Traditie of Potscherf
Er gaat een verhaal over een Engelse professor die zijn colleges over de Hebreeuwse taal steevast begon met het gezegde: ‘Gentlemen, this is the language which God spoke’. Met andere woorden: God, de Schepper sprak Hebreeuws toen Hij zei: ‘er zij licht!’ en toen Hij Adam riep: ‘waar bent u?’ Uitgaande van de Bijbel ligt het ook voor de hand om zo te denken: wat zou Hij anders gesproken hebben? Grieks? Chinees? Vast niet!
Hebreeuws de taal van in de beginne
In ieder geval staat deze Engelse professor beslist niet alleen in zijn opvatting: hij wordt gesteund door een eeuwenlange traditie, zowel van Joodse als van Christelijke zijde. De ‘éne taal’ die volgens Gen. 11:1 gesproken werd vóór de Babylonische taalsplitsing, was volgens een zeer oude Aramese verklaring (targum) de taal van God de Schepper: ‘alle inwoners der aarde spraken de heilige taal waardoor de wereld in de beginne geschapen was’. De kerkvader Hieronymus, die algemeen erkend wordt als een groot Hebreeuws taalgeleerde, noemt het Hebreeuws ‘de moederschoot van alle talen’ en volgens hem ‘verzekert de hele Oudheid dat het Hebreeuws waarin het Oude Testament geschreven is, het begin is geweest van alle menselijke taal’. Geheel in lijn hiermee zegt Origenes zonder enige schroom, en later sluit ook Augustinus zich hierbij aan, dat Adam Hebreeuws sprak*. De beroemde Joodse Schriftverklaarder Rashi stelt zich op dit zelfde standpunt: de ‘ene taal’ van Gen.11:1 was de ‘heilige taal’, de Hebreeuwse Bijbeltaal.
Samson Raphael Hirsch
Aparte vermelding verdient in dit verband de uitzonderlijk begaafde Joodse Hebraïcus en Schriftgeleerde Samson Hirsch (1808- 1888). Vorig jaar verscheen in Jeruzalem een fraai uit gegeven boekwerk met daarin alle Hebreeuwse Bijbelwoorden die door Hirsch in etymologische samenhang zijn gezet: ‘Etymological Dictionary of Biblical Hebrew’**.
De auteur, Matitjahu Clark, omschrijft in zijn inleiding Samson Hirsch als degene die de Joodse orthodoxe gemeenten in Duitsland weerbaar wilde maken tegenover de sterk opdringende liberale, reformbeweging die zich liet voeden door het rationalisme van de zogenaamde Verlichting. Voor deze vrijzinnige hervormers was de Hebreeuwse Bijbel een gewoon boek geworden en in verband hiermee werd ook de oeroude opvatting over het Hebreeuws als heilige taal volledig losgelaten, afgedaan als een vrome legende.
Hirsch daarentegen houdt vast aan de eeuwenoude traditie en gaat er zonder omwegen vanuit dat het Hebreeuws ‘God’s language’ is. In de loop der eeuwen hebben rabbijnse taaltheologen tal van Hebreeuwse taaleigenaardigheden opgemerkt en de unieke waarde ervan erkend, zoals het typische gegeven dat alle 22 letters dragers zijn van een naam en tegelijk een getalswaarde vertegenwoordigen: Aleph, de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet betekent ‘koploper’, ‘voorste’ of ‘eersteling’ en is tegelijk het getal één, en Beth, de tweede letter, betekent ‘huis’ en is ook aanduiding voor het cijfer ‘twee’. Ook typisch is het vierkante letterschrift met als ‘bouwstenen’ de drie GodsNaamletters: Jod, Waw en He’.
