Enkele notities over de eigen aard van de Hebreeuwse Bijbel תנ’’ך
(Bewerkt uit de nalatenschap van wijlen ds R. Strijker.)
1. De Bijbel een schepping grootser dan de schepping van de wereld
Volgens Joodse traditie is de Hebreeuwse Bijbel תנ’’ך een schepping grootser is dan de schepping van de wereld: een literair meesterwerk van de Heilige Geest רוח הקודש waarbij elk woord, zelfs elke letter op z(Z)ijn plaats staat. De Bijbel is ook letterlijk Gods Woord.
2. Het gaat om gebeurtenissen (= geboortenissen)
De Bijbel vertelt geen ‘verhaaltjes’, maar beschrijft gebeurtenissen, met name ‘geboortenissen’ of ‘toledoth’ תלדות (van toledah תולדה: verwekking, geboorte, gebeurtenis). De grootste gebeurtenis is dat God gebeurt, dat Zijn Naam ‘geboort’ in onze geschiedenis: Hij, de Altijd Aanwezige יהוה, verschijnt aan Abraham אברהם en Mozes משה, Hij bevrijdt Zijn volk uit Egypte, Hij trekt voor hen uit in een wolkkolom, Hij daalt neer op de Sinai סיני en schrijft op twee rotsblokken Zijn Tora תורה voor het samenleven in het Beloofde land, Hij woont op de berg Zion ציון, Hij spreekt door de mond van de profeten, Hij neemt gestalte in het Kind van Bethlehem בתלכם, Hij vereenzelvigt Zich met ons, verplaatst Zich in ons tot in onze schuld toe, Hij staat op uit onze dood, Hij stort Zijn Geest רוח uit op alle vlees, Hij schrijft Zijn Torah in de harten van Zijn leerlingen, Hij woont in hen.
3. Ook de Bijbel is een ‘geboortenis’
De Bijbel die het ‘gebeuren’ van de NAAM beschrijft, is zelf ook een gebeurtenis, een ‘geboortenis’: de Schriftwording van de Stem ligt in de lijn van de Vleeswording van de Stem (Joh.1:14) als voorloper en als sluitstuk ervan. Beide zijn even wonderlijk en ondoorgrondelijk: de Heilige Geest רוח הקודש die profeten en apostelen ‘overschaduwde’ is Dezelfde als die Maria מרים overkwam (Luk. 1: 35).
4. Profetische geschiedbeschrijving
De Bijbel beschrijft deze gebeurtenissen niet chronologisch op de wijze van ‘en toen en toen en toen,’ maar ‘letter-kunstig’: op een literair-artistieke manier. Of beter nog: profetisch – artistiek, want de Schrift is profetische literatuur.
Literair artistiek wil zeggen: geschreven in een ‘letterkunstige’, ‘schone’ taal die weliswaar van bovenmenselijke oorsprong is. Geen enkel literair werk, proza- of dichtwerk, is louter mensenwerk: elk echt gedicht is geïnspireerd door de ‘literaire Muze’, aangereikt vanaf de ‘overkant’. Zoals dichters kunnen getuigen: ‘de woorden kwamen aanspoelen als schelpen op het strand’. Maar ondanks deze verheven oorsprong blijft deze literaire activiteit een ‘binnen-werelds’ gebeuren en zijn de vruchten van deze ‘muzische inspiratie’ volledig gestempeld door het persoonlijk gezichtspunt van de schrijver.
Maar profetisch artistiek betekent rechtstreeks afkomstig van God de Schepper en Bevrijder, zonder bemiddeling van een muzisch tussenwezen. Zo is ook het scheppingsverhaal in Genesis 1 een profetisch artistiek geschrift, direct geïnspireerd door Israëls God, Die met Zijn Geest de historische feiten of het materiaal in het brein van de schrijver geordend heeft, in Zijn Licht gezet heeft, en Die de unieke artistieke, diepzinnige vormgeving daarvoor heeft aangereikt, waardoor zowel de inhoud als de stijl van dit Geschrift elk ander taalkunstwerk ver overstijgt.
