Over de unieke veelzijdigheid van de Bijbels-Hebreeuwse godsdienst
Kenmerkend voor Abrahams God is Zijn veelzijdigheid. Als geen ander past de Hebreeuws-Bijbelse godsdienst in het hart van de moderne samenleving. De Bijbels-Hebreeuwse godsdienst omvat zowel het Oude als het Nieuwe Testament dat van origine ook een Joods-Hebreeuws document is
De veelzijdigheid van Bijbels-Hebreeuwse Godsdienst
In vergelijking met de andere wereldgodsdiensten die overwegend eenzijdig zijn, geconcentreerd rond één bepaalde deelwaarheid, is de Hebreeuwse godsdienst bijzonder veelzijdig: er zijn minstens 12 kenmerken te noemen. De veelzijdigheid van de Hebreeuwse godsdienst is de veelzijdigheid van Abrahams G’d:
1. HIJ is de Ontzagwekkende: deze alles en iedereen overstijgende Goddelijke Grootheid is de Oorsprong, de Schepper van al wat is en leeft. HIJ is de Gans Andere, met geen mens te vergelijken, Hij is ondoorgrondelijke groot, Zijn gedachten en Zijn wegen zijn vele malen hoger dan de onze. Kenmerkend voor de Bijbelse godsdienst is een diep respect, een bewonderend ontzag voor deze Ontzagwekkende en ondoorgrondelijk Goddelijke Grootheid.
2. HIJ is de Altijd en Alom Aanwezige: deze alles en iedereen overstijgende Goddelijke Grootheid Die ver boven ons verheven is, is tegelijk altijd en overal tegenwoordig. HIJ is en was en zal er altijd bij zijn, zo is Zijn Naam. HIJ is om ons heen ‘als zonlicht om de bloemen’.
3. HIJ is een Schepper Die schept door Zijn Stem: Zijn Stem is een eenheid van Woord én Geest. Door Zijn Stem heeft HIJ al het bestaande opgeroepen. Ons mens zijn is geen uitvloeisel uit het Goddelijke, wij zijn niet uit God ‘geboren’, niet uit Hem voortgevloeid, niet als vonken uit een vuurhaard weg gespat, maar ieder schepsel is een schepping apart, in aanzijn geroepen door Zijn Stem, waardoor op heel de schepping het stempel van de Schepper is gedrukt: alles spreekt van HEM (Psalm 19:1,2).
4. HIJ is onze Bevrijder: deze ontzagwekkende, Goddelijke Grootheid, Die onze Schepper is, is ook onze Bevrijder: Hij is Immanuël, God met ons, HIJ bevrijdt ons uit het krachtenveld van de Boze, uit de macht van zonde en dood door Zich met ons te vereenzelvigen, tot in onze schuld en dood toe. HIJ verplaatst Zich in ons, neemt onze zonden op Zich en draagt ze weg*. Een gebeuren dat telkens eenmaal per jaar gesymboliseerd werd in het offerritueel op Jom Kipur (Leviticus 16:21) en dat eenmaal historische gestalte kreeg in de levensgang van Jêhoshua‘ haNotsri, de Man van Nazareth, een unieke verschijning van Israëls God in de lange reeks van Godsverschijningen onder Israël (zoals o.a. in Genesis 18:9-13,22,23). Van Hem is gezegd: ‘Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt’ (Johannes 1:29). Dit Bevrijdend Handelen Gods verwerkelijkt zich door het geloof, door het geloof alleen.
* Het Evangelie dat G’d onze zonden op Zich neemt en wegdraagt is geen primeur van het Nieuwe Testament, maar vormt ook de kern van de Mozaïsche Torah, van Psalmen en Profeten. Het is niet toevallig dat het offerritueel van Jom Kipur precies in het hart staat van de Torah, in het midden van het middelste Boek: in Leviticus 16:21. Heel de Bijbel is van origine een Joods-Hebreeuws geschrift en in beide delen gaat het om hetzelfde Evangelie. Calvijn, die in lijn met de Griekse kerkvaders het Bijbels Evangelie sterk vergeestelijkte, was wel de eerste theoloog in de kerkgeschiedenis die uitging van de volstrekte eenheid tussen het Oude en Nieuwe Testament (Institutie 2e Boek, hfst 10: ‘Over de gelijkheid van het Oude en het Nieuwe Testament’).
5. HIJ is Daadwerkelijke Liefde (Chesed) én Trouw (‘Emeth): HIJ, de Ontzagwekkende, is de Liefde in eigen Persoon en HIJ is één en al betrouwbaarheid. HIJ doet wat HIJ zegt, HIJ houdt Zich aan Zijn Woord, aan Zijn beloften aan Abraham: ‘dit Land zal ik U geven’ en ‘in U (dóór en mét U) zullen alle geslachten der aarde gezegend worden’. HIJ houdt Zich ook aan Zijn toezegging aan Israël: ‘Gij zijt voor Mij een koninkrijk van priesters, een heilige natie’ en ‘Gij zijt een uitverkoren natie om een licht (een voorlichter, voorganger en voorzanger) voor alle volken te zijn.’