Hirsch erkent en waardeert dit alles min of meer, maar hij benadrukt vooral de unieke Hebreeuwse taalstructuur. Tegenover het wetenschappelijk rationalisme dat met het verwerpen van de Bijbel als Goddelijk Geschrift, ook het unieke van de Hebreeuwse taal wegredeneert, accentueert hij juist het uitzonderlijke karakter van de Hebreeuwse woordenschat en van de onderlinge woordsamenhang zoals die in geen enkele andere taal voorkomt. Hebreeuws is als taal een integrale eenheid, waarbij woorden organisch met elkaar zijn verbonden, het is een taal met een geheel eigen interne structuur, die ‘dramatisch’ verschilt van alle andere talen. Volgens de rabbijnse taaltheologie, en Hirsch stemt daar volledig mee in, is het gegeven uit Gen. 2: 23, waar Adam zijn vrouw ‘mannin’ (‘ísháh) noemt, één van de belangrijke bewijzen dat Hebreeuws de oertaal is. In geen enkele andere taal ter wereld bestaan de woorden voor ‘man’ en ‘vrouw’ uit dezelfde basisletters, waarmee de volledige gelijkwaardigheid van beiden wordt aangeduid, terwijl elk apart één van de GodsNaamletters in zich draagt, resp. de Jod en de He’, die samen de verkorte GodsNaam vormen. Ook kent geen enkele andere taal de woordverbinding tussen ‘mens’ en ‘aarde’: ‘adam’ en ‘adamah’ (Gen.2:7).
Hirsch richt zich overigens meer op woordverbindingen die mede berusten op gelijke klanken. Hij gaat er vanuit dat elke Hebreeuws letter een eigen unieke betekenis heeft, een eigen ‘naam’, maar dat letters die min of meer gelijk klinken, ook dichter bij elkaar staan in betekenis. Dat geldt met name voor de keelletters Aleph, Ajin, Cheth en He’, maar er is ook klankverwantschap bijvoorbeeld tussen Beth (b of v) en Pe’ (p of ph) en tussen Kaph (k of ch) en Cheth (ch). Als deze min of meer gelijkluidende letters voorkomen in woorden waarbij twee van de drie stamletters dezelfde zijn, ligt hier volgens Hirsch betekenisverband. Zo bijvoorbeeld tussen ro’sh (Resh, Aleph, Shin: ‘hoofd’, ‘begin’) dat de kern vormt van het eerste Bijbelwoord ‘beréshít’ (in het begin) en ra`ash (Resh, Ajin, Shin) en rachash (Resh, Cheth, Shin) die beide duiden op ‘beweging’, de één meer lichamelijk de ander meer emotioneel. Deze twee verwante woorden voegen iets toe aan de betekenis van het eerste Bijbelwoord: ‘bereshít’ is dus meer dan enkel een tijdstip, een begin, het is een wervelend begin, de start van een Goddelijke Actie.
Deze ‘innerlijke taalsymmetrie’, die volgens Hirsch onmiddellijk samenhangt met het feit dat het Hebreeuws een Goddelijke schepping is, brengt hem tot zijn vaak herhaalde stelling dat men niet naar andere talen hoeft te kijken om de betekenis van de Hebreeuwse woorden te vinden: Hebreeuws is ‘zelfvoorzienend’ (self-contained). Hebreeuws kent als oertaal ook geen echte leenwoorden. Er zijn wel enkele woordstammen die met de kooplieden op reis gegaan zijn via Phoenicië naar Griekenland en die vandaar aangevuld of verbasterd weer teruggekomen zijn, maar deze woorden kan men toch altijd weer in hun grondvorm herkennen.
‘Eeuwige taal’
Mattitjahu Clark besluit zijn inleiding op Hirsch’s taalvisie als volgt: ‘Het Hebreeuws dat oprijst uit de Bijbelcommentaren van Hirsch is een zelfvoorzienende taal met zijn eigen vormen en structuren, onafhankelijk van de talen van andere Semitische volken uit die tijd. Hebreeuws is de taal van ‘beré’shít bará’ waarmee (of letterlijk ‘waarin’) de wereld werd geschapen. Het is de éne heilige taal van Gen.11:1 die door alle Joodse Bijbelverklaarders steeds vereenzelvigd is met de Hebreeuwse taal. Het is de taal die de Hebreeërs altijd gesproken hebben in Egypte, waardoor ze bestand waren tegen de assimilatie aan de Egyptische samenleving. Het is de taal waarin de Torah werd gegeven op de Sinai. Het is de ‘heilige taal – de eeuwige taal van het Joodse volk.
