Onderstaande is afkomstig van “Lechaijim! of Op Zoek Naar Een Nieuwe Levensstijl” van wijlen ds R. Strijker. Een uiteenzetting van 18 hoofdstukken, van de stelling dat leven, volop leven, loven is: een volwassen samenleving is een samen-loving. Bronnenboek is de Bijbel en het oriëntatie-model het Jodendom.
Dankend zijn we meer mens dan denkend
Niet denkend, maar dankend zijn we het meest mens. Niet in het verwoorden, maar in het antwoorden ontplooit en voltooit zich ons mens zijn. In wezen zijn we een antwoord: ons ego is een echo op de Stem van de Schepper Die elk van ons bij name riep en roept. Door op die roep te reageren – “U dank ik, Die mijn Schepper zijt” – brengen we onze naam, ons unieke wezen, ter sprake. In de eredienst komt onze echo tot klinken: “ik” tegenover “Gij”. De bestemming van ons bestaan is staan voor God met lof en dank: wie niet looft, leeft niet ten volle.
Liturgie is iets voor “Jan en alleman”: geen kerkewerk, maar volks-werk
Deze bestemming is niet overdraagbaar. Er is niemand, geen Kerk of clerus, die de roeping tot lofprijzing van ons kan overnemen. Wel kan de Kerk als voorhoede van het volk tijdelijk de honneurs waarnemen zoals ouders dankzegging doen voor hun nog onmondige kinderen. Maar zodra de samenleving mondig is, met eigen mond Gods lof kan zingen, zelfstandig kan staan voor God, moet de Kerk terugtreden en zich beperken tot haar originele en eigenlijke roeping: het verkondigen van de Vrijspraak. Kerk zijn is “kerux” zijn, heraut van de Bevrijding (Jeshu`ah), opdat de weg vrij komt voor de heiliging van het alledaagse, voor de “liturgie des levens”. Liturgie is niet zozeer kerkewerk, maar letterlijk volks-werk1. De publieke eredienst is een zaak van het “publicum”, van “Jan Publiek”. Waar de kerk de publieke eredienst aan zich houdt en zich ermee vereenzelvigt, ontstaat een leegte in het midden van de samenleving die aantrekkelijk is voor negatieve krachten. Verkerkelijking van de eredienst betekent dat het mondig geworden volk aan zichzelf wordt overgelaten en prijsgegeven aan allerlei loosheden en boosheden, op wie het glas geheven wordt: “hoera voor het losse, loze, tintelloze leven!”
In achttienvoud
“Lechajim” is een meervoudsvorm. Leven is meer dan loven: er is loven én lieven, er is eer-betoon én dienst-betoon. Ook het loven zelf is meervoudig: er is een eren met vreugde én met vrees, er is eredienst in de hemel én op de aarde, in de publieke samenleving én thuis, in getijden én maaltijden. Bovendien is er een veelheid van verhoudingen: eredienst en Kerk (verkondiging van de Bevrijding), eredienst en school, eredienst en kunst, eredienst en schepping, eredienst en vrede op aarde. In achttien paragrafen – het Hebreeuwse “chai” (leven) betekent ook het getal “achttien” – achttienvoudig wordt het lovende leven uiteengelegd en toegelicht.
De Bijbel als Kunstwerk van de Heilige Geest
Hierbij doet de Bijbel dienst als hét Bronnenboek. Volgens Joods gezegde is de Bijbel een Goddelijk Kunstwerk grootser dan de schepping der wereld: elk woord, elke letter staat op Zijn plaats. Weliswaar heeft Gods Geest gebruik gemaakt van voorhanden materiaal zoals grootmeesters in de literatuur plegen te doen: literair-analytisch bezien is het werk van Homerus en Shakespeare één grote brokkenverzameling en datzelfde kan gezegd worden van de Bijbel. Maar met geniale Meesterhand heeft Gods Geest de verschillende fragmenten bij-één en in-één geschreven tot een eenheid van een ongekende kwaliteit, van een ongeëvenaarde, ingenieuze architectuur. In de erkenning van deze architectonische eenheid ligt de sleutel tot het verstaan: het ene deel belicht het andere, de ene zin verheldert de andere, het ene woord verklaart het andere. De gouden grondregel voor Schriftuitleg is: “Schrift met Schrift vergelijken”. Principieel heeft de Bijbel geen licht van buiten nodig, geen tóe-lichting: het Woord legt zichzelf uit aan ieder die nauwlettend luistert en zich laat leiden door de Geest van het Woord2.
