Een Bijbels principe: Vasten, opstaan en lofprijzing – Deel 2
In het Hebreeuws is er een duidelijk woordverband tussen de werkwoorden Tsúm (=vasten), Qúm (=opstaan) en Rúm (=verhogen). In de Bijbel komen deze woorden regelmatig terug als basisprincipe bij het vasten.
Het draait namelijk om de houding van de mens: door het lichamelijke te ‘verwaarlozen’ en hier minder aandacht aan te besteden, kan de mens zich meer richten op het geestelijke. Het gaat dus om nederigheid, zichzelf klein maken. In Bijbelse tijden deed men dit letterlijk door op de grond te gaan liggen (2 Samuël 12:20). Maar na deze ‘apart gezette’ periode moest men weer opnieuw ‘opstaan’.
In letterlijke zin zoals we lezen over Koning David: ‘… David stond van de grond op (Qúm), nam een bad, wreef zich in met olie en trok andere kleren aan, hij ging het huis des HEREN binnen en boog zich neder (vers 21)’. Maar ook in figuurlijke zin: na een intense geestelijke periode is het goed om geestelijk weer ‘op te staan’ en verder te gaan met het leven. Het vasten is dus feitelijk een geestelijk ‘liggen’, een verootmoedigen, dat gevolgd moet worden door een geestelijke ‘opstanding’ (1 Koningen 21:12, 15).
4-Lichamelijk gezien is er natuurlijk een beperking aan het vasten. Het maximum zonder eten, maar wel drinken ligt rond de 60 dagen. Zonder water is dit slechts 3-6 dagen. Maar geestelijk is er ook een beperking. Vanuit de Bijbel is het vasten slechts voor een beperkte periode, dat betekent een begin maar ook duidelijk een einde. Zo staat er in het boek Joël: ‘Kondig een vastentijd af’, letterlijk Heilig of zet apart (Qádash) een vastentijd (Zie Joël 1:14, 2:15). Voor het vasten geldt dus een aparte tijd.
Bijvoorbeeld bij de dood van Saul werd zeven dagen gerouwd (1 Samuël 31:13). We kunnen uit de Bijbel leren dat er tijd is om te rouwen, maar dat deze tijd ook moet eindigen. In onze moderne samenleving is er helaas nauwelijks nog plaats voor rouwbeleving. Men wil over het algemeen geen rouw-‘arbeid’ leveren door bijvoorbeeld te vasten, maar men stopt liever het verdriet weg en vervangt het met zaken die afleiding geven. Daarnaast spreekt de Bijbel van een geheiligde, apart gezette tijd, zodat we niet ons hele leven erin blijven hangen en teruggrijpen naar een bepaalde gebeurtenis of overlijden, (het gaat hier dan om de intense rouw en de verwerking hiervan, want verdriet blijft altijd aanwezig). Misschien zou er net als het zwangerschapsverlof standaard een ‘rouw’verlof moeten zijn geregeld bij het overlijden van naaste familieleden.
Maar dit opstaan alleen is niet het einddoel van het vasten. Het is geen opstaan om weer door te gaan met leven alsof er nooit iets gebeurd is. Het doel is om God te verhogen (Rúm). Dit principe zien we telkens terug in de Bijbel: men houdt een bepaalde vastenperiode, als deze periode ten einde is staat men op om God te prijzen! In het Hebreeuws een makkelijk ezelsbruggetje: Tsoem-Koem-Roem.