5. Verschillende gezichtshoeken: hoekspanning
De Bijbel is het profetisch verslag van Gods geschiedenis, van Zijn scheppend en bevrijdend handelen, waarbij vanuit een bepaald profetisch gezichtspunt (‘profetische licht’) de gebeurtenissen (‘geboortenissen’) worden belicht en geordend. De historische feiten worden gerangschikt rond een profetisch thema, waarbij vaak de chronologische volgorde wordt doorbroken. Het duidelijkst blijkt dat in de Evangeliën die elk het hetzelfde gebeuren – de Verschijning van de NAAM יהוה in de gestalte van Jehoshua יהושע van Nazareth נצרת – vanuit een eigen profetische gezichtshoek of thematiek beschrijven. Met als gevolg dat de feiten vaak anders geordend worden. Zo zet Johannes de Tempelreiniging aan het begin van zijn Evangelie (2:13-17), terwijl Mattheüs en de andere evangelisten dit plaatsen aan het slot van hun beschrijving (Matt.21:12-1; Marc. 11:15-19; Luc. 19:45-48).Voorbeelden van niet-chronologische beschrijvingen zijn er ook in het Oude Testament. Zoals bij de twee scheppingsverhalen, die niet in tijdsorde op elkaar volgen, maar net als de Evangeliën vanuit twee verschillende gezichtshoeken zijn geschreven. Vandaar ook de ‘hoekspanning’ tussen beide beschrijvingen. Die spanning treft men ook aan bij de beschrijving van de Zondvloed, waar vanuit het ene gezichtspunt gezegd wordt dat er twee dieren van elke soort de Ark in gingen (Gen.6:19) en vanuit een andere gezichtshoek dat het er zeven waren (7:2). In 2 Sam.24:1 staat dat God David aanzette tot de volkstelling en in 1 Kron.21:1, heet het dat de Satan dit deed.
Ook tussen het Oude en Nieuwe Testament zit hoekspanning: volgens Mattheüs waren er veertien geslachten tussen David en Jezus, terwijl in Koningen en Kronieken er achttien geteld worden. Ter wille van een profetisch thema zijn een viertal koningen weggelaten. Met recht kan men de Bijbel een ‘spannend Boek’ noemen, met spanning in de hoeken, waar verschillende gezichtspunten tegen elkaar ‘aanstoten’.
Zoals twee foto’s van hetzelfde landschap onder twee verschillende gezichtshoeken genomen, niet naadloos aan elkaar te voegen zijn, zo blijven ook in de Bijbel de voegen tussen de diverse visies zichtbaar. Of anders gezegd: zoals een tent of een luchtballon bij het neerhalen en opvouwen ietwat bobbelig blijft en niet goed effen te krijgen is, zo blijven er bij de neerdaling van de NAAM in een ‘lineaire’ literaire tekst een aantal hobbels over die niet glad te strijken zijn.
6. Tegenstrijdigheden niet ‘wegmoffelen’: barstensvol verrassende gegevens
Als in de Bijbel de diverse gezichtshoeken in ‘hoekspanning’ staan en niet logisch aan elkaar te koppelen zijn, mogen we dit niet over het hoofd zien of wegmoffelen, maar moeten we juist op dit punt zeer oplettend zijn. Want met name op de breuklijnen komt het binnenste van de Bijbel naar buiten, zoals een lavastroom uit een open krater. Juist de ‘barsten’ in de Bijbeltekst zitten vaak barstensvol verrassende gegevens. Juist bij de oneffenheden, waar twee visies zich spanningsvol verenigen, doet de overdadige Werkelijkheid van de NAAM zich het meeste gelden (zie ook ‘Lechaijim’, p. 70, aan te vragen via info@studiehuisreshiet.nl). Daarom zullen we bij de ‘oneffenheden’ in het geslachtsregister van Jezus/Jehoshua ons moeten afvragen: waarom heeft de Heilige Geest juist deze vier koningen geen plaats gegeven in de Messiaanse geslachtslijn?