6. HIJ is de Heilige en Heiligende Geest: deze alles en iedereen overstijgende Goddelijke Grootheid – ‘driemaal Heilig is HIJ’ – heiligt ons, verbindt ons met Hem, de Heilige door Zijn Heilige Geest Die Zijn Wil, Zijn Torah, Zijn zegenrijke Richtlijnen voor leven en samenleven wil schrijven in onze harten, zodat wij als vanzelfsprekend op Zijn Wegen gaan.
7. HIJ is hier en nu onze Koning: deze alles overstijgende Grootheid, die Zich volledig met ons vereenzelvigt en ons heiligt, heeft ook de regie over heel ons leven en heel de wereldsamenleving. Hij regeert door Zijn Woord en Geest. Hij is Koning en Wetgever tegelijk. Zijn Wil, Zijn Programma voor leven en samenleven is samengevat in de Mozaïsche Torah met de zegenrijke Richtlijnen voor het eerbiedigen van ouders en oudsten (presbyters) en voor de ordening van de tijd (dagelijkse getijden, wekelijkse Shabbat en jaarlijkse feesten) en van het aardse bezit (periodieke kwijtschelding van schulden en herverdeling van het grondbezit). De erkenning van Gods Koningschap en het gaan op de Wegen van Zijn Wet vormen de poort naar Zijn Koninkrijk: naar vrede op aarde, naar welzijn en welvaart voor iedereen, ‘ieder onder zijn eigen wijnstok en vijgenboom’ (Micha 4:4)*.
* Dit Koninkrijk G’ds zoals het aanvankelijk in de Tuin van Eden gestalte kreeg met Adam als hovenier (Genesis 2:15) en later nog onder de vredevorst Salomo en zijn artistieke tempelbouwers (1 Koningen 4:25; hfst. 5 en 6), staat haaks op onze huidige, geïndustrialiseerde, oververtechniseerde en oververstedelijkte wereldsamenleving, waarbij het platteland leegloopt en de woestijnen opdringen. Het Koninkrijk waarvoor Jêhoshua‘ ons leerde bidden in het ‘Onze Vader’ (in lijn met Adam en Salomo én met Israëls profeten, Micha 4:1-4, Jesaja 2:1-4) doelt op een volkerengemeenschap van hoveniers en kunstenaars (met name: kundige ambachtslieden en toonkunstenaars/‘Godlover’), gegroepeerd rond het Joodse volk (Gods Eersteling, de presbyter, de voortrekker) met Tsion in het centrum, zodat heel de aarde een Tuin van Eden wordt: de Hof van het Grote Genieten.
8. HIJ is niet alleen Opperwezig en Aanwezig, maar wil ook Inwezig zijn: HIJ, God met ons, wil ook inwonen in ons diepste binnenste: om van binnenuit ons te heiligen, om Zijn Torah in onze harten te schrijven (Jeremia 31:33; Hebreeën 8:10 en 10:16). Het gegeven dat Abrahams G’d met ieder mensenkind een diepgaande persoonlijke relatie wil aangaan, vormt de kern van de Bijbels-Hebreeuwse godsdienst: ouders, oudsten, leraren en andere Godsgezanten zijn onmisbare tussenpersonen, maar hebben slechte een tijdelijke, dienende, opvoedende en corrigerende functie. Volwassen Bijbels-Hebreeuwse gelovigen beleven en onderhouden een directe relatie met de alles en iedereen overstijgende Goddelijke Grootheid: zij horen Zijn Stem, die opklinkt uit de Heilige Schrift en uit het menselijk hart dat Zich openstelt voor Heilige Geest.
Deze puur persoonlijke relatie betekent ook een hoogwaardige, persoonlijke verantwoordelijkheid, want HIJ, Die altijd en alom tegenwoordig is, roept ons voortdurend ter verantwoording; ‘Adam waar bent U, wat doet U met het leven dat Ik U geef?’
9. HIJ verkiest, heeft voorkeur voor Israël: Hij kiest een oud, kinderloos echtpaar, Abram en Sarah, en doet hen uitgroeien tot een groot volk van 12 stammen, die door Hem geheiligd (rechtstreeks met Hem verbonden) worden (Exodus 19:5,6). Binnen deze 12 stammen heeft HIJ speciale voorkeur voor de stam van Juda. Gods verkiezend Handelen heeft geen doel in zichzelf, maar is gericht op de bevrijding en heiliging van alle volken: ‘heel de aarde behoort Mij’ (Exodus 19:5). Israël/het Joodse volk is bestemd en geroepen om een koninkrijk van priesters te zijn, van voorlichters, voorgangers en voorzangers.
