De Seder Olam Rabbah is de chronologie van de geschiedenis van het Joodse volk en de wereld om hen heen, vanaf Adam tot de Grote Opstand tegen het Romeinse Imperium. Het is samengesteld in het jaar 160. Seder betekent orde en olam betekent wereld, rabbah betekent groot. Er is namelijk nog een kleine Seder Olam, deze is in het jaar 450 samengesteld: de Seder Olam Zutta. Zutta betekent klein. In de herziene Seder Olam staat de volgende tot de verbeelding sprekende theorie over het tijdstip van de uittocht:
Volgens deze herziene Seder Olam heeft de uittocht plaatsgevonden op de 15e Aviv in het jaar 2454, oftewel in het jaar 1306 v.C.
Er is bij de geleerden discussie over wie de farao was, die het volk Israël maar niet wilde laten gaan. Het zou bijvoorbeeld Amenhotep de Tweede zijn geweest of juist weer Ramses de Tweede. Volgens de herziene Seder Olam ging het echter om farao Horenheb, en was hij de farao van de Exodus.
Farao Horenheb kwam aan de macht na zijn voorganger Ay en hij was al eerder het militaire hoofd tijdens het bewind van Toetanchamon. Horenheb ging verder met het onderdrukken van de Israëlieten, net zoals zijn voorgangers en liet hen de steden Pitom en Ramses bouwen, zoals wordt beschreven in Exodus 1:11.
De naam Ramses betekende: Geboren uit Ra. Het was een nieuwe stad ten oosten van de Nijldelta. Later in de geschiedenis, tijdens de regering van Ramses de Tweede, zou de stad nog worden uitgebreid en Pi-Ramses gaan heten. Het zou ook de hoofdstad worden gedurende de komende negentiende dynastie in Egypte. In de tijd van Horenheb is de stad Ramses al zo belangrijk dat zijn gewezen erfgenaam zich ernaar vernoemt: Ramses de Eerste, de stichter van de negentiende dynastie.
Wat was dan Pitom? Het zou kunnen betekenen Huis van Ptah. Dit zou een Egyptische ‘god’ zijn geweest. Een andere uitleg voor de naam Pitom zou zijn: huis van Atom, weer een andere Egyptische ‘god.’ Als dat zo was, dan heeft deze stad ook ten oosten van de Nijldelta gelegen en zou later door de Grieken zijn omgedoopt in Heronopolis. Daar zou dan ook het kanaal geweest zijn dat de Nijl verbond met de Rode Zee.
Hoe weet men wel zo zeker dat het jaar van de uittocht het jaar 2454 was? Dit haalt men uit Exodus 12:40 waar in de meeste vertalingen staat: ‘De tijd nu der woning die de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben is vierhonderd en dertig jaar.’ Dit had ook als volgt vertaald kunnen worden: ‘En het verblijf van de kinderen Israëls, die in Egypte verbleven, was vierhonderddertig jaar’. Met andere woorden: het tellen van het verblijven gaat niet alleen over het verblijf in Egypte, maar over het totaal van de jaren dat de kinderen Israëls verbleven, waar verder dan ook. Als wij een simpel voorbeeld zouden nemen dan zouden wij kunnen zeggen van iemand, die zeventig jaar is geworden en in zijn leven tien jaar in Holland heeft gewoond: ‘het leven van deze persoon en zijn wonen in Holland, was zeventig jaar.’
Maar vanaf wanneer zouden die vierhonderddertig jaar dan geteld moeten worden? In beginsel zou men de oorspronkelijke Seder Olam Rabbah vierhonderd jaar kunnen tellen vanaf de geboorte van Izaäk in het Hebreeuwse jaar 2048, dus zou de uittocht in het jaar 2448 geweest moeten zijn. Echter, het lijkt volgens de herziene Seder Olam correcter om de telling van deze vierhonderddertig jaar te beginnen bij het verbond tussen God en Abraham; het verbond waarin God heel specifiek aan Abraham belooft dat zijn nakomelingen in het land Kanaän zouden komen te wonen. De precieze tijd van dit verbond wordt niet genoemd in de Bijbel, maar wat wel in die tijd speelt is Abrahams overhaaste vertrek uit… Egypte. De farao dwong hem weg te gaan en hij kreeg geleide mee tot aan de grens.
