Iemand heeft eens gezegd: ‘Het Hebreeuwse woord עשה ásáh: maken, creëren, behoort tot de ‘populairste’ Bijbelwoorden. ‘Populair’ is niet het goede woord, maar de bedoeling is duidelijk: het woord ‘ásáh komt ‘talloze’ keren voor in de Bijbel. Ook dat is niet helemaal correct gezegd, want het is niet ‘talloos’.
De ‘Concordantsiáh Chadásháh’ (uitgave van Qirjat- Sefer te Jeruzalem) telt 2627 keer! Dat is net iets meer dan het getal dat staat voor het woord ‘elohim’ (één van Gods Namen): 2603. Maar het haalt het nog niet bij het veelzeggende werkwoord היה hájáh geschieden, aanwezig zijn, dat 3549 keer dienst doet! Maar het aller ‘geliefdste’ (beter dan ‘populairste’) en het meest indrukwekkende en meest sprekende Bijbelwoord is de GodsNaam zelf, Die een vervoeging is van het zojuist genoemde werkwoord היה (heh jod heh) hájáh. Een lange naam, die samengevat is in de initialen J.H.W.H. Deze geladen en betekenisvolle NAAM die in de genoemde concordantie eerbiedig wordt aangeduid met tweemaal een Jod יי haalt het getal: 6639. Zegge en schrijven: Zes Duizend en Zes Honderd Negen en Dertig keer komt Israëls God, komt de boodschap van Zijn Naam, in de Hebreeuwse Bijbel ter sprake: ‘Ik ben met U en zal met U zijn zoals Ik bij Mijn volk was: Ik heb hen bevrijd, geheiligd, hun zonden op Mij genomen en weggedragen (Leviticus 16:21, Micha 7: 18-20, zie ook Johannes 1:29).
Vindplaatsen
De eerste keer dat de NAAM ter sprake komt is in Genesis 2 vers 4 waar de NAAM het onderwerp is van het werkwoord עשה (ajin sin he)‘ásáh: ‘Ten tijde dat de HERE schiep’. Dat maakt meteen duidelijk dat ‘ásáh meer betekent dan domweg iets namaken of nadoen: het gaat om het creëren van iets nieuws, vanuit een nieuw ontwerp, een nieuw design.
Het werkwoord ‘ásáh zelf kwam al eerder voor maar dan met Elohim/God als onderwerp: in Genesis 1 al verschillende keren. God schept het firmament (Gen.1: 7), Hij creëert de mens (1: 26), Hij ontwerpt de unieke verschijning van de vrouw Eva (Gen.2: 18). In Gen. 6: 4 staat dat Noach de ark maakte, volgens een creatief ontwerp dat hem van Godswege was aangereikt (Gen. 6: 14-16).
Hetzelfde gebeurde met de kunstenaar Bezaleël en zijn medewerkers: zij knutselden niet zelf iets in elkaar, maar kregen een origineel ontwerp voor de opbouw van de Tabernakel en voor alle onderdelen, zoals de kandelaar en de verbondsark ( Exodus 36 e.v. ).
Het woord ‘ásáh wordt ook gebruikt in Exodus 32: 1-4 waar het volk vraagt om een zichtbare ‘god:’ Aäron creëert uit de gouden sieraden een gegoten kalf.
Hebreeuwse woordverbanden met`ásáh
Er is woordverband tussen `ásáh עשה en עשב (ayin sin beth), ‘ésebh: gewas, voedergras dat God uit de aarde schept, doet voortkomen (Genesis 1:11). Ook tussen עשה ‘ásáh en עשו (ayin sin wav) ‘ésav: Ezau, de ‘doener’, de drijver, de jager. En tussen עשה ‘ásáh en עשר (ayin sin resh) ‘ásar: de tienden geven, ‘vertienen’ (Deut. 14:22), Een merkwaardig verband is er daarnaast tussen עשר ‘ásar (met een Sin): de tienden geven, ‘vertienen’ en אשר `áshar (met een Shin): rijk zijn. Of anders gezegd: er is samenhang tussen vertienen en verdienen.