Dit uitgangspunt met betrekking tot de Bijbel betekent niet dat “Lechaijim” bol staat van laatste woorden die geen tegenspraak dulden. De Bijbel is dialogisch van aard en alleen dialogisch, door woord en wederwoord, geeft de Schrift zijn geheimen prijs. Onmisbaar daarbij is ook het weerwoord van de andersdenkende, de buitenstaander, de “vreemdeling”: niet alleen omdat gelovigen geen monopolie hebben op Schriftuitleg – de Geest waait waarheen Hij wil – maar vooral omdat geen spraak zo verhelderend werkt als tegenspraak.
Drie redenen om ons te oriënteren aan het Jodendom
Behalve een uniek Bronnenboek hanteert “Lechaijim” een uniek oriëntatie-model: de Joodse levensstijl. Waarom? Waarom ons niet opnieuw oriënteren aan de oude, Grieks-Romeinse cultuur die onze Europese en wereldsamenleving voor een belangrijk deel gestructureerd heeft? Of waarom geen poging gedaan om de eigen, oud-volkse vormen te restaureren?
De keuze voor het Joodse model heeft een historische, inhoudelijke en praktische reden.
Historisch is het ontegenzeggelijk dat het Christendom rechtstreeks voortgekomen is uit het Jodendom. Het is wel sterk beïnvloed door Griekse, Romeinse, Germaanse en andere volkse of heidense culturen, maar de wortel is Joods, Hebreeuws: het Christendom is uit het Jodendom “geboren” als Eva uit Adam.
Inhoudelijk heeft het Jodendom voorkeur, omdat het de oudste en tot dusver enige gestalte is van een samen-loving, van een volop mondige samenleving, van een “liturgie des levens”. De Joodse “way of life” kent geen hiërarchische elite, wel bijzondere begeleiders, de “kohanim”, maar geen aparte kaste van geestelijken die de dienst uitmaken: vader en moeder zijn “priesters” aan de huistafel, ontsteken de sabbatskaarsen, doen dankzegging over brood en wijn, gaan voor in de gebeden en leggen hun kinderen zegenend de handen op. In de publieke eredienst mag een dertienjarige jongere al voorgaan in de lezingen en lofzeggingen.
Bovendien biedt het Jodendom ons een geïntegreerde levensstijl waarbij de dienst aan de Ander, de ander en het andere wezenlijk verbonden zijn, verweven tot één levenspatroon. Er is geen apart religieus gebied, afgezonderd van de rest: de sabbat bijvoorbeeld is zowel een godsdienstige als een sociale dag en tegelijk ook dé dag waarop men vreugde ervaart over de schepping. Als een koord van drie draden, blauw, geel en groen, zijn de lof aan God, het liefdebetoon aan medemens en de zorg voor het medeschepsel vervlochten tot één levens-liturgie.
Dan is er nog een praktische reden. Als een samenleving gaat ontwortelen, losraakt van haar grondslagen, zoals eertijds de Grieks-Romeinse, is een restauratie-poging op dezelfde basis zo goed als uitzichtloos3. Tevergeefs hebben in de oudheid priesters, filosofen en keizers gepleit voor herstel van de oude, heidense fundamenten. Het in verval geraakte Europa kon alleen herleven door de impuls van het jonge Christendom. Nu het gekerstende Europa op zijn beurt vervreemdt van zijn Christelijke wortels – een proces dat al bij de Renaissance is ingezet – zijn alle fanatieke pogingen van pausen, priesters, predikanten of politici om de oude grondslagen te herstellen evenzeer uitzichtloos. Een nieuwe injectie is nodig, en die wordt ons Godzijdank aangereikt vanuit Jeruzalem, vanuit een hernieuwd, springlevend Jodendom. Tot dusver heeft het Jodendom, dat zich in het gekerstende Europa ondanks alle kerkelijke vijandschap en vervolging heeft kunnen handhaven, wel ondergronds of zijdelings de Europese “way of life” beïnvloed, maar als cultuurvormende factor is het steeds genegeerd of uitdrukkelijk afgewezen.
