
Uitleg bij vers 1:
Met קרח Qorach (qoph, resh, cheth) wordt hoogstwaarschijnlijk de zoon van Levi bedoeld, die opstond tegen Mozes en Aaron in de woestijn. Hij werd daarop verzwolgen door de aarde. Deze geschiedenis staat in Numeri 16. “Maar de kinderen van Qorach stierven niet,” staat er in Numeri 26:11. Zijn nakomelingen bleven muziek maken.
De woordstam van het woord יסוד jesod (jod, samekh, waw, daleth), grondslag, is het woord יסד jasad (jod, samekh, daleth). Dit woord betekent stichten, fundering leggen, grondplan, beraadslagen. God heeft de aarde gegrondvest, gesticht. Hij deed dit zonder mensen erbij om Hem te helpen, maar toen eeuwen later de tempel gebouwd zou worden, zo staat er in 2 Kronieken 3:3, bouwde Salomo volgens het grondplan van God. In dit grondplan stonden de instructies voor de bouw. Het is opmerkelijk dat deze woordstam ook uitgelegd kan worden als het woord beraadslagen en dan vinden we meteen een negatieve betekenis in Psalm 2:2 waar de wereldleiders beraadslagen en samenspannen tegen de Aanwezige en Zijn gezalfde. “We moeten hun juk afwerpen, ons van hun boeien bevrijden,” roept men in vers 3. Men beraadslaagt tegen de grondslagen van God en Zijn Messias. Hoe uit zich dat in deze tijd? De stad Jeruzalem, waarover het in deze Psalm 87 gaat, moet maar verdeeld worden, of sterker nog: alle Joden moeten eruit verdwijnen, het is maar beter als alle Joden de zee in worden gedreven, dit is de roep van de volken om Israël heen. Ayatollah Khameini van Iran sprak onlangs: “Als alle Joden naar Israël gaan, dan hoeven wij hen niet meer op te zoeken en na te jagen op de wereld om hen allemaal te vermoorden.”
In het woord voor grondslag is het woord סוד sod (samekh, waw, daleth) te vinden. Dit woord betekent geheim, vertrouwelijke omgang, heimelijk overleggen. Denk hierbij ook aan de Mossad, de Israëlische geheime dienst. Terwijl wereldleiders roepen om de destructie van het joodse volk en hierover ook heimelijk overleggen, zo is het aan Zijn volk om in vertrouwelijke omgang met Hem te zijn, zoals Psalm 25:14 dat zo prachtig zegt: ‘Des Heeren vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen en Zijn verbond maakt Hij hun bekend.’
Ook het woord יד jad (jod, daleth) is te vinden in het woord יסד jasad. Jad betekent zowel zegenende als lovende hand. Het antwoord op de dreiging van de volken rondom is Gods land en volk te zegenen (Bidt voor de vrede van Jeruzalem, Psalm 122:6) en Hem tegelijk te loven, want Hij en niemand anders heeft uiteindelijk het eindscenario in handen.
Het woord יסד jasad bestaat uit een jod, een samekh en een daleth, zoals we al zagen, betekent de jod zegenende en lovende hand; samekh betekent slang en daleth betekent deur. Deze tijd, waarin de grondslagen van God onder vuur liggen, is het belangrijk om te zegenen en te loven, ook al sist de slang allerlei leugens; Jehoshua is de Deur, niet alleen naar de Waarheid, maar zelfs Is Hij de Waarheid. Het feit dat Zijn grondslag op heilige bergen ligt is een waar geheimenis in Zijn Woord. “Wat als de grondslagen zijn vernield, wat kan de rechtvaardige dan doen,” vraagt de Psalmist in Psalm 11:3 zich af. Het antwoord ligt in het volgende vers in deze Psalm: “De Heere woont in Zijn heilige paleis.” Dat is als antwoord voldoende.