Deze volgorde zien we bijvoorbeeld in het boek Nehemia 9 waar de Israëlieten vasten (vers 1, Tsúm), en toegesproken worden door de Levieten met de woorden: ‘Staat op (Qúm), prijst de HERE, uw God, van eeuwigheid tot eeuwigheid; ja, men prijze uw heerlijke naam, die verheven (Rúm) is boven alle lof en prijs’ (Nehemia 9:1-5). Hetzelfde principe wordt beschreven in Psalm 35, een vastenpsalm. David beschrijft zijn vijanden die tegen hem opstaan: ‘Gewelddadige getuigen staan op (Qúm), zij vragen mij naar wat ik niet weet’ (vers 11). Het zou een menselijke reactie van David zijn om deze vijanden aan te vallen. Toch doet hij iets tegen alle verwachting in, trekt hij niet ten strijde, maar verootmoedigt zich met vasten (Tsúm, vers 13) en vraagt God in zijn plaats op te staan (Qúm, vers 2) tegen zijn vijanden.
Een belangrijke les is dat de mens pas mag gaan staan na een geestelijk verootmoedigen, zodat God voor ons zal opstaan. David eindigt de Psalm met het verhogen (Rúm) van God met de woorden: ‘Van uw gerechtigheid zal mijn tong spreken, van uw roem wil ik zingen, dag aan dag’. (Zie hetzelfde principe in Psalm 109). In een andere Psalm vat David het krachtig samen dat God opstaat voor de mens en hem weer helpt opstaan na een periode van rouw (en vasten): ‘Mijn rouwklacht hebt Gij veranderd in een reidans, mijn rouwkleed hebt Gij losgemaakt, met vreugde mij omgord opdat mijn ziel U zou psalmzingen, en nimmer verstommen. HERE, mijn God, voor altijd zal ik U loven’ (Psalm 30:11-12).
Oprecht vasten
Het gaat bij het vasten met name om het innerlijke berouw en niet om uiterlijk vertoon. Wie zich nog met het uiterlijke bezighoudt, kan zich niet voor de volle honderd procent richten op het geestelijke). De Bijbel beschrijft dit ‘schijnheilig’ vasten (Zie Jesaja 58). Een oprecht vasten is niet bedoeld voor anderen, maar voor God. Het vasten moest gebeuren voor Gods aangezicht, liphnéh JHWH (Jeremia 14:12 en 36:9, Richteren 20:26, 1 Samuël 7:6, Nehemia 1:4) of ook wel ‘in het verborgene’ genoemd (too kryptoo (gr.), Mattheüs 6:6). Dat betekent dat vasten en bidden altijd samengaat. In het boek Daniël wordt de context beschreven van het vasten: ‘Ik richtte mijn gezicht tot de HERE God, om Hem te zoeken in gebed en met smeekbeden, met vasten, en in zak en as’ (Daniël 9:3, zie ook Handelingen 13:2,1 Samuël 7:6, Ezra 8:23, Nehemia 1:4, 2 Samuël 12:16 voor vasten én gebed). Koning David wist wat echt vasten was, er wordt bij zijn vasten zelfs een verdubbeling van het werkwoord tsúm) gebruikt: wajátsám dáwid tsóm, letterlijk staat hier: ‘en David vastte een vasten…’ (2 Samuël 12:16-23). Dit betekent een versterking van het vasten, een vasten met de ziel zoals Psalm 69:10 beschrijft. In Zacharia 7:5 wordt het oprechte vasten benadrukt als God een aanklacht tegen het volk heeft: ‘…hebt gij dan inderdaad voor Mij een vasten gevast?’
- Vasten (צום Tsúm),
- Opstaan (קום Qúm),
- Lofprijzen (רום Rúm).
5-Verzorging van het uiterlijk werd in Bijbelse tijd gedaan door het gezicht in te smeren met olie, te vergelijken met onze huidverzorgings-producten of make-up (Mattheüs 6:16-18, 2 Samuël 12:20, Daniël 10:2).
6-De letters in het woord Tsúm zijn ook veelzeggend: de Tsadé staat voor de rechtvaardige, de Waw voor de mens, de sluitMem voor de gesloten mond (zie ook dámam = zwijgen). De letters symboliseren: de rechtvaardige mens die zijn mond gesloten houdt.
Ruben vd Giessen