Oriënteren is niet kopiëren
Oriëntatie aan het Jodendom betekent overigens geen slaafse navolging4. Zoals Eva geen kopie is van Adam, zal het Christendom geen verlengstuk kunnen zijn van het Jodendom. De Joodse levensstijl is geen blauwdruk voor de Christelijke. Beiden Joden en Christenen zijn (hebben te zijn) elk op eigen wijze een gestalte van de dienst aan Israëls God. En als twee unieke gestalten, als “Adam en Eva”, zijn die twee bestemd om één te zijn, in een eenheid waarbij de eigen identiteit niet verloren gaat, maar in de ontmoeting juist wordt versterkt.
Kenmerkend voor de éne Joods-Christelijke levensstijl zijn met name twee structuren: a. de publieke getijden: dagelijks, wekelijks en in de loop van het jaar worden stukjes tijd apart gezet, geheiligd om heel de tijd te heiligen, te verbinden met de Heilige Israëls; b. de huiselijke maaltijden: de eredienst van Israëls God is ondenkbaar zonder de vele vieringen rond de huistafel, dagelijks en vooral in het weekend en op de hoogtijdagen.
Een utopie?
Een voor de hand liggende vraag is of het pleidooi voor zo’n radicale hervorming van onze samenleving tot samen-loving niet onrealistisch is. Is een herinvoering van de Bijbelse getijden en een herwaardering van de dagelijkse en feestelijke maaltijden geen utopie?
Wat is realistisch? Wat utopisch? Is realistisch wat ligt in de lijn van het redelijke denken of van de publieke opinie? Is realistisch wat aansluit bij de “onweerstaanbare” ontwikkelingen in Kerk en samenleving? Of is realistisch wat spoort met het Program van Israëls God dat zich onweerstaanbaar gaat verwerkelijken, realiseren. Een realisering die zich doorgaans voltrekt volgens de wet van de graankorrel, van het afsterven en het opnieuw, verrijkt, verrijzen.
Het afsterven van de Bijbelse levensstijl is een niet te miskennen feit in onze moderne wereld. De getijdenstructuur, het ritme van de dagelijkse getijden dat eeuwenlang het gekerstende, met name Katholieke, Lutherse en Anglicaanse Europa gestempeld5 heeft, is bijna geheel afgebroken. In de vorige eeuw, vooral na 1945, zijn de restanten ervan in versneld tempo vernield: van de veertien getijden, tweemaal daags, is goeddeels nog één over, de Zondagmorgendienst en zelfs die staat sterk op de tocht van het snel veranderend levenspatroon in onze oververstedelijkte, “Babylonische” samenleving. Datzelfde geldt voor de liturgie van de maaltijd, die eeuwenlang kenmerkend was voor de reformatorisch levensstijl. Noordmans treurt terecht over dit verlies van reformatorische bezit aan liturgie: “nooit in de historie was de huiselijke sfeer zozeer verinnigd en geheiligd en (werd) het Woord van God zo priesterlijk door den huisvader bediend, (hebben) de psalmen zo sacraal binnen de muren van iedere woning geklonken en hun echo’s gehad in de diepste schuilhoeken van ieders hart, als juist toen6.