Wetenschappelijk ‘onaanvaardbaar’
Tot dusver is door moderne taalwetenschappers nauwelijks of helemaal niet gereageerd op het belangwekkende en wetenschappelijk goed onderbouwde etymologisch taalsysteem van de geleerde rabbijn Hirsch. Wel is in de lijn van het eerder genoemde ‘verlichte’ denken steeds negatief gereageerd, hooghartig of vriendelijk neerbuigend, op de ‘naïeve’, traditionele aanname dat Hebreeuws de oertaal is en dat er met deze ‘oertaalletters’ iets bijzonder aan de hand is. Dat elke Hebreeuwse letter een zelfstandigheid is, een eigen naam draagt met een zinvolle betekenis en tegelijk een eigen getalswaarde heeft en dat ook de vierkante lettervorm (kwadraatschrift) iets diepzinnigs in zich bergt – dit alles is voor het ‘wetenschappelijk geweten’ van moderne taalonderzoekers die denken in termen van langzame, toevallige taalontwikkeling en onderlinge taalbeïnvloeding, niet rationeel te maken: onberedeneerbaar en dus onaanvaardbaar.
Bovendien zou het niet kloppen met de historische feiten die met archeologische zekerheid vast staan. Neem bijvoorbeeld het Hebreeuwse lettercijfer-systeem en de getallensymboliek die daaraan is vastgekoppeld. In de eerste plaats komt dit systeem waarbij de letter van het Hebreeuwse alfabet dienst doen als getallen (Aleph =1, Beth =2 enz) in de tekst van de Hebreeuwse Bijbel helemaal niet voor. Maar ook zou blijken uit talloze archeologische vondsten dat men in de Bijbelse tijd een heel ander getallensysteem hanteerde.
Ondeugdelijke wetenschappelijke argumentatie
Het eerste argument dat de Bijbel geen lettercijfer-systeem kent en dat het daarom alleen al niet oorspronkelijk kan zijn, niet van Goddelijke origine, is alles behalve steekhoudend. Immers in geen enkele echte literatuur komt zo ‘n cijferteken-systeem voor. Ook niet in onze Bijbelvertaling, afgezien van de nummering van de hoofdstukken en verzen, maar in de tekst zelf is er geen sprake van. Het is niet normaal om in keurig proza of poëzie cijfers in de tekst te zetten. Dat doen wij niet en dat deed men vroeger niet: getallen worden weergegeven als hoofdtelwoorden (één, twee, enz.) of als rangtelwoorden (eerste, tweede enz.). Het ontbreken van cijfers in de Bijbel kan dus niet dienen als bewijs voor de stelling dat er in de Bijbelse tijd nog geen sprake was van een lettercijfer-systeem.
Het beroep op de archeologie lijkt deugdelijker, maar is het in feite ook niet. Het gaat hier om cijfertekens die men heeft aangetroffen op een groot aantal Kanaänitische aardewerkscherven, waarop kooplieden berekeningen maakten of contracten met hun klanten werden vastgelegd: een potscherf was destijds een goedkoop stukje houdbaar ‘papier’! Het is niet onmogelijk dat er verband bestaat tussen deze cijfertekens van de Kanaänieten (‘kanaäniet betekent letterlijk ‘koopman’) en die van de Arabische kooplieden die al eeuwenlang voor onze jaartelling actief waren in dit gebied en wier cijfertekens ook ten grondslag liggen aan ons Westerse cijfersysteem. In ieder geval tot dusver heeft men deze Kanaänitische cijfertekens uitsluitend gevonden op administratieve en economische ‘papiertjes’: in de bekende Siloah-inscriptie, in Oud-Hebreeuws letterschrift, staan de getallen net als in de Bijbel steeds voluit geschreven, als ‘één’, ‘twee’ enz.
Het is heel aannemelijk dat al eeuwen lang naast dit kooplieden-gecijfer een meer literair lettercijfer-systeem bestaan heeft (of geleidelijk aan tot ontwikkeling is gekomen), dat gebaseerd was op de vaste orde van het Hebreeuwse alfabet: Aleph= 1, Beth= 2, Zajin=7 enz. Men moet daarbij ook bedenken dat tellen op zich in de Bijbel al iets was om voorzichtig mee om te gaan. Tellen is een heilige zaak. Tellen zonder meer kan eigenlijk helemaal niet, want het berust op gelijkschakeling, en in Gods schepping is niets, geen mens en geen plant aan elkaar gelijk. Het ligt daarom voor de hand te veronderstellen, dat men voor deze heilige handeling geen ‘stomme’ boekhoudkundige tekens wilde gebruiken zoals het gangbare cijfersysteem, maar heilige, sprekende lettertekens heeft ingevoerd.