Uitleg bij vers 2:
De naam יהוה JHWH wordt in de Bijbel voor het eerst genoemd bij Mozes in het Bijbelboek Exodus: “היה אשר אהיה” ehijeh asher ehijeh, Ik ben de Aanwezige, Die Aanwezig is. Deze uitspraak van God wordt doorgaans veel te kort door de bocht vertaald met: ‘Ik Ben die Ik Ben.’ Hij is de Aanwezige, de erbij Zijnde, dat is Zijn Naam. Let maar op de context waarin deze uitspraak staat: Mozes had tegenwerpingen om naar Egypte te gaan en vroeg met wie hij dan wel te maken had. Aan Gods antwoord had hij genoeg om wel naar Egypte te durven. Aan de uitspraak ‘Ik Ben die Ik Ben’ zou hij niets gehad hebben want in welke relatie staat dat dan wel? Deze benaming staat alleen maar op zichzelf. Maar wanneer God zegt: “Ik ben Aanwezig,” dan slaat dat wel op een relatie, namelijk God is erbij wanneer Mozes de moeilijke taak in Egypte op zich zal nemen. En Hij is er ook bij wanneer we heden ten dage door moeilijkheden gaan. De naam van God is een afgeleide van het de werkwoordstam היה hajah, geschieden, aanwezig zijn, erbij zijn.
Het woord שער sha‘ar (shin, ajin, resh) betekent poort. God heeft de poorten van Tsion lief. Bij de poorten denken we aan de stad. De poorten die in Openbaringen uit verschillende edelstenen bestaan, waarvan er één uit een parel bestaat, dat moet wel een enorme mossel zijnJ. Bij het liefhebben van iets kan men denken aan uiterlijk schoon, hoe prachtig zijn de poorten van Tsion. Ook nu, herbouwd door de Turken hebben de poorten schoonheid, ook al is de Gouden Poort dichtgemetseld en heeft de Sionspoort nog de kogelgaten van de Zesdaagse oorlog van 1967. Er is wat afgevochten om deze poorten en nog is de oorlog niet voorbij want Edom eist de Stad Gods brutaal op (Ezechiël 35). Bij liefhebben van de poorten kan men ook denken aan ze representeren: de stad Gods ligt binnen deze poorten. Er is van oudsher rechtsspraak geweest in de poorten. De ouden zaten er om kennis over te dragen aan de jongere generaties en om geschillen bij te leggen. Jeruzalem zal uiteindelijk voor eens en voor altijd de stad zijn waar het ultieme recht wordt gesproken, wanneer God Zelf zitting neemt op de troon. God heeft recht en gerechtigheid lief. Eén keer in de Bijbel betekent שער sha‘ar iets anders, namelijk honderdvoudig. Dit is te lezen in Genesis 26:12 waar staat: Izaäk zaaide in dat land en oogstte nog datzelfde jaar honderdvoudig. In Jeruzalem heet de ultra orthodoxe wijk Meah Sha‘arim, wat kan betekenen honderd maal honderdvoudig of anders: honderd poorten. מאה meah betekent namelijk ook honderd.
שער sha‘ar (shin, ajin, resh) heeft woordverband met שעה sha‘ah (shin, ajin, hé), uitkijken naar, letten op. Dit woord staat in de ontroerende en opnieuw zo actuele belofte van God aan Zijn volk in Jesaja 41:10: “Vrees niet, want Ik ben met u, zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met Mijn heilrijke Rechterhand.” De wachters van de muren en de poorten hebben de taak om uit te zien en gevaar te signaleren. Tegenwoordig komt het gevaar van alle kanten en steeds meer landen laten Israël vallen, maar God zegt: “Ik ben uw God!” Hij laat ons hier niet in de steek.
De letters van het woord שער sha‘ar, shin, ajin en resh, betekenen respectievelijk: shin is wachttijd, ajin is de ziener, de profeet, het oog, van rondzien en de resh betekent hoofd. Op het moment leven wij in zeer spannende tijden, de dreiging voor Joden wereldwijd wordt over het algemeen vergeleken en erger bevonden dan in de tijd net voor de tweede wereldoorlog. Het is wachten tot de bom (letterlijk?) barst en de eindtijdoorlog zal beginnen, of is hij onderhuids al begonnen? Velen geloven dat. Maar het Hoofd van deze aarde zal terugkomen, in het Engels is het hoofd van bijvoorbeeld een afdeling een principal, degene die de regels, de principes vaststelt. Ons Hoofd stelt de principes vast vanuit Tsion, vanuit haar poorten zal Hij rechtspreken op aarde, Jesaja 2:3: “Vanuit Tsion zal de Onderwijzing uitgaan.” Wij wachten op Hem. Heere, kom spoedig in onze dagen!