Met het oog op de uitvoering van deze roeping koos HIJ uit het Joodse volk 12 gezanten met de opdracht om in heel het Romeinse wereldrijk, zoveel mogelijk in elke stad, een kring van eerstelingen (ekklesia: uitverkoren groep, gemeente of kerk) te stichtten, als startplaats voor de bevrijding en heiliging van heel de volksgemeenschap. Wat Israël/het Joodse volk is tussen de volken, zijn deze kringen van eerstelingen in hun volk. Alleen als gezanten van Israël kunnen kerken hun missie voltooien: wanneer de kringen van eerstelingen zich loskoppellen van dé Eersteling, van Gods oudste gemeente (qáhal) Israël/het Joodse volk, blokkeren zij zichzelf en belemmeren zij de doorbraak van het Koninkrijk G’ds op aarde.
10. HIJ legt onze toekomst open voor altijd en eeuwig: onze uiteindelijke toekomst is niet de hemel, maar de hemel op aarde. Het hemelse Jeruzalem daalt neer op een vernieuwde aarde en G’d komt wonen te midden van Zijn volken (Openbaring 21:3). De hemel is een tijdelijke wachtkamer waar wij wachten totdat G’d definitief recht doet op aarde. (Openbaring 6: 11; 20:11-15).
11. HIJ is behalve Koning en Wetgever ook de Goddelijke Rechter Die alles recht gaat zetten: er komt een dag van gericht, een oordeelsdag. Hij komt de aarde richten, komt orde scheppen (of schoppen) in onze chaos. Dat mag ons verontrusten, maar ook bemoedigen: ‘toch is er een G’d Die recht doet op aarde!’(Psalm 58:12c). Verontrustend, maar ook bemoedigend: er wordt recht gedaan, Hij komt orde scheppen in onze chaos Nazareth (Lev.16:21; Johannes 1:29)
12. HIJ heeft speciaal oog voor het kleine en kwetsbare: HIJ beoogt weliswaar de doorbraak van Zijn Koninkrijk wereldwijd – een groots programma! – maar kenmerkend is dat Zijn oog vooral valt op het zwakke, op het ‘gekrookte riet’. Tot aan die grote, wereldwijde doorbraak van G’ds heerschappij op aarde bekommert HIJ Zich in het bijzonder om wie teer en gebroken zijn, om weduwen en wezen, om de achterblijvers die tussen wal en schip raken, om de randbewoners, de mislukkelingen in onze huidige wereldsamenleving, om de vluchtelingen die bij ons onderdak zoeken en Hij roept ons op Hem daarin te volgen. Zolang de volken eigenwillig zijn, geen oog hebben voor de uitverkoren positie van Israël als voorlichter, voorganger en voorzanger, en zolang zij eigen wetten beter achten dan Zijn Torah, met als gevolg duurzame ellende op aarde: armoede, honger, ontheemding voor miljoenen medemensen, vraagt HIJ allereerst van ons daadwerkelijke liefdebetoon voor zijn miskende, verdrukte volk Israël.
De evangelist Mattheüs vertelt in hoofdstuk 25:40 e.v. een gelijkenis waarin de Zoon des mensen (= Jêhoshua‘) het eindoordeel uitspreekt over de volkerenwereld. Hierin wordt duidelijk niet alleen dat de beoordeling zich toespitst op kleinigheden, een beker water, een bezoekje, maar ook dat de volken beoordeeld worden op hun houding tegenover het Joodse volk: ‘voor zover gij dit aan één van Mijn minste broeders hebt gedaan, hebt Gij dat aan Mij gedaan’. Eén van Mijn broeders, dat zijn dus Zijn Joodse volksgenoten, want Jehoshua‘ vereenzelvigt Zich met hen, is één van hen. Zoals Hij uitdrukkelijk zegt in Lukas 8 vers 19-21: ‘Mijn moeder en broeders zijn dezen hier die het Woord Gods horen en doen’. Met deze zegswijze verwijst Hij zijdelings naar Zijn volk Israël toen het bij de Sinaj stond en letterlijk verklaarde: ‘wij zullen doen en horen’ (Exodus 24:7). Gedurende Zijn hele optreden was Jêhoshua’ volledig en zelfs uitsluitend op het Joodse volk, op Zijn volk betrokken. Tegenover een vrouw uit de volken zegt Hij: ‘Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls’ (Mattheüs 15:24). En dan gaat het inderdaad bij de beoordeling van de volken tegenover Zijn volk niet direct om grote dingen, maar slechts om een kleine handreiking, een beker water, een beetje aandacht, een bezoekje, een bemoediging in hun verdrukking… tot op heden.
Dit twaalfvoudige waarmerk maakt geen enkele aanspraak op volledigheid, in plaats van 12 kenmerken zouden het er mogelijk wel 26 kunnen zijn. In de Hebreeuwse taal (waarin letters ook een getalswaarde hebben: A=1, B=2, J=10, H=5, W=6) is 26 de getalswaarde van de Vierletterige Godsnaam (J)(H)(W)(H). Een Naam die, naar men wel aanneemt, gevormd wordt door de initialen van de drie vormen van het werkwoord Hájáh (geschieden, aanwezig zijn, erbij zijn): Jihjeh, Howeh, WeHájáh (HIJ zal aanwezig zijn, is aanwezig, en (= ook: want) was aanwezig.