7. De Bijbel is een literaire éénheid
Op de keper beschouwd, literair-analytisch bezien is de Bijbel een verzameling brokstukken van diverse afkomst en uit verschillende tijden. In dat opzicht lijkt de Bijbel op de grote meesterwerken uit de wereldliteratuur als de Ilias van Homerus of de Hamlet van Shakespeare. Men heeft Shakespeare er wel van beschuldigd dat hij plagiaat gepleegd zou hebben: hij zou veel oud materiaal hebben verwerkt, bijna niets is echt origineel, zijn toneelstukken zijn bijeengeraapte stukken. Maar het geniale van Shakespeare is, dat hij van al deze brokstukken originele meesterstukken gemaakt heeft.
Datzelfde kan men zeggen van de Heilige Geest, de BijbelAuteur: ook deze Literaire Grootmeester heeft gebruik gemaakt van voorhanden materiaal, van oeroude overgeleverde taaldocumenten. Maar met geniale Meesterhand heeft Hij deze verschillende fragmenten uit diverse tijden bijééngeschreven tot een eenheid, tot één Origineel Meesterwerk van ongekende kwaliteit en ongeëvenaarde architectuur.
De Bijbel is geen lappendeken van allerlei ‘taallapjes’ uit diverse cultuurperioden, zoals historisch-kritische wetenschappers ons willen doen geloven, maar een harmonieuze eenheid, op basis waarvan een woord in het ene verband licht kan afgeven aan hetzelfde woord in een ander verband. Bijvoorbeeld het woord ‘reshiet’, en een ieder die ooit de Alephcursus heeft gevolg zal dit ongetwijfeld herkennen, in Gen.1:1 (begin) wordt in het licht gezet door ‘reshiet’ in Lev. 23: 10 (eersteling) en door ‘reshiet’ in Ps.111:10 (beginsel). En deze beide betekenissen klinken als boventonen in de muziek mee in het eerste Bijbelvers: ‘in de beginne schiep God en Hij schiep met de eersteling of met beginsel (= met het Woord: Ps.33:6,9; Joh.1:1; Op.3:14).
Jehoshua wordt hier ‘het beginsel van de schepping’ genoemd; het Griekse woord ‘archè’ (beginsel) is terugvertaald: ‘reshiet’; ‘letterlijk’ komt Jezus dus al in Gen.1:1 ter sprake.
8. De moderne Bijbelwetenschap kan niets toevoegen: de Bijbel legt zich zelf uit
Wat betreft de historisch-kritische Bijbelwetenschap: net als andere takken van de historische wetenschap kan ook deze veel interessante gegevens opleveren, maar ze kan niets wezenlijks toevoegen aan de kennis van de Schrift. Zoals het historisch onderzoek naar de herkomst van de verfsoorten, de verfkwasten of de linnen ondergrond die Rembrandt gebruikte voor zijn schilderijen veel interessante gegevens kan opdiepen, maar geen enkele bijdrage levert aan het verstaan en beleven van zijn kunstwerken, zo kan ook de historische Bijbelkritiek niets, geen ‘titel of jota’, bijdragen aan het verstaan van de Bijbelse Boodschap. De Bijbel spreekt voor zichzelf, legt zichzelf uit volgens de oerregel van ‘Schrift met Schrift vergelijken. Van de Bijbel geldt wat in feite van elk echt literair kunstwerk geldt: kennis van de letterkundige geschiedenis en biografische bijzonderheden hebben ‘met letterkunde slechts zijdelings te maken en zijn in veel gevallen voor de beleving van het kunstwerk irrelevant’ (A. Svirinsky, Maatstaf, 1-62-807). Een gedicht dat aanvulling van buiten nodig heeft (biografische of andere voorkennis) mist de nodige poëtisch- artistieke kwaliteit. Als een dichter binnen de door hem zelf gekozen taalruimte zijn beleving (wat hem ‘ter ore kwam’) niet kan verwoorden, is zijn werk geen volledig kunstwerk. Een gedicht spreekt voor zichzelf of het spreekt niet echt.
