Ani (ik) ma’amin (geloof) komt van het werkwoord áman אמן: bevestigen, opvoeden. De zgn. ‘doe-vorm’ van het werkwoord áman, de Hifielvorm הפעיל is geloven, vertrouwen, beamen, het ermee eens zijn. Eén van het meest bekende Hebreeuwse woorden ter wereld, ámen, is van dit werkwoord afgeleid (Hallelujah is net zo bekend).
Aman heeft o.a woordverband met ámar אמר, zeggen en met emet אמת, trouw, waarheid. Het gesprokene (ámar אמר) van JHWH is waarheid (emet אמת) en daarop kan ámen gezegd worden, dat mag men geloven.
In Hebreeën 11 staat o.a het volgende geschreven over geloven:
“Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt en het bewijs der dingen, die men niet ziet.
2. Want door dit (geloof) is aan de ouden een getuigenis gegeven.
3. Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare.
28. Door het geloof heeft Mozes het Pascha gehouden en het bloed doen aanbrengen, opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou aanraken.
29. Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan als over droog land, terwijl de Egyptenaren, toen zij het ook beproefden, verzwolgen werden.”
Geloven is doen en horen, na’ aseh ve nishmah, נעשה ונשמע (Exodus 24:7) Let op de volgorde, niet altijd eerst eens zien of wij wel willen doen wat onze Schepper van ons verlangt, maar onvoorwaardelijk geloven, vertrouwen dat het goed is om datgene te doen wat Hij van ons verlangt.
Wat moest en moet het volk doen, nog steeds en ieder die met het volk verbonden is? Doen wat recht is in Zijn Ogen, de oren neigen tot Zijn geboden en inzettingen (Exodus 15:26).
Geloven is een zaak van volledig vertrouwen בטח, bátach.
Wikipedia: ‘In de joodse traditie ging de Heer bij alle volkeren van de wereld langs en bood hen de Torah תורה aan. Alle volkeren vroegen op hun beurt, “Wat staat erin?” Ieder volk was ontevreden met het antwoord. Als allerlaatste vroeg de Heer het de Joden, een arm en hulpeloos slavenvolk dat niets te verliezen had. Zij namen de Torah wel aan, en verklaarden, “Na’aseh ve-Nishma” (“wij zullen doen en wij zullen horen”).
Later, toen het volk tijdens de tocht van Egypte naar het Land Israël bij de berg Sinaï de Torah in ontvangst nam, wilden de Joden dit volgens de Talmoed niet direct doen. Daarop tilde de Heer de berg Sinaï op, hield die boven de hoofden van de Joden, en verklaarde: “Als jullie de Torah accepteren – goed; zo niet, dan wordt dit jullie graf”.
Ze zeiden uiteindelijk, hoe dan ook, Amen.’