Schepping en geschiedenis
Zoals gezegd is dat mogelijk geleidelijk gegaan, in een historisch proces. Als Grieks gestempelde Europeanen maken wij doorgaans een scherpe scheiding tussen schepping en geschiedenis: als het Hebreeuwse kwadraatschrift of het Hebreeuwse lettercijfer-systeem van later datum is, kan het geen oorspronkelijk, Goddelijk Werkstuk zijn. Maar in het Hebreeuwse denken zijn schepping en geschiedenis één: de schepping is ook geschiedenis (God is geschied, Zijn Woord is gebeurd: er zij licht!) en de geschiedenis is één voortdurende schepping (God schept in de loop van de geschiedenis). Zo schiep Hij in de loop van de tijd Zijn eersteling, Israël, door Abram te roepen uit Ur en later Abrahams kinderen uit Egypte. Zo schiep Hij de Heilige Schrift in een eeuwenlang proces, waarbij snippers van oudere literaire documenten aaneengeregen werden tot een Meesterwerk uit éen Hand: een Goddelijke schepping die, zoals de Joodse traditie het zegt, grootser is dan de schepping van de wereld, een uniek Werkstuk waarbij elk woord, ja zelfs elke letter op z(Z)ijn plaats staat.
Daarom, dat het letterschrift of het lettercijfer-systeem pas veel later tot ontwikkeling kwam, sluit niet uit dat het een Goddelijke schepping is: geen enkele van Zijn werken, die Hij ooit in eeuwigheid bedacht heeft, komt zo maar uit de lucht vallen. Hij schept in de loop van de tijd, gaande weg krijgen Zijn creaties gestalte, ook de wondere Hebreeuwse Bijbeltaal. En gaandeweg in de gang van Zijn geschiedenis hebben godvruchtige Joodse schriftgeleerden dit Goddelijke Werkstuk, waarbij elke letter een naam ís met een rijkdom aan thematiek en waarbij letter en getal volledig op elkaar zijn afgestemd, leren ontdekken***.
Potscherfgeloof
Daarom is het alleszins terecht en wetenschappelijk volledig te verantwoorden om aan de eeuwenoude Joodse taaltraditie meer waarde toe te kennen dan aan het kooplieden gecijfer. Ik herinner mij vaak de verbaasde uitroep van mijn Joodse leraar van jaren geleden: ‘hoe is het mogelijk dat Westerse wetenschappers meer geloof hechten aan potscherven van kortzichtige kooplui en ambtenaren dan aan het geschreven profetische Woord en de daarop gerichte mondelinge overlevering door vrome Joodse geleerden!’ Het is in dit verband ook veelzeggend dat niemand minder dan de Goddelijke Messias Zelf deze Joodse taaltraditie bevestigd heeft door Zichzelf uitdrukkelijk de Aleph te noemen, de Eén, de Eerste: ‘Ik ben de Aleph en de Taw, zegt Adonaj’, of vertaald in het Grieks: ‘Ik ben de Alfa en de Omega, zegt de Heere’ (Op.1:8). Hier verbindt Hij dus Zelf letter, naam en getal met elkaar: Aleph = ‘eersteling’ = 1. Hoe kan men nu nog zeggen dat de Bijbel geen lettercijfer-systeem kent! Hét Cijfer waar alle cijfers in verenigd zijn is Hij, dé Eén, dé Aleph, om wie alles draait in heel de Heilige Schrift.
Geen Grieks plagiaat
Er wordt ook wel beweerd dat de Joden pas later in de Hellenistische tijd hun lettercijfer-systeem zouden hebben overgenomen van de Grieken. Historisch of archeologisch bestaat hiervoor echter geen enkel gefundeerd bewijs en rationeel gezien is deze hypothese ook niet erg logisch. Want het staat wetenschappelijk zo goed als vast, wat ook al uit de letternamen blijkt, dat de Grieken hun alfabet hebben overgenomen vanuit de Semitische, Hebreeuws-Foenicische cultuurkring. Het is logisch dat zij met de overname van dit lettersysteem ook het lettercijfer-systeem hebben ‘meegepikt’. Het omgekeerde transport, dat de Joden later, nadat de Grieken aan de Hebreeuwse letters een eigen cijfersysteem hadden vastgeknoopt, dit weer van de Grieken zouden hebben afgesnoept, is redelijkerwijs, ook gezien de lettercijfer-volgorde, hoogst onwaarschijnlijk.