Uitleg vers 3: Van u wordt met waardering gesproken. Het woord voor waardering is hier het woord כבוד kabhod, eer, waardering, gewicht, roem, loon. De woordstam van dit woord is כבד kabhad, zwaar zijn, belangrijk zijn, vermogend zijn, ernstig zijn.
Al deze (werk)woorden kunnen we toepassen in deze tekst op de stad Jeruzalem. Het woord loon doet meteen denken aan Jesaja 40:10 waar God tegen Jeruzalem en de andere steden van Israël zegt: “Ziehier de Aanwezige God! Hij komt met kracht; Zijn arm zal heersen. Zijn loon heeft Hij bij zich, Zijn beloning gaat voor Hem uit.” De woorden massief, zwaar, moeilijk doen denken aan de tekst dat men zich aan Jeruzalem zal vertillen, Zacharia 12:3: “Op de dag dat alle volken tegen Jeruzalem zullen oprukken, zal Ik van de stad een zware steen maken waaraan haar belagers zich vertillen.”
In de NBG vertaling staat een tekst over de shabat: Jesaja 58:13, de shabat wordt hier genoemd een heilige dag van gewicht.’ In deze tekst wordt ook dit woord כבד kábhad gebruikt. In andere vertalingen, zoals bijvoorbeeld in de Statenvertaling, wordt deze tekst vertaald met ‘een heilige dag van eer.’ Zowel de shabat als Jeruzalem zijn twee heel belangrijke zaken voor God. Op shabat rust Hij uit en waar kun je het beste uitrusten? In je eigen woonplaats, op je eigen plekje, waar je je thuis voelt: Jeruzalem. Vergelijk Ezechiël 37:27, waar God zegt dat Hij temidden van de Israëlieten komt wonen en dan ook Jesaja 32:17 waar staat dat dit in ‘oorden van ongestoorde rust zal zijn.’
Ook in de Tien Woorden komt kabhad voor: “Eer uw vader en uw moeder,” maak hen zwaar, geef hen gewicht (niet letterlijk te nemen door hen vol te stoppen natuurlijk :-).
Kábhéd kan ook betekenen: lever, geest, ziel: “Mijn ziel jubelt, mijn lichaam voelt zich veilig en beschut” Psalm 16:9.
Uitleg bij vers vier: ‘ik zal in herinnering brengen,’ dit is het woord אזכיר azkir, wat de woordstam זכר zakhar in zich herbergt. Het woord voor secretaresse in het Hebreeuws heeft ook de woordstam zakhar in zich, namelijk het woord מזכירה mazkirah; zij is degene die haar baas in herinnering brengt wat er gedaan moet worden. God vraagt aan Zijn volk om als secretaresse op te treden voor Hem wat betreft Jeruzalem. Dit is te lezen in Jesaja 62:6-7: “Jullie die een beroep doen op de Aanwezige, gun jezelf geen rust en gun Hem evenmin rust totdat Hij Jeruzalem weer heeft gegrondvest en haar roem op aarde heeft bevestigd.” Kan het nog duidelijker? Hij heeft het goede, nee, zelfs het allerbeste voor met Jeruzalem.
‘Ik zal in herinnering brengen רהב Rahabh en בבל Bhabhel.