9. Wetenschappelijke treurigheid: veronderstellingen gelden al als feiten
In elke wetenschap wordt gewerkt met modellen of werkhypothesen die dienen als uitgangspunt voor nader onderzoek. Buitenstaanders verwarren wetenschappelijke modellen – wat in feite geloofsuitspraken zijn, veronderstellingen – vaak met feiten. Veel wetenschappers werken dit misverstand zelf in de hand door zo rotsvast te geloven in hun eigen denkmodel dat ze de indruk wekken alsof het al om een werkelijkheid gaat: alsof de evolutietheorie al een feitelijke basis heeft, alsof de oerknal (het was het oerspreken, misschien wel bulderen van Adonai wat alles in beweging zette) al bewezen is, alsof het mystieke oerdeeltje (het ‘alles omvattende goddelijke begin’) al gevonden is. Terecht noemt men dit ‘wetenschappelijke treurigheid’ (dr. ir. A. van den Beukel).
Deze treurigheid treft men ook aan onder theologen. Uiteraard staat het ieder vrij om te geloven in de theorie van de priester-verteller in Babel die ter bemoediging van de ballingen vrome verhalen verzonnen zou hebben over hun voorgeschiedenis of over de vrome voorgangers in de christengemeentes uit de 2e eeuw na Christus die al prekend het oerverhaal over Jezus van Nazareth in eigen kleuren (hellenistisch – mythologisch) zouden hebben overgeschilderd en onherkenbaar verminkt. Maar men moet ons niet wijsmaken dat hiervoor wetenschappelijke bewijzen bestaan. Dit is letterlijk ‘pre-science fiction’, vóórwetenschappelijke verbeelding. Dit zijn geloofsuitspraken die met geloofsuitspraken op basis van de Bijbel overtuigend en ‘onbetwijfelbaar’ bestreden kunnen worden. Immers zoals onwetenschappelijke stellingen met gefundeerde wetenschap bestreden moeten worden, zo moeten vluchtige of slordige theologische geloofsuitspraken bestreden worden met op de Bijbel gefundeerde theologische kritiek.
10. Is de Bijbel dan niet ook een menselijk Boek?
De Bijbel is volop menselijk, voor de volle 100%, maar tegelijk ook voor 100% een Goddelijk Boek, een Meesterwerk van de Heilige Geest, een literair Kunstwerk van de Bovenste Plank. De Bijbel is ontstaan op de wijze van het brood. In het Joodse dankgebed voor de maaltijd wordt beleden, dat het dagelijks brood (niet de graankorrel, maar het brood!) een unieke gave van God is: ‘U danken wij HERE onze God, Koning der wereld Die het brood uit de aarde doet voorkomen’. Wie anders dan Hij kan de graankorrel in de donkere aarde doen sterven en opstaan in veelvoud, wie anders dan Hij kan van een mengsel van meel en water een brood doen worden. Maar dit wonderlijke product is ook 100% een menselijk werk: de mens zaait, maait, dorst, maalt, mengt en bakt. Niettemin belijdt men dagelijks in Joodse dankgebed: het is Israëls God Die dit hele product uit de aarde doet voortkomen. Zo belijden wij dat ook de Heilige Schrift, dit Brood des Levens, volledig Zijn Werk is. Ogenschijnlijk een menselijk ‘baksel’ van toevallig aan elkaar geknoopte teksten uit diverse tijden en culturen met al hun kleinmenselijke tekortkomingen en beperkte blikken, maar in feite een Goddelijk, harmonisch Kunstwerk, waarbij alle logische en chronologische oneffenheden met Meesterhand zijn opgenomen in het Grote Geheel van Zijn Unieke Woord.
11. Zijn er in de Bijbel geen verouderde, culturele elementen die uitgezuiverd mogen worden?
Zijn wij echt niet ‘verder dan Paulus’ met zijn tijdgebonden visies, bijvoorbeeld op de vrouw? Het typische is dat Paulus zich niet beroept op gangbare (tijdgebonden) gedragspatronen, maar op het scheppingsgegeven dat Adam de ‘eerdere’ was (niet de meerdere!). Uniek is ook de Bijbelse visie op de positie van de vrouw: niet beneden, maar tegenover de man (Gen. 2: 20. Op basis van de ongelijktijdigheid én de uniciteit van man en vrouw keert de apostel zich juist tegen de toenmalige (tijdgebonden) Griekse gelijkschakeling van man en vrouw, en daarmee tegen de moderne (tijdgebonden) ‘alles is hetzelfde theorie’ die momenteel, in het spoor van de oude Grieken, onze hele cultuur verstoort en verziekt.