Hebreeuws denken tegenover Griekse éenlijnigheid en Perzisch dualisme
Traditie of potscherf – samenvattend kan men wel zeggen dat hier ten diepste twee radicaal verschillende denkwijzen op elkaar botsen: de aloude Hebreeuwse, Bijbelse denkwijze en het jong ogende, maar in wezen stokoude, moderne ‘verlichte’ denken, dat oude Griekse en Perzische trekken vertoont. Grieks is denken volgens een eenzijdig logica: op grond van de voorhanden potscherf-gegevens is de enig mogelijke conclusie, dat het lettercijfer-systeem van later datum is. Perzisch is denken in tegenstellingen, dualistisch, zwart-wit: als de vierkante Hebreeuwse lettervorm of het lettercijfersysteem pas uit latere tijd stamt, is het door mensen zelf bedacht en kan dus het géén, absoluut geen Goddelijke schepping zijn. De Hebreeër daarentegen redeneert meerlijnig, neemt meerdere aspecten tegelijk in ogenschouw (zoals: én schepping én geschiedenis), zonder dat daarbij sprake is van los-lijnigheid of ‘postmodernisme’: tussen de verschillende aspecten bestaat een spanningsvolle eenheid, een onderlinge samenhang of harmonie. Deze eenheid in verscheidenheid weerspiegelt zich in de Hebreeuwse schrijfwijze, want men schrijft zoals men denkt: een Hebreeuwse letter is vierhoekig, meerlijnig, maar tegelijk een harmonieuze eenheid.
Voor een heel groot deel is onze Westerse cultuur gestempeld door de geest van Griekenland met zijn eenzijdige rationaliteit en door de geest van Perzie met zijn fanatisme, ook wetenschappelijk fanatisme. In een visioen zag de profeet Daniël (10: 13,20) hoe eenmaal onze wereld bevrijd zal zijn van deze volksgeesten (‘sar’: vorst) door de overmacht van de Goddelijke Messias en met behulp van Michaël, de vorst van Israël. Ook vanuit dit profetisch perspectief is het dus niet wijs, ook niet wetenschappelijk wijs om met een potscherf in de hand ons af te keren van Israëls eeuwenoude traditie die mét de Bijbel ook de Bijbeltaal ten hoogste waardeert:
‘this is the language which God spoke’!
*Dr.A. Noordtzij, Bijbelsch Handboek d1. 1, pag 358, aan wie deze gegevens ontleend zijn, beweert zonder enige wetenschappelijke schroom, dat het hoog ophemelen van de Hebreeuwse taal een uiting is van ‘Joodse zelfoverschatting’ en ‘Joods nationalisme’, waardoor kennelijk ook de kerkvaders zijn geïnfecteerd… Over dat laatste verwondert hij zich, maar veel verwonderlijker is deze schromeloze bewering zelf.
** Etymological Dictionary of Biblical Hebrew, gebaseerd op de Bijbel commentaren van Samson Raphaël Hirsch door Matitjahu Clark, Feldheim Publishers, Jeruzalem 1999.
*** Er is verschil tussen taaltheologie en taalmystiek. Terwijl de rabbijnse taaltheologen gericht zijn op het openbaringskarakter van de unieke Hebreeuwse taal ( in de taal komt de HERE God naar ons toe), hanteren de taalmystici de taal vooral als een lift naar Omhoog ( de letterwaarde en vooral in de cijferwaarde van het Hebreeuws verbergt een schat aan geheime kennis die ons kan optillen tot God, de Oneindige).
Een duidelijke uiteenzetting over dit onderscheid geeft drs. J.H. Laenen, ‘Alef Beet’, het tijdschrift van de “Vereniging tot bevordering van kennis van Hebreeuws” (7/2 ‘97, p. 20-26) en ‘Joodse Mystiek’, Kok/ Lanno, (‘98, p. 261-273).
**** Het is heel goed denkbaar dat het Hebreeuws als heilige taal telkens weer teruggedrongen is, opzij gezet, zoals in feite ook gebeurde gedurende de laatste 2000 jaar, tijdens de “Romeinse ballingschap”. Pas sinds kort is het Hebreeuws weer een levende volkstaal. Tijdens de Egyptische ballingschap heeft volgens Hirsch de heilige taal weliswaar een belangrijke bewarende functie gehad, maar in het dagelijks leven werd uiteraard noodgedwongen een andere taal gesproken. Pas in de woestijn en in Kanaän kwam het Hebreeuws weer naar voren als de eigen volkstaal om tijdens de Babylonische en Perzische ballingschap weer op de achtergrond te raken.
Dit artikel is van wijlen ds. R. Strijker.