Rahabh betekent zeemonster en is volgens Jesaja 30:7 de benaming voor Egypte. Deze benaming is niet zo positief en ook Bhabhel, Babel heeft een negatieve klank. Toch staat er in deze tekst dat deze twee in herinnering gebracht worden bij de bekenden van God, dat is toch wel opmerkelijk te noemen. Het woord bekenden in deze tekst komt van de werkwoordstam ידע jáda‘ wat niet zomaar een woord is voor weten, maar wat het woord is voor kennen, bekennen, intiem kennen zoals Adam Eva bekende, seksuele gemeenschap met haar had. In Hosea 4:6 zegt God: “Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis,” hier wordt datzelfde woordידע jáda‘ gebruikt. Het gaat hier dus niet om lippendienst, maar om oprechte, pure en hartstochtelijke kennis. Zijn bekenden zijn diegenen die zulke kennis aan Hem willen, degenen die werkelijk een diepe relatie met Hem zoeken. “Des Heeren vertrouwelijke omgang is met wie Hem vrezen” zegt de Psalmist in Psalm 25:14.
Maar wat brengt God dan in herinnering? Is het Zijn overwinning op Rahab, zoals beschreven staat in Job, waar Hij Rahab verpletterde door Zijn beleid? Of is het positief gesproken, want voor Egypte is zeker een belofte weggelegd: “En dit zal tot een teken en tot een getuigenis wezen voor de Heere der heerscharen in het land Egypte. Wanneer zij tot de Heere roepen vanwege hun verdrukkers, dan zal Hij hun een verlosser en een strijder zenden die hen zal redden. En de Heere zal Zich aan Egypte doen kennen (jáda‘) en Egypte zal te dien dage de Heere kennen (jáda‘) en zij zullen dienen met slachtoffer en spijsoffer en de Heere geloften doen en betalen. Zo zal de Heere Egypte geducht slaan en genezen en zij zullen zich tot de Heere bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden en hen genezen. Te dien dage zal er een heerbaan wezen van Egypte naar Assur en Assur zal in Egypte komen en Egypte in Assur en Egypte zal met Assur (de Heere) dienen. Te dien dage zal Israël de derde zijn naast Egypte en Assur, een zegen in het midden der aarde omdat de Heere der heerscharen het gezegend heeft met de woorden: gezegend zij Mijn volk Egypte en het werk mijner handen, Assur en Mijn erfdeel Israël.”
Rond 900 voor onze jaartelling kwam Assur, Assyrië opnieuw in opmars in het zgn. Tweede Assyrische rijk en opmerkelijk is dat in die tijd hun gebied onder meer zowel Irak, Israël als Egypte besloeg. Echter, daarbij was er geen sprake van dat men de God van Israël kende en aan Hem offers bracht. We zien in de geschiedenis dat profetieën zich lijken te herhalen, alsof er door de eeuwen heen een opbouw plaatsvindt naar een ultieme uitkomst bij Zijn terugkomst.
En dan בבל Bhabhel Babel, ook te vinden in het huidige Irak, het is dán weer overheerst geweest door de Assyriërs, die zeer wreed waren, dán weer bevrijd van onder hun juk. Het gaat om hetzelfde grondgebied, als we op een atlas kijken naar de uitkomst van de belofte in Jesaja 19:23-25, dan zien we een grote brede baan, die loopt van het noordoosten naar het zuidwesten. Het behelst het diepste punt op aarde, de Dode Zee, die 440 meter onder zeeniveau ligt en tegelijk hetgeen het hoogste punt op aarde zal worden: de berg Tsion, volgens de profeet Micha.
Als we dit zo bekijken, dan lijkt het erop dat God hier het positieve bedoelt met het in herinnering brengen van zowel Rahabh als Bhabhel.
Maar ook de Pheleshet, Tsor en Kusch komen hier in beeld. Pheleshet, de Filistijnen, niet te verwarren met de zgn. Palestijnen, die hebben een andere voorvader,* waren een wreed volk. Zij leefden in de tijd van Abraham aan de kuststrook van Israël en dat heette in de tijd van Abraham het land Gerar. Oorspronkelijk zou dit volk uit Kreta komen (zie Genesis 10:14) en handel hebben gedreven met het Midden Oosten. Later, bij de uittocht uit Egypte, liet God Zijn volk met opzet niet rechtdoor trekken richting het land Kanaän, maar liet Hij hen afbuigen naar de Schelfzee om het volk niet de confrontatie met dit wrede Filistijnse volk aan te laten gaan. Dit staat te lezen in Exodus 13:17-18.
