Al in diverse artikelen is het Succotfeest סכות toegelicht. In dit artikel een toelichting vanuit een andere hoek, deels uit de analen van wijlen ds. R. Strijker. Sukoth סכות is een soort ‘dankdag voor het gewas’, maar dan veel uitvoeriger en veel uitbundiger. We mogen ons afvragen, waarom in de Kerken de Dankdag zo in de verdrukking gekomen is. Eigenlijk zijn alle feesten van Israël tegelijk dankdagen: op Pesach פסח wordt de eerste schoof naar de Tempel gebracht; op Shábhú`óth de eerste broden en Succot is vooral het wijnfeest. We lezen in Deut. 16:13: ‘het Loofhuttenfeest zult gij zeven dagen vieren, wanneer gij de opbrengst hebt ingezameld van uw dorsvloer (brood לחם) en van uw perskuip (wijn יין) ’. Brood en wijn vertegenwoordigen in feite de hele oogst van alle zeven vruchten van het land, zoals ze in Deut. 8:8 worden opgesomd: ‘de HERE uw God brengt u in een goed land – een land van tarwe en gerst (= brood), van wijnstokken, vijgenbomen en granaatappelen, een land van olierijke olijfbomen en honing’ (=dadelpalmen). Maar deze zeven gaven zijn samengevat in de twee: brood en wijn. Daarom is de dankzegging over brood en wijn tegelijk ook de dankzegging over alle scheppingsgaven. Dat geldt met name voor de dankzegging over de wijn en het brood in het weekend. Drie keer op shabbat שבת wordt er gedankt over brood en wijn.
Maar wat wekelijks gebeurt, elk van de zeven dagen, krijgt in de Zevende maand een climax. Want er mag grote vreugde zijn, staat er in Deut. 16:15, omdat de HERE uw God u zegent in heel uw oogst en in al het werk uwer handen, zodat gij waarlijk vrolijk kunt zijn.
Herinnering aan de woestijntocht en Intocht
Maar Succot is meer dan alleen een oogstfeest. Het houdt ieder jaar weer de herinnering gaande aan Gods bewarende Hand tijdens de woestijnreis, met Manna מן uit de hemel en water uit de Rots. Dit Najaarsfeest houdt ook het wonder van de Intocht in gedachtenis, met voorop de inname van het onneembare Jericho, enkel en alleen door stilweg rond de stad te gaan en op de zevende dag zeven keer met gejuich en blazend op de Shophar שופר.
Hoe wordt het gevierd? – loofhut סוכה en lulav לולב
Deze herinnering aan de wonderlijke Doortocht en Intocht wordt vooral gaande gehouden door zeven dagen lang zoveel mogelijk te verkeren in een loofhut, in een sukah: ‘in loofhutten zult gij wonen, zeven dagen lang, opdat uw geslachten weten dat ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit Egypte leidde’ (Lev. 23:43). Naar dit voorschrift is dit feest genoemd: huttenfeest. Nog steeds vormt die loofhut het hart van de viering. In het huidige Israël worden ze vaak vrolijk versierd met vruchten van het land.
Behalve het voorschrift over de loofhutten, staat er in ditzelfde hoofdstuk (Lev. 23: 40) de aanwijzing om een zogenaamde ‘lulav’ samen te stellen: ‘op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke bomen nemen, takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de HERE uw God, zeven dagen lang.
Water scheppen
Naast dit vreugdevolle lulav-ritueel was er in de Tempeltijd het nog vreugdevoller ritueel van het ‘water scheppen’: met water uit de Siloamvijver werd het altaar overgoten onder groot gejuich met muziek van citers, harpen, cimbalen en trompetten. Er is gezegd: ‘wie niet de vreugde van het waterscheppen heeft gezien, heeft van zijn leven nog nooit echte vreugde beleefd’. Wat betreft de diepere achtergrond- dit waterscheppen is te zien in verbinding met het water dat Israël in leven hield tijdens de woestijnreis, het wonderlijke ‘geestelijke’ water uit de Rots, die met hen meetrok van halteplaats naar halteplaats (1 Cor. 10:4). Maar er is ook een verband te leggen met het water dat eens zal stromen vanuit Jeruzalem, met de Tempelbeek, die ontspringt in de Rots onder het Tempelplein en die aanzwelt tot een brede rivier die zelfs de Dode Zee vruchtbaar zal maken (Ez. 47).
Wij mogen hierbij ook denken aan het slot van Openbaring, waar Johannes schrijft: ‘Hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringend uit de troon van God en van het Lam. (Op. 22:1)’. En uiteraard denken wij aan het woord van Jehoshua dat Hij sprak op de laatste dag van het Feest, dat was het Loofhuttenfeest – en wellicht zei Hij dit in directe samenhang met dat waterritueel: ‘wie in Mij gelooft, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien’ en ‘dit zeide Hij’, staat er bij, ‘van de Heilige Geest’. Want Geest en water hangen nauw met elkaar samen. (Gen. 1:2).
De achtste dag
Aansluitend aan het ritueel van het waterscheppen wordt het Loofhuttenfeest afgerond met een achtste dag: Shemini chag ha`atsereth. Dit gebruik is gebaseerd op Numeri 29 vers 35: ‘op de achtste dag zult gij een feestelijke vergadering hebben en gij zult generlei slaafse arbeid verrichten.’ Het is vooral een dag die in de Joodse traditie gekenmerkt wordt door het regengebed, een gebed dat vanaf die dag in verkorte vorm wordt voorgezet tot aan Pesach met de bede in het dagelijkse Achttiengebed: ‘Gij doet de winden waaien en de regen vallen’. In feite hoort de dag niet meer bij Succot: men woont niet meer in de loofhut en de lulav wordt niet meer gebruikt.