Niets, ‘geen tittel of jota’, laat zich ongestraft uitzuiveren door middel van onze eigenwijze, Griekse rationeel-wetenschappelijke, historisch-kritische of literair-deskundige methodieken. Wie iets afdoet van dit Boek roept de plaag van de pest over zich af (Op. 22:18,19): dábhár (= Woord, met volle á-klank) wordt debher (= pest, met ingekorte e-klank).
12. Feitelijk én figuurlijk: de Boodschap is deel van de geschiedenis
De Bijbel is geen geschiedenisboek, het is een ‘boodschappelijk’ (=profetisch) Boek waarbij de Boodschap de feiten ordent en kleurt. Maar de geschiedenis is wel een wezenlijk deel van de Boodschap: het gaat om het gebeuren van de NAAM in onze geschiedenis.
Men kan ook omgekeerd zeggen dat de Boodschap een wezenlijk deel is van de geschiedenis: Israëls God, de ‘Geschiedende’ God (die het hart is van de Bijbelse Boodschap = profetie) bepaalt en stuwt onze historie, Zijn NAAM is in alles wat gebeurt, Hij is aanwezig (of beter ‘in-wezig’) in de stroom van de tijd als een vis verborgen onder het wateroppervlak, die slechts zo en dan ‘kringen’ maakt aan de oppervlakte of soms even voor ons oog tevoorschijn springt.
Deze Inwezigheid van Israëls God in alles wat gebeurt, geeft aan alle gebeurtenissen een teken-karakter. Wat voor de schepping geldt – ’t is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis’ (Jan Wit, Liedboek 479:3) – geldt ook voor de geschiedenis: alles spreekt van Hem. Met name geldt dat van de Bijbelse geschiedenissen: het zijn gewone gebeurtenissen (Uittocht, Doortocht, Intocht) en tegelijk gelijkenissen. Niet omdat de Bijbelse auteur die tweeheid er kunstmatig in legt, maar omdat dit een historisch gegeven is.
Men kan ook zeggen: God de Schepper schrijft geschiedenis, bevrijdingsgeschiedenis; de Bijbelse geschiedenis is Zijn ‘Geschrift’. En dit ‘historisch Geschrift’ heeft net als elk literair geschrift een interne gelaagdheid. Er is een bovenlaag, een voor allen waarneembare gang van zaken, en er zijn dieper liggende lagen die verwijzen naar Zijn Bevrijdende Aanwezigheid onder ons, naar Zijn Inwezigheid ook nu.
Daarom sluiten de letterlijke én de figuurlijke Bijbeluitleg, de symbolische, allegorische én de historische elkaar niet uit. De Uittocht uit Ur אור en uit Egypte מצרים zijn historische feiten en tegelijk metaforen, gelijkenissen van Gods voortdurende roeping en bevrijding. Ook de Nieuwtestamentische, apostolische uitleg kent het onderscheid tussen de letterlijke en de figuurlijke betekenis van de Oudtestamentische historische feiten: de zondvloed en de doortocht door de Rode Zee gelden zonder meer als historische gerichts- en bevrijdingsfeiten, maar tegelijk zijn ze zinnebeeld of symbool van de doop (1 Petr. 3:21; 1 Cor.10:20). Het is geen kwestie van óf-óf, maar van én-én. De Bijbel is feitelijk én figuurlijk. In feite berust de hele Messiaanse Bijbeluitleg op dit principe (Joh. 5:39; Luk. 24:27).
13. De Bijbel is een Boek over een Boek
Er zijn tal van mooie verhalen geschreven over wat er gebeurd is in het verleden van mensen en volken, maar er is geen mooier verhaal dan het gebeuren zelf. Er is geen groter Schrijver dan God de Schepper, Die met de pen van het gebeuren de mooiste verhalen schrijft. Niet alleen het verhaal van Israël en de volken rondom, maar ook onze hele wereldgeschiedenis met Zion in het centrum is Gods Manuscript.
Als de geschiedenis van God met Zijn volk een ‘geschrift’ is, literatuur, een historisch ‘boek’ dan is de Bijbel een Boek over een Boek, Literatuur over Literatuur. De Heilige Schrift is geen literaire bewerking van wat er eens (‘ooit’, ‘misschien’) is gebeurd, maar onthulling van een historisch-literaire Meesterwerk: de fijnzinnig gelaagde geschiedenis van de ‘Geschiedende God’, van Hem Die met ons ging tot in de diepten van onze schuld en dood, en Die daaruit opstond.