Over Tsor was God niet echt te spreken: Tyrus, de machtige handelsstad; de rots. God besloot haar een kopje kleiner te maken omdat Hij wilde afrekenen met haar hoogmoed, volgens Jesaja 23. צור Tsor komt in de צוק tsoq, de benauwdheid en zal Bhabhel moeten dienen.
Kusch is evenals Pheleshet een zoon van Cham. Uit hem kwam Nimrod voort en het begin van Bhabhel, Genesis 10:6-12.
Vers 5: ציון Tsion is een ‘zelfstandig naamwoord eigen naam’ en afgeleid van het werkwoord צוה tsawah. Dit werkwoord betekent verordenen, de wet stellen. Jesaja 2:3 zegt treffend: “Want uit Tsion zal de wet uitgaan en des Heeren Woord uit Jeruzalem.”
Dan het woord: geboren, dit is de werkwoordstam ילד jalad, (jod, lamed, daleth) ter wereld brengen, verwekken, baren. Er wordt in deze Psalm gezegd dat de genoemde volken in Tsion zijn geboren, nee: zelfs mán voor man (iedereen) is in Tsion geboren! Hier hebben de Bijbelgeleerden zich toch wel het hoofd over gebroken: hoe kan dit nu? Bedoelt de Psalmist dat iedereen: man voor man in Tsion geboren is of heeft de Psalmist een mooie profetie voor ogen: is het in de toekomst zo dat God alle mensen zal rekenen als geborenen in Tsion? Dit laatste is het geval volgens de geleerde Cheyne. Echter, in het Joodse denken is er nog een gedachte: de gedachte dat Adam uit het stof van de berg Tsion zou zijn geformeerd, de berg Tsion zou de zgn. Oerrots zijn geweest die boven de wateren uitstak. Als het zo is dat Adam uit deze aarde zou zijn geformeerd en dat kan heel goed zo zijn want niets is toevallig in de Bijbel, (denk hierbij aan de dorsvloer van Arauna welke ook de plek is waar Izaäk bijna werd geofferd en wat later de berg Moriah bleek te zijn, waar de Tempels stonden en waar weer een Tempel zal staan…) dan zou ieder mens in feite uit haar zijn geformeerd, want stammen we niet allemaal van Adam af? Een andere gedachte zou kunnen zijn dat de betekenis verwekken hier op zijn plaats is: tussen verwekken en baren zit tijd. Zijn we nu misschien in die tijd tussen verwekken van de volkeren en het geboren worden ervan? Dit doet denken aan een wedergeboorte; geboren zijn de volken al, maar staat ook hen een redding voor ogen? Er staat wel in Zacharia dat alle overblijfsel van de volken die tegen Israël zijn opgerukt, zullen komen om van jaar tot jaar God te komen aanbidden, dat lijkt toch wel op een bekering, een wedergeboorte? Vergelijk Zacharia 14 vanaf vers 16. Gesproken wordt over een overblijfsel, zeker is dat er een oordeel plaatsvindt. Hoe we deze tekst ook lezen, wat wij er ook uit denken te kunnen halen, een ding is zeker: het komt goed! God zal Zijn plannen volvoeren.
‘En Hij stelt haar vast, de Allerhoogste.’ Vaststellen, bevestigen komt van het werkwoord כנן kanan (kaph, nun, sluitnun). In Psalm 80:16 spreekt de Psalmist: Bevestig toch wat Uw rechterhand heeft geplant. Mooi dat hier de hand wordt genoemd want als we kijken naar de letters van het woord כנן kanan dan zien we dat de kaph doende hand betekent. De beide nuns betekenen bevrijding; nun is een oud woord voor vis, vrij zijn als een vis in het water. Mooi dat dit woord met de betekenis van de letters al zegt dat wanneer God Zelf Jeruzalem bevestigt, dat dit ook mag betekenen dat Jeruzalem vrij zal zijn van oorlog en dit staat meermaals in de profeten beschreven; Jeruzalem heeft een hoopvolle toekomst. Vergelijk ook Jesaja 62:7.
