenis (paniek) wezen en ieder zal de hand van de ander grijpen en iedere hand zal zich tegen die van een ander verheffen’ (Zach. 14:13). Dit Godsgericht brengt wereldwijd een radicale bekering te weeg: ‘allen die zijn overgebleven van de volken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der Heerscharen, om het Sukothfeest te vieren’ (Zach.14:16).
Een geweldig perspectief : alle volken, ook oude vijanden uit het nageslacht van Ezau* en Ismaël gaan zich verzoenen met Juda.
Er staan ook sancties op. Volken die zich niet met Israël verzoenen, niet de unieke positie van het Joodse volk erkennen en thuis blijven met Sukoth, missen niet alleen de zegen (de regen) van Israëls God, maar dan er zal ook ‘op hen komen de plaag die de volken zal treffen die niet heentrekken om het Sukothfeest te vieren (Zach.14:18).
* Ooit in een ver verleden kreeg de verzoening tussen de nazaten van Ezau (de Romeins Europese volken, volgens de Joodse traditie) en het Godsvolk Israël een symbolische gestalte in de begrafenis van Isaäk: ‘en zijn zonen Ezau en Jacob/Israël begroeven hem’ (Genesis 35:29).