14. Bijbeluitleg en moderne wetenschap
De kwestie is niet of onze Bijbeluitleg modern wetenschappelijk* gezien ‘waar’ is, maar of deze Bijbels gezien ‘waar’ is. Niet of onze visie op de gang van zaken bij de schepping der wereld of bij de uittocht van het Godsvolk uit Egypte logisch te verantwoorden of proefondervindelijk te verifiëren is, maar of onze interpretatie Bijbels gezien juist is. Daarvoor gelden twee belangrijke criteria:
a. Onze verklaring moet taalkundig exact en volledig zijn. Een onvolledige verklaring, een halve ‘waarheid’ kan misleidend zijn. Bijvoorbeeld is het in Gen. 1:1 niet volledig juist om de werkwoordsvorm ‘hajetah’ (van het werkwoord ‘geschieden’, ‘gebeuren’, ‘worden’, het werkwoord van de GodsNaam) te vertalen als een koppelwerkwoord: ‘de aarde was woest’. Het is zogezegd ‘beneden de stand van een Hebreeuws werkwoord, om nietszeggend in een zin aanwezig te zijn’ en dat geldt temeer voor het werkwoord van de NAAM. Daarom is de vertaling ‘geschiedde woest’, werd woest’ of ‘was woest geworden’ exacter en vollediger en doet ook meer recht aan het dynamisch-ruimtelijk karakter van de Hebreeuwse taal. Want in het werk-woord ‘hajetah’ zit de ‘ruimte’ voor de rabbijnse visie dat de aarde meerdere keren woest en ledig werd, voordat God besloot om Zelf met Zijn Schepping mee te gaan: Zich te weerspiegelen in de unieke gestalte van Adam, die niet ‘soortgewijs’ zoals alle voorgaande schepselen, maar naar Zijn beeld geschapen werd (zie ‘Lechajim’, p. 91. noot 8).
b. Onze uitleg moet in samenhang gezien worden met de overige Schriftgegevens volgens de gouden grondregel voor Bijbeluitleg van ‘Schrift met Schrift vergelijken’. Zo mag men, om bij Genesis 1 te blijven, de ‘begin-dagen’ van de schepping niet losdenken van de ‘eind-dagen’, de eerste dag niet van de dag des HEREN, van de laatste der dagen (Jes. 2:1; 13:9; Joël 2:1,11,31). Op die dag zal over ieder volk en ieder mens apart het oordeel geveld, over miljarden mensen dus en dat binnen het bestek van één dag: hoe mateloos lang zal die dag duren!
Maar Genesis 1 moet ook in samenhang gezien worden met die beslissende ‘dag’ in het midden van de geschiedenis, toen naar het getuigenis van apostelen en evangelisten de Zoon des mensen als het Lam Gods de zonden van het ganse menselijke geslacht vanaf de oertijd tot de eindtijd verzoend heeft. Een dag van gewoon 24 uur, maar tegelijk een dag met ongekende diepten in de tijd, mateloos naar menselijke maatstaven, even of nog matelozer dan de begindagen van Genesis 1: hier daalt de eeuwigheid, de Eeuwige Zelf in de tijd.
* Op de snijtafel van de historische kritiek is de Bijbel een lijk (‘zegt niets meer’), op de operatietafel van de literaire deskundigen is de Bijbel een patiënt die met kunstmiddelen (symboliek) in leven gehouden wordt.
15. De Bijbel is letterlijk Gods Woord
De Bijbel is meer dan alleen een verzameling woorden over God, over Zijn scheppend en bevrijdend handelen in onze geschiedenis: de Bijbel is letterlijk Gods Woord. Vanaf elke bladzijde spreekt God, even reëel als Hij sprak tot Mozes en de Profeten. En vanuit elk Bijbelboek komt Hij Zelf op ons toe, even werkelijk als Hij kwam in de gestalte van Jezus van Nazareth: de Bijbel in Zijn gewaad (Calvijn).