עליון Eljon, de Allerhoogste. Dit woord is afgeleid van het werkwoord עלה alah (ajin, lamed, heh), opgaan, reizen naar hoger gebied. Ook offeren, rook van een slachtoffer doen opgaan. Een woordverband vinden we in het woord עלילה alilah (ajin, lamed, jod, lamed, heh), daad, handeling. God is daadkrachtig en hand-elt ter wille van Zijn volk, zoals Hij beloofd heeft.
Vers 6: De Aanwezige telt op schrift volkeren. Het werkwoord ספר saphar (samekh, phe, resh) betekent tellen, schrijven. Hij heeft de namen van de mensen in Zijn כתב katabh (kaph, taw, beth) geschrift geschreven, Hij telt de volkeren erbij; telt mensen en volkeren bij elkaar op: zij zijn allen in Jeruzalem geboren, zegt dit vers. Het woord voor volk is in het Hebreeuws het woord עם am. Dit woord heeft verband of is zelfs een afgeleide van het woord עמד amad, aantreden, staan. De volken treden aan en staan voor de troon van God, samen met het volk Israël. Het enthousiasme van de Psalmist klinkt door in deze wonderlijke woorden. Dit enthousiasme komt tot uiting ook in het slotstuk van deze Psalm, vers 7:
Vers 7: ‘En zangers gelijk fluitspelers, al mijn bronnen zijn in u.’ Een Zanger is een שר shar (shin, resh) in het Hebreeuws. Ditzelfde woord betekent als we het ietwat anders beklinkeren: שר shor (shin, resh), navel, navelstreng. Toch grappig om te noemen omdat het in deze Psalm over geboorten gaat! Het woord שר shar is afgeleid van de werkwoordstam שיר shir (shin, jod, resh), zingen, zang, lied, muziek.
Draaien we het woord om dan zien we de resh, de letter r in onze taal en dat betekent zoals we al eerder zagen: hoofd, principe, beginsel. Hij is het Hoofd, Hij deelt de principes uit in onder meer Zijn Tien Woorden en Hij verdient het om bezongen te worden.
חלל Chalal, fluitspelen, ontwijden, doorboren, beginnen. Vier betekenissen die ver uit elkaar liggen zo op het eerste gezicht. In een fluit zijn gaatjes geboord waar men de vingers op zet om de tonen te krijgen. Doorboren en fluitspelen hebben dus verband. Maar als we het woord חלל chálál in de klinkers iets verlengen, dan kan het ook betekenen: sneuvelen. Hij is in Jeruzalem gesneuveld, doorboord voor de zonden van de mensen. Daarom kunnen we echt blij zijn, we zijn vergeven als we echt spijt hebben van wat we verkeerd gedaan hebben. Het lijkt erop dat de Psalmist de Messiaanse tijd profetisch heeft voorzien: er komt een tijd dat er gezongen en op de fluit gespeeld wordt in Jeruzalem want Hij is doorboord vanwege haar zonden en zij is vrij. De schuld is afbetaald door Hem Zelf. Wát een God is dit!
In Genesis 4:26 staat dat men ‘toen begon met de Naam de Heren aan te roepen.’ Ook hier staat het woord חלל chalal.
We hoeven niet zo ver te zoeken naar de betekenis ontwijden van het woord חלל chalal: wanneer de fluitspelers voor zichzelf gaan spelen en hun hart er niet bij halen, dan kan het ook profaan gedoe worden, zoals waar God zegt dat Hij de feesten van het volk niet kan uitstaan (Amos 5:21), nota bene de feesten die Hij Zelf heeft ingesteld! Wat Hij bedoelde was dat hun hart er niet bij was en dat ontwijdde de heiligheid van het gebeuren…
Tja, want als het goed is zingen en spelen de zangers en de fluitspelers geen Kortjakje; ze bezingen Hem en ze spelen voor Hem als een offer van aanbidding dat opstijgt, עליה aliah maakt naar de Allerhoogste. Hij troont op de lofzangen van Zijn volk (Psalm 22:4).
