Dit is het verhaal van Maisheh, een jonge student uit Baranowits in Polen die in een Nazi-vernietigingskamp terechtkwam. Maisheh had de gewoonte om altijd ‘Ai Ai Ai’ te zeggen op een toon waarin pijn vermengd was met hoop op de toekomst. Niemand begreep aanvankelijk, waarom hij steeds weer die ene zelfde lettergreep zei op een ietwat zangerige manier. Drie keer zei hij het, niet meer en niet minder.
Op een avond zat hij met een paar intieme vrienden op de harde planken, die als bed dienden. Ieder was verdiept in eigen gedachten. Sommigen dachten aan de goede tijden van vroeger, anderen piekerden over de toekomst en waren bezorgd: zullen wij deze hel (gehinom) kunnen overleven? Zullen wij ooit weer een normaal leven kunnen leiden? Maar opeens doorbrak Maisheh’s refrein hun gedachten: ‘Ai Ai Ai’. Op de één of andere manier gaven deze betekenisloze klanken aan allen een flikkering van troost en hoop. Iemand begon een woordeloos deuntje (‘niggun’) te zingen en gedurende enige tijd vloeide de pijn van hun harten weg in de klanken van een ontroerende melodie. Dit samen zingen gaf hun kracht.
Op dat moment vatte iemand de moed om Maisheh de vraag te stellen, die bij iedereen leefde: ”Wat betekenen eigenlijk deze drie klanken? Is het alleen maar een uitdrukking van een angstig, gebroken hart of is er misschien iets diepers?” Maisheh voelde zich door deze vraag niet overrompeld of aangevallen en allen werden stil om zijn antwoord te horen.
Hij zei: ‘Welke mitswot מצת (leefregels, opdrachten) kunnen wij hier in dit kamp nog vervullen? Wij hebben geen tefilin תפלין ( gebedsriemen) en geen tallith טלית (gebedsmantel), wij kunnen geen sabbat houden en niet de drie Grote Feesten vieren (Pesach, Shawuoth en Sukkot). Maar welke mitswot kunnen wij wel vervullen, zelfs in de ellende van deze kampen? Er zijn zes ‘mitswot temidiyoth’ (= blijvende opdrachten) die wij kunnen vervullen op iedere tijd, op iedere plaats, zelfs onder de meest onmenselijke voorwaarden. Deze zes zijn (in drie paren gegroepeerd): ons bewust te zijn van HaShem’s Aanwezigheid én geen andere goden dienen; volledig op HaShem vertrouwen én Zijn Eénheid gedenken; Hem liefhebben én Hem vrezen. Deze zes mitswot heb ik afgekort tot zes letters: Aleph-Jod (אי ), Aleph-Jod (אי), Aleph-Jod (איי) of in één zin gezegd: ‘Ai Ai Ai’.
De eerste Aleph en Jod zijn van נכי: (‘anokhi = Ik = God/HaShem is er!) en van לא היה (= lo’ jihjeh = niet hebben = geen andere goden voor Zijn Aangezicht!).
De tweede Aleph en Jod zijn van אמונה, (‘emúnáh = vertrouwen = vertrouw Hem!) en van יחרדיהוד וד וד וד (jichúd= eenheid = Hij is Eén!).
De derde Aleph en Jod zijn van אהבא אהבה (‘âháhbháh = liefde = Hem liefhebben!) en van ירא (jir’áh = vrees = Hem vrezen!).
Deze woordgroep werd een geheime code voor de gevangenen: HaShem en niet het Nazi-beest is de Heer van deze wereld. Onze levens zijn in Zijn Hand en Hij waakt over ons. Hij weet nauwkeurig hoe hard het leven hier is, maar ook precies hoeveel wij kunnen verdragen. Onze missie hier is: te aanvaarden wat Hij geeft, in liefde, en voortdurend ons te herinneren: ‘Ai Ai Ai’ ! ! אי אי אי