Wat is de originele Bijbelse regel voor het eten van vlees? Het is niet geheel duidelijk, maar de stelling lijkt niet onaannemelijk dat vanaf Abel, de eerste brandofferaar, de oerregel is geweest: alleen vlees aan de vredeoffermaaltijd. Bij een vredeoffer werd, zoals bij de brandoffers, bloed gesprenkeld rond het altaar, maar het offerdier (van rundvee of kleinvee) werd niet op het altaar verbrand. Integendeel: nadat een groot gedeelte van het beste vlees aan de priesters was gegeven, werd het overige door de offeraar zelf genuttigd in de kring van familie, vrienden en kennissen aan een feestelijke maaltijd, waarin de vrede, de heelheid van de relatie met God en met elkaar gevierd werd.
De bloedsprenging vooraf was wezenlijk onderdeel: het symboliseert de genade van God, Die in plaats van ons schuldige bloed het bloed aanvaardt van het onschuldige offerdier. Voor de slachting moest de offeraar dan ook zijn hand op de kop van het offerdier leggen, waarmee hij zich vereenzelvigde met het offerdier en zichtbaar de belijdenis uitsprak: ik heb geen recht op vrede met God, maar dit offerdier neemt mijn plaats in net als het offerdier op de berg Moria voor Isaäk, en dank zij deze verrassende genade Gods mag ik nu de vrede met Hem vieren in een vreugdevolle maaltijd. Voordat Jeruzalem het liturgisch middelpunt was, konden deze offermaaltijden nog gehouden worden in de eigen woonplaats (al of niet met medewerking van de profeet/Godsgezant): Saul hield deze maaltijden in zijn paleis, de vader van David, Isai, in zijn woonplaats Bethlehem. Maar na de bouw van het Heiligdom in Jeruzalem werden deze maaltijden daar geconcentreerd.
Waarom is het aannemelijk dat ook Abel behalve de brandoffers van de eerstelingen, ook al vredeoffermaaltijden hield? Omdat hij er blijk van gaf de kern van de Torah te kennen; immers hij offerde van de eerstelingen van zijn vee, volgens de grondwet van de Torah: alles min één, van alle bomen mag u eten, behalve van één. In deze leefregel die God rechtstreeks aan vader Adam had meegegeven en die deze logischerwijs later ook aan zijn zonen zal hebben doorgegeven, zat als in een knop heel de Torah: alles staat ons ter beschikking, behalve één, behalve één tiende, behalve de eerstelingen; die zijn voor God en Zijn dienst. Kaïn stoorde zich niet aan deze kernregel, hij gaf wat hem zelf goed dacht en daardoor had God geen welgevallen aan Kaïns offer. Maar Abel leefde nauwgezet: hij gaf God de Hem toekomende eerstelingen. Het is aannemelijk dat Abel – mede door zijn nauwe contact met Adam – een diep inzicht had in heel de Torah zoals die later aan Mozes bekend gemaakt is, en dat hij dus ook kennis had omtrent de vredemaaltijden en het daarbij horende fijnzinnige en verootmoedigende ritueel van de bloedsprenging. Het is ook aannemelijk, dat Kaïn en zijn nageslacht tot aan de zondvloed ‘geen boodschap’ had aan deze Goddelijke instructies betreffende de vleesconsumptie: zij aten wat hun zelf goed dacht, zonder respect voor God, maar ook zonder respect voor het dier als schepsel Gods. De cultuur van vóór de zondvloed was gewelddadig, bloeddorstig: in plaats van het bloedsprengingsritueel, beoefende men wellicht, zoals ook in het latere heidendom, het ritueel van het drinken van dierenbloed en het nuttigen van levend vlees. Na de zondvloed verbood God niet radicaal alle vleesconsumptie. Waarom niet? Omdat het water van de zondvloed wel lichamelijk gezien de aarde had gereinigd, maar nog niet de menselijke ziel: ook de kinderen van Noach waren mede door de ruwe bloeddorstige cultuur beschadigd. Daarom ging God ‘pedagogisch’ te werk door enerzijds toegeeflijk te zijn, maar door anderzijds duidelijk paal en perk te stellen aan deze ruwe, bloeddorstige cultuur: men mocht nog wel alle vlees eten – ‘al wat leeft’ -, maar geen vlees met bloed. Merkwaardig dat de eerste handeling van Noach op de vernieuwde aarde was het offeren van brandoffers, net als Abel.
Toen Israël later bij de Sinai uitdrukkelijke aanwijzingen kreeg over het dierenoffer en de vredeoffermaaltijd, is er weer sprake van dezelfde pedagogie maar dit keer is het strenger. Niet meteen werd radicaal alle andere vormen van vleesconsumptie verboden, want men mocht naast de offermaaltijden in Jeruzalem thuis in hun eigen woonplaats vlees eten zoveel men wilde, maar wel weer met een nieuwe, strikte beperking: niet alleen geen vlees met bloed, maar ook geen vlees van onreine dieren. Het gegeven dat Noach al wist wat reine- en onreine dieren waren suggereert dat deze voor de wetgeving op de Sinai waarschijnlijk ook niet gegeten werden. Mozes kreeg uitdrukkelijke, gedetailleerde spijswetten (Deut. 14). Men kan deze toestemming zien als opnieuw een concessie, als een toegeeflijkheid of aanpassing aan de hardnekkige volkse vlees-lust, die stamt uit het oude heidendom en die niet in één slag uