In Joods orthodoxe kring is de zomertijd min of meer een treurtijd. Een tijd die gestempeld is door de herinnering aan wat er gebeurd is in de zomer van het jaar 70. Na een langdurige belegering drongen de Romeinen op de zeventiende van de vierde maand de stad binnen en op de negende van de vijfde maand (Tisha` be ‘Abh) ging de Tempel in vlammen op, waarna er van Tempel en Stad geen steen op de ander gelaten werd: totale verwoesting.
Ongeveer vijf eeuwen daarvoor, precies op diezelfde datum, op Tisha’ be ‘Abh, hadden de Babyloniers hetzelfde gedaan. Sindsdien is op de plek waarvan de Psalmist zingt: “De HERE heeft Tsion verkoren, Hij heeft het Zich ter woning begeerd, dit is Mijn Rustplaats voor immer, hier zal Ik wonen, haar heb Ik begeerd” (Ps. 132: 13,14), geen Woning voor Israëls God. Daarom is het toch wel zeer terecht dat het Joodse Godsvolk daar zeer verdrietig over is en elke zomer daar uitdrukkelijk bij stil staat.
Maar waarom treuren wij dan niet? Heeft ook Jehoshua` (Jezus van Nazareth) de wereld er niet aan herinnerd dat de Tempel een bedehuis zal heten voor alle volken (Markus 11:17)? Waarom is er dan geen kerk of gemeente in Nederland die in de zomertijd één gedenkdag stilstaat bij het feit dat er geen centraal liturgisch centrum is voor de volkerenwereld? Gaat het ons niet aan? Is het Joodse verdriet niet ons verdriet? Is het voor ons besef geen treurige toestand dat er wel voor het Joodse Godsvolk een legitieme plek is in Jeruzalem, maar dat de berg Tsion volledig afgegrendeld is voor de God van dit volk, voor de God van Abraham, Isaäk en Jacob, Die ook onze God is, Die ook ons Zijn Gelaat, Zijn Wezen getoond heeft in de levensgang van de Man uit Nazareth (Johannes 1:29)?