Vierhonderddertig jaar na hem, op de 15e Aviv (Nisan), zouden zijn nakomelingen ook wegtrekken uit Egypte. Dit zou bevestigd kunnen worden door het volgende vers: Exodus 12:41: ‘En het geschiedde ten einde van de vierhonderddertig jaren, zo is het even op dezelfde dag geschied, dat al de heiren des Heeren uit Egypteland gegaan zijn.’ Wat wordt bedoeld met al de heiren? Het zou heel goed kunnen betekenen: al de generaties van de kinderen van Israel, te beginnen bij de eerste: Abraham, degene die de stichter en aartsvader is van deze heiren. Abraham ging uit Egypte en de kinderen Israëls gingen ook uit Egypte, zoals vers 41 zegt: op dezelfde dag. Men kan dan concluderen dat Abraham en zijn nakomelingen op precies dezelfde dag; de 15e Aviv Egypteland verlieten.
Abraham werd in grote haast Egypte uitgestuurd, nadat God plagen op de farao had gelegd, omdat hij de vrouw van Abraham bij zich in het paleis had genomen. Abraham reisde daarna naar het land Kanaän, het land dat God hem beloofd had. Dit zou in feite de eerste Uittocht uit Egypte zijn, in het jaar 2024 (1736 v.Chr.). Abraham was alleen naar Egypte gekomen om een hongersnood te omzeilen. Dezelfde omstandigheden dwongen zijn nakomelingen naar Egypte te gaan, namelijk Jacob en zijn familie. Ook deze nakomelingen vertrokken nadat God plagen op Egypte had gelegd. Beide uittochten staan vermeld in hetzelfde hoofdstuk, Genesis 12 en Exodus 12.
Tot zover het gedeelte uit de herziene Seder Olam. Wij noemen hierbij dat dit een theorie is; wie de jaartelling gaat nazoeken ontdekt dat er veel theorieën zijn. Bovenstaande spreekt tot de verbeelding omdat het met de Bijbeltekst Exodus 12:41 zou stroken. Op basis van 1 Koningen 6 zou bovenstaande niet juist zijn omdat Salomo moet hebben geleefd van 960 tot ongeveer 924 v.C. Volgens 1 Koningen 6:1 zou er tussen de bouw van de Tempel des Heeren en de uittocht vierhonderdtachtig jaar liggen. De geleerden zijn, ondanks discussies over de chronologie van de wereld, het redelijk eens over wanneer Salomo leefde.
Volgens de Assyrische Koningslijsten, welke aan zouden geven welke koningen regeerden in welke tijd, en meningen van de geleerden zou dan de tijd van de uittocht* omstreeks het jaar 1446 v.C. hebben plaatsgevonden. Hoe dan ook, er komt een tijd waarin de puzzelstukjes van de geschiedenis in elkaar geschoven zullen worden; tot die tijd zien we nog in raadselen (1 Korinthe 13:12a).
* De uittocht uit Egypte, jetsiat Mitsrajim vond mogelijk plaats in het jaar 1446 voor het begin van de christelijke jaartelling en de intocht dus in het jaar 1406. Echter zijn de geleerden het over Bijbelse data niet altijd met elkaar eens.
1 Koningen 6: 1 beschrijft wel heel nauwkeurig de start van de Uittocht: ‘In het vierhonderdtachtigste jaar na de uittocht… in het vierde jaar van zijn regering… begon Salomo met de bouw van de Tempel’. Men berekent aan de hand van Assyrische koningslijsten dat het vierde regeringsjaar van Salomo het jaar 966 v.C. was.
Gebaseerd op deze koningslijsten kan men het volgende rekensommetje maken: 1446+2014= 3460 jaar geleden dat de uittocht plaatsvond.