‘Al mijn bronnen zijn in u: מעין ma‘ájan (mem, ajin, jod, sluitnun), bron. Dit woord heeft verband met het woord oog: ajin. In Jeremia 9:1 staat: “Ach, dat mijn hoofd water ware en mijn oog een bron van tranen, dat ik dagelijks kon bewenen de verslagenen van de dochter Mijns volks.” Dit gaat over het volk en over Jeruzalem, zo staat het in de context. Waar hier nog negatief wordt gesproken, zo mogen we weten dat er een hoopvolle toekomst is voor de Stad Gods, waar in deze gehele Psalm lyrisch over wordt gesproken. De tempelbeek, waar Ezechiël in hoofdstuk 47:1-12 over sprak, vindt haar bron onder de tempel; een bron van ontzondiging, reiniging genezing, staat er geschreven in Zacharia 13:1. Wanneer God straks komt wonen in Jeruzalem, temidden van Zijn volk, dan kan men alles vinden in haar. De Psalmist heeft dat heel goed begrepen. We zien met reikhalzend verlangen uit naar Zijn komst. Waarom is de Psalmist zo lyrisch over Jeruzalem? Nu, daarom!
* Pheleshet was een zoon van Cham. De Arabieren, ook degenen die zich Palestijnen noemen zijn zonen van Sem, net zoals het Joodse volk.
Enkele notities:
Psalm 87 is één van de mooiste en in de berijming één van de meest gezongen Psalmen. De Psalm wordt bovendien gekenmerkt door één van de meest originele thema’s uit de Bijbel: de Berg Tsion is de geboorteplaats van de hele mensheid. Niet alleen hebben alle volken waaronder de Israël omringende vijandige volken daar hun wortels, maar ook ieder mens! Waarom? Omdat wij allen ‘Adamieten’zijn! Hoezo Adamieten? Omdat Adam gevormd is uit de aarde van deze Berg. Volgens de Joodse traditie was het Paradijs gelegen rondom deze Berg, een traditie die steun vindt in de Psalmen.
In Psalm 87 staat dat deze Berg Gods grondslag is: hier is God begonnen, hier heeft Hij het fundament gelegd voor Zijn Werkzame Aanwezigheid op aarde, Tsion is Zijn startplaats, Zijn uitvalsbasis. In deze Psalm staat ook dat God niet enkel een zakelijke relatie heeft met de berg Tsion, maar een liefdesrelatie: de HERE heeft de poorten van Tsion lief – Zijn vesting op heilige bergen’. Psalm 132 is op dit punt nog uitdrukkelijker: De HERE heeft Tsion uitverkoren, Hij heeft het zich ter woning begeerd (Ps.132:13).
In de Joodse traditie wordt deze berg ‘Ewen Shêtijáh, genoemd, de funderingssteen, die als eerste boven de oerwateren uitstak. Het zou ook het bergplateau zijn waarop de Ark van Noach gestrand is = op de ‘Berg van het Land’ = harhá’árets, een woord dat verbasterd is tot ‘Ararat.
Deze Berg is later de berg Moria genoemd waar een offerlam de plaats innam van Isaäk, de stamvader van Jacob/Israël. Exact op deze plek zou nog weer later in de Voorhof van de Tempel het brandofferaltaar geplaatst worden waarop het dagelijkse morgen- en avondlamoffer werd gebracht.
Welnu, omdat Adam gevormd werd uit aarde van deze Berg, heeft heel de Adamietische mensheid, hebben alle volken een relatie met Tsion. Daarom kan God de Schepper zeggen van Babel, Egypte en van alle andere volken: deze is daar geboren, ja ieder van hen is daar geboren (Ps. 87:4,5).
En omdat alle volken een relatie hebben met Tsion, wil God op gezette tijden en Sukoth is zo’n tijdstip, de volken via hun vertegenwoordigers daar terug zien om dank te zeggen voor alle scheppingsgaven én om Torah te horen, om onderwezen te worden in Zijn Unieke programma voor welzijn en welvaart voor ieder mens en alle volken.
* Zou ook niet ieder mens minstens één keer in zijn leven moeten opgaan naar Tsion voor vorming en viering?