De letter Ajin ע ,‘70’ (= het getal van de veelheid: de 70 volken; de 70-jarige, langdurige ballingschap) kan duiden op het veelvuldig gebruik van dit werkwoord in de Bijbel, maar ook op de onnoemlijk vele zegeningen die Israëls God verbindt aan het doen, het ten uitvoer brengen van Zijn Richtlijnen voor het ordenen van de tijd en het aardse bezit. Bovendien geeft de letter Ajin ע ‘oog,’ het oog van de ziener – ook ‘zicht’ op de oordelen Gods en de mateloze ellende als gevolg van de dienst aan de afgoden (zie Exodus 32:26-35).
De Hé’ ה, de letter van het Licht van Bovenaf, sluit hierop aan. De letter Teth ט in het midden – waarvan het woord שטן ( sin teth sluitnun) sátán: tegenstander – zou kunnen doelen op de satanische verleiding die ons steeds bedreigt bij al ons creatieve bezig zijn (zie verderop bij de beantwoording van de vraag over het gevaar van de kunstbeoefening).
Woordstudie over פסל (pe samekh lamed) pesel: afgodsbeeld. Het woord פסל pesel hangt samen uit met het werkwoord פסל pásal: uithouwen. פסל pesel heeft in de Bijbel een negatieve klank: Israël wordt voortdurend gewaarschuwd om geen afgodsbeelden te maken. Toen de Grieks-Syrische Epiphanes het Tempelplein veroverde in de 2e eeuw v. Chr. werden er afgodsbeelden op die Plek neergezet en slachtte men er zwijnen. Het woord pesel komt 31 keer voor en steeds in deze negatieve context. Merkwaardig dat het werkwoord פסל pásal: uithouwen, overwegend positief gebruikt wordt, in de dienst van Israëls God. De eerste keer staat het in Exodus 34:1, waar God aan Mozes de opdracht geeft opnieuw stenen platen uit te houwen waarop Hij de Tien Woorden kan graveren. Ook in 1 Koningen 5:18 staat dit werkwoord in dienst van Israëls God: de bouwlieden van Hiram en Salomo waren bezig bomen te kappen en stenen uit te houwen en te bewerken zodat deze pasklaar waren voor de bouw van de tempel. Alleen in Habakuk 2:18 gaat het over het uithouwen van afgodsbeelden.
De letters zelf werpen nauwelijks enig licht op de basisbetekenis: de Pe’ (mond) doet denken aan het gezegde in Psalm 115 vers 5: ‘zij hebben een mond maar spreken niet’.
Woordverbanden
Er is woordverband tussen פסל pesel en פסח pesach (2 letters zijn gelijk en volgens de Hebreeuwse taaltraditie wijst dat meestal op samenhang). Pesach is het offerlam dat ‘spreekt’ van Gods bevrijdend handelen. Het paaslam is geen afgodsbeeld waarmee men op eigen kracht de godheid naar zich toehaalt, maar een door God gegeven symbool waarin Zijn vergevende, sparende Liefde op ons toekomt: ‘Zie het Lam Gods dat de zonden der wereld wegdraagt’ (Johannes 1:29).
Er is ook woordverband met פסה (pe samekh he) pisáh: overvloed, פסה בר pisáh bar (beth resh): overvloed van koren Psalm 72: 16.
Woordstudie over תמונה (taw mem waw nun he) ‘têmúnáh: afbeelding, gelijkenis
Israël mag geen beeld maken dat God, de Schepper moet voorstellen en zich daarvoor neerbuigen, maar ook geen afbeelding van iets in de schepping.
Eerst iets over het verschil tussen een afgodsbeeld, pesel en een afbeelding of gelijkenis têmunah.