Jeruzalem als “topos”, als startplaats
Zichtbaar voor aller ogen is echter niet alleen een proces van afsterven, er is onmiskenbaar ook een vernieuwingsbeweging gaande. Juist in onze eeuw, vooral na 1945, na de terugkeer van een groot deel van het Joodse volk naar Zion, zijn wij de oog- en oor-getuigen van een “opstanding”: de herrijzenis van een Bijbelse levensstijl in het midden der wereld die een uitstraling heeft naar nagenoeg alle Joodse gemeenschappen in alle continenten. Niet alleen bejaarden, scholieren en studenten, ook talloze werkenden in Israël en “all over the world” nemen dagelijks deel aan het morgen- en avond-gebed. Vooral in Jeruzalem is de lof niet van de lucht. Als wereldwijd ongeveer een derde deel van het Joodse volk in die zin praktiserend is, betekent dit dat dagelijks zo’n zes miljoen Joodse medegelovigen (vrouwen en kinderen meegeteld) betrokken zijn bij de getijdediensten en de daarmee nauw verbonden vieringen aan de huistafel7. Is het onrealistisch om als verwarde, verwereldlijkte Christenen aan het eind van deze dramatische 20e eeuw ons aan te sluiten bij deze “6 miljoen”? Het woord “utopie” (van “ou-topos”) betekent letterlijk: “een plan waarvoor geen plaats is”. Voor de vernieuwing van de wereldsamenleving tot samen-loving is Jeruzalem de “topos”, de uitverkoren start-plaats.
“Ieder onder zijn eigen wijnstok en vijgeboom”
In “Lechaijim” wordt ook zijdelings een pleidooi gevoerd voor de uittocht uit “Babylon”, uit onze oververstedelijkte, vertechniseerde massa-maatschappij met zijn verwarring en vereenzaming, zijn zinloosheid en tintelloosheid, zijn vuil en zijn gif, en wordt gepleit voor de terugkeer naar het “Beloofde Land”, naar een kleinschalige agrarisch-ambachtelijke samenleving. Evenmin “realistisch”? Maar wat is het reële alternatief? Wat is het realistische perspectief van onze moderne steeds meer verstedelijkende en vertechniserende samenleving? Nog nooit in geen periode van de menselijke geschiedenis was er zoveel ellende als juist in onze wetenschappelijk en technisch hoogstontwikkelde twintigste eeuw. Nooit waren er zoveel oorlogsslachtoffers, soldaten en burgers. Nooit was er zo’n technisch bijna perfecte vorm van genocide: de moord op 6 miljoen Joden slaat alle Egyptische, Babylonische, Hellenistische, Romeinse, Middeleeuwse en na-Middeleeuwse records. Nooit stierven er zovelen door honger, armoede of welvaartsziekten. Nooit waren er zoveel vluchtelingen, zoveel werklozen. Nooit was er zoveel vereenzaming en vervreemding. Nooit waren aarde, lucht en water zo vervuild, vergiftigd en mogelijk onherstelbaar beschadigd.
Als we na het mislukken van de socialistische droom geen andere uitweg zien dan een opnieuw opgeklopt liberalisme waarvan de afloop voorspelbaar lijkt – nog meer armoede, nog meer vervuiling, nog meer ziektes, nog meer vervreemding, nog meer ontmenselijking, nog meer bloedvergieten, nog meer werkloosheid en zinloosheid – is het dan onrealistisch om eindelijk, na twintig eeuwen van mislukt experimenteren, ons te gaan oriënteren aan het nog nooit (buiten Israël)8 uitgeprobeerde unieke Bijbelse program voor het herverdelen van de aarde en het herordenen van de volken rond Jeruzalem? Mij dunkt, er is weinig reden voor hoongelach als deze gedachtenbundel een denk-dronk uitbrengt op de goedheid van het leven met Israëls God waarbij ieder tot zijn recht komt “onder eigen wijnstok en vijgeboom”: “Lechaijim!”
Er is eerder reden om te schamperen over de schipbreuk van ons modern vooruitgangsgeloof, over de verschrikkelijke duisternis in onze verlichte eeuw, over de ruïnes die we aangericht hebben met onze idealen en grote verhalen over de maakbaarheid van de samenleving. Deze ruïnes restaureren (“onze wereld niet maakbaar? wat een onzin!”) is even kortzichtig en uitzichtloos als de restauratie van het ontkerstende Europa en de vervallen Christelijke cultuur. Beide pogingen zullen – zeker in combinatie, in een neo-Romeins-Hellenistisch streven naar één wereld met één cultuur en onder één oppergezag – leiden tot uitingen van fel fanatisme en onverdraagzaamheid met name tegenover hen die weerloos blijven geloven in het Program van Israëls God dat geweldloos zich baan breekt door lofzang en liefdebetoon: Hij troont op onze lof en Hij verschijnt in onze zorg voor medemens en medeschepsel.
1. “Leitourgia” is een samenvoeging van “leitos” (volks) en “ergon” (werk). In het oude Griekenland duidde het woord “leitourgia” op het “het verrichten van belangeloos, onbetaald, werk vóór (ten behoeve van) het volk”. In de Septuagint, de Griekse en Levieten die de liturgie verrichten (Num. 8:22,25), handelen niet alleen vóór Israël, maar doen ook dienst als voortrekkers of eerstelingen ván Israël: want heel het volk is een “volk van priesters”, geroepen tot de dienst aan Israëls God (Ex. 19:6).
In het moderne Grieks – zoals ook al in het Hellenistische Grieks van de Evangeliën en de Apostolische Brieven – heeft “leitourgia” dezelfde veel omvattende betekenis als ons woord “dienst” dat gebruikt wordt voor kerk-”dienst”, medische “dienst”, vrienden-”dienst”, vuilnisophaal-”dienst”: op de wagens van de gemeentereiniging in Athene staat het woord “leitourgia” en de openingstijden van het postkantoor heten “ores leitourgikoi”: “liturgische uren”.
In onze taal, in de lijn van de Septuagint, heeft “liturgie” de minder omvattende betekenis van “ere-dienst” of “Godsverering”, duidelijk te onderscheiden van de dienst aan de medemens en het medeschepsel. In die beperkte betekenis wordt het ook in “Lechajim” gebruikt, hoewel betrekkelijk sporadisch: voorkeur geniet het unieke Nederlandse woord “eredienst” dat zowel de verbinding als het onderscheid aangeeft tussen de dienst aan God en de dienst aan Zijn mensen en Zijn wereld.
2. Dat de Bijbel Gods Kunstwerk is, is niet met wetenschappelijke methodes of technieken te verifiëren. De Goddelijkheid van de Schrift is niet waar te némen, wel waar te krijgen door een innerlijke ontvankelijkheid. In feite geldt dit van al Gods kunstwerken in schepping en geschiedenis: alleen met een ontvankelijk oog en oor krijgen we de werkelijkheid wáár. Het wezen van de dingen onttrekt zich aan ons wetenschappelijk, objectiverend oog: hoe afstandelijker we kijken, hoe minder we zien. We kunnen pas goed kijken, nadát we gezíen hebben, we kunnen alleen de werkelijkheid waar-némen, als we die waar-gekrégen hebben.
3. De sociaal-psycholoog G.C. Homans stelt, dat een samenleving in ontbinding altijd anti-stoffen kweekt die meestal een religieuze vorm aannemen: “The reaction often takes a religious form”. Deze religie is echter nooit de religie van de bestaande beschaving: “… never the religion of the civilisation itself. If men have not found a society satisfying, they will not find its belief satisfying either” (“The human group”, 457 e.v.)
4. Ons oriënteren aan het Jodendom wil vooral zeggen, dat we met ontbrilde ogen en ontpropte oren de Bijbel opnieuw gaan lezen en beluisteren en ons als nooit te voren laten aanspreken door de Thora van Israëls God, door Zijn Wegwijzer voor leven en samenleven.
5. De Calvinistische landen kennen nauwelijks nog een getijdenstructuur: alle accent kwam te liggen op de Zondagse diensten én op de dagelijkse, huiselijke vieringen rond de maaltijd. Alleen in Hongarije heeft zich naast de kerkdiensten op Zondag een vorm van het dagelijkse morgengebed kunnen handhaven tot op vandaag.