Simchat Torah
Een geheel eigen karakter heeft in de Joodse traditie de 9e dag*: de vreugdedag vanwege de Torah. Het is vooral de vreugde om het geschenk van de Torah, het huwelijkscontract, het symbool van Gods eeuwige Trouw aan Israël. Maar het is ook de vreugde om de voltooiing van de jaarlijkse Torahlezing. Als men uitgekozen wordt om het slot van de Torah te lezen, als men zogezegd deze ‘alijah’ mag maken, geldt dit als een grote eer: men is dan de ‘bruidegom van de Torah’: chátan Toráh. Deze laatste lezing wordt ‘naadloos gekoppeld’ aan de eerste lezing uit Genesis: de woorden van de ‘chátan Toráh worden onmiddellijk als in één adem gevolgd door die van de andere voorlezer, de ‘chátan Bêréshíth (de bruidegom van Genesis 1).
* In Israël valt deze negende dag samen met de achtste, de dag van het waterscheppen.
Wat moeten wij daarmee?
Wat moeten niet-Israelieten daarmee? Immers zij zijn toch niet uit Egypte getrokken en het Nederlandse volk heeft niet in hutten of tenten gewoond in de woestijn. Het antwoord: ook zij zijn kinderen van Abraham, kinderen geworden, door het geloof in Jehoshua, die hét Zaad van Abraham is, daardoor zijn zij ingelijfd in de verbondsgemeen-schap met Israëls God. En verder: er is niet alleen een geestelijk Egypte – het diensthuis van de zonde – maar ook een aards land van verdrukking en ballingschap. Onze moderne samenleving is met recht te typeren als Egyptisch/Babylonisch. Voor velen is het zelfs een woestijn, leeg en onherbergzaam.
Het vieren van het Loofhuttenfeest elk jaar opnieuw, midden in de ellende van onze moderne cultuur, met zijn verbrokkeling en verwarring, zijn uitzichtloze armoe, zijn vluchtelingenstroom, zijn hopeloosheid, houdt de hoop gaande. De hoop op een andere tijd, op een nieuwe wereldsamenleving, waarbij ieder volk, ieder mens tot zijn recht komt, ieder onder eigen wijnstok en vijgenboom, ieder op zijn eigen landgoed. Een onmogelijke droom, waarmee we ons zoet houden? Nee, omdat Israël is uitgetrokken uit Egypte en binnengetrokken in het Beloofde land is er hoop. Hoop op bevrijding uit onze ‘woestijn’, hoop op het Beloofde Land voor ons of onze kinderen. Een hoop die bevestigd is, diep gefundeerd is in lichamelijke de opstanding van Jeshuah uit onze aarde op Paaszondagmorgen. De Succottijd is in wezen adventstijd: is uitzien naar de Messiaanse vrede vanuit Tsion voor alle volken. Want het Beloofde Land is zo klein als Kanaän en tegelijk zo wijd als de wereld.
Wat kunnen wij hier praktisch mee?
Is het niet volstrekt onbegrijpelijk, en ook ontstellend dat Christenen, die geloven in de lichamelijke opstanding – dat juist de Kerk dit lichamelijke, dit aardse feest van Succot zo totaal naar de achtergrond gedrongen heeft? Hoe komt dat? Omdat men zich heeft laten infecteren door een heidense geest, men heeft zich losgemaakt van de Joodse, Bijbelse, aardse wortels en is op de Griekse geestelijke toer verder gegaan: hier beneden is het niet, het gaat om het hogere, het hemelse leven. Terwijl juist de doorlopende Bijbelse lijn is: God heeft de aarde lief, vanuit de hemel komt God naar ons, Hij is afgedaald in ons aardse graf en daaruit opgestaan, en tenslotte zal het hemelse Jeruzalem neerdalen op de aarde, want de hemel waar de heiligen en de martelaren zijn, is slechts een wachtkamer: totdat God recht gaat doen op aarde (Op. 6:10).
Wat kunnen wij praktisch nog doen om recht te doen aan dit Bijbelse Evangelie? In ieder geval is het aan te raden de ‘dankdag voor het gewas’ in alle gemeenten in eer te herstellen! Immers het is beschamend hoe armetierig onze dankzegging is. Vaak is er nog wel persoonlijk dankbaarheid in gezinsverband voor het dagelijks brood. Hoewel dat sterk afslijt. Velen gaan tegenwoordig zonder dankgebed aan en van tafel, net als Ezau: ‘hij at en dronk en ging heen’. Even vlug een hap en snap of een vruchtendrank en dan gauw naar het werk of naar het onmisbare televisieprogramma. Maar afgezien van de persoonlijke is er nauwelijks nog sprake van gemeenschappelijke dankzegging voor al de zegeningen die onze bodem nog opbrengt. Hoe lang kan dat duren, deze dankloze samenleving? Wanneer komt de vloek over het land, de vloek over onze bodem? Laten wij daarom krachtig danken, elke dag voor het dagelijks brood. Dat is minimaal!
En wat met het waterfeest?
Tenslotte wat dat waterfeest betreft – wat moeten wij met dat water uit de Siloamvijver? Misschien mag ik het kort zeggen: het is een goed voorstel, in het perspectief van Zacharia 14:16, om zo mogelijk elk jaar met Succot naar Jeruzalem te gaan. We hopen binnenkort een eigen Studiehuis te betrekken en als het groot genoeg is bent u allen welkom!!