Een pesel is vooral ook een eigen creatie: men maakt van God, de Schepper een eigen voorstelling. Een têmunáh is geen afbeelding van God Zelf maar van iets in Gods schepping, iets wat gelijkenis vertoont met wat Hij gemaakt heeft: een vogel, een stierkalf etc.
Nog een ander merkwaardig verschil is dat têmúnáh – in tegenstelling tot pesel – dat alleen negatief gebruikt wordt – in de Bijbel ook een zeer positieve klank heeft en direct naar God Zelf verwijst. In Numeri 12:8 staat dat Mozes in de unieke positie verkeert dat hij rechtstreeks spreekt met God, van mond tot mond, en daarbij ook Zijn têmúnáh (gestalte) aanschouwt.
Woordverbanden
Het Hebreeuwse woord תמונה ‘têmúnáh/afbeelding kan samenhangen met מין (mem jod sluitnun) mín: soort; een ‘afbeelding’ is een ‘soortgenoot’, een gelijkenis. Er kan ook woordsamenhang zijn met מומה (mem waw mem he) mêúmah: ‘iets’ of ‘niets’, een afbeelding is wel ‘iets’, maar in vergelijking met het origineel is het eigenlijk ‘niets’. Onze moderne beeldcultuur (van foto’s, films en televisie) stelt wel ‘iets’ voor, maar in verhouding tot de ware werkelijkheid is het eigenlijk ‘niets’. Woorden hebben waarde in zichzelf, ook als ze afgebeeld worden in tekens, het geschreven woord.
Interessant is het woordverband tussen תמונה ‘têmúnáh: afbeeldig, gelijkenis en אמונה (aleph mem waw nun he) êmúnáh: trouw, vastheid, onbeweeglijkheid. Wat is het verband tussen ‘afbeelding’ of ‘gelijkenis’ en ‘trouw’ of ‘onbeweeglijkheid?’ Er is wel een verband te leggen tussen de Godsgestalte (têmúnáh) Die Mozes aanschouwde (Num. 12:8) en de onwankelbare trouw van God aan Zijn volk en via hen aan Zijn mensheid. Maar ligt er niet ook een bepaalde verbinding tussen ‘afbeelding’ en ‘onbeweeglijkheid’ of ‘vastheid’. Onze werkelijkheid is dynamisch, elk nieuw moment is alles weer anders (‘panta rei’: alles is stromend, bewegelijk), maar een foto, een afbeelding van deze dynamische werkelijkheid legt iets vast. Ook in dit opzicht zijn woorden anders dan beelden: een woord is in zichzelf een ‘bewegelijk wezen’. Met name geldt dat voor de dynamische Hebreeuwse Bijbelwoorden die onuitputtelijk zijn: zelfs een veelheid van vertaalwoorden lukt het niet om ze uit te putten.
Synoniemen van têmunah: tselem en demuth.
In Genesis 1 vers 26 zegt God: Laat ons een mens creëren in (of mét) ons (schaduw)beeld (tselem), als een afbeelding of gelijkenis (demút) van Ons Zelf. Hier staan niet de woorden pesel (de mens is geen star afgodsbeeld) en têmúnah (wat wel voor God Zelf gebruikt wordt, Num.12:8), maar hier staat צלם (tsadeh lamed sluitmem) tselem, wat in het vervolg ook nog wordt herhaald. In צלם schuilt צל (tsadeh lamed) tsél: schaduw. Een schaduw is een heel bijzondere afbeelding, niet star en onbeweeglijk, maar dynamisch en wisselend.
In het andere woord דמות (daleth mem waw taw) dêmúth dat afgeleid is van het werkwoord דמה (daleth mem he) damáh: ‘lijken op’ of gelijkenis vertonen’ met,’ zit ook een zekere speelruimte. Een dêmúth is geen starre afbeelding, maar lijkt sprekend op het origineel, en toch is het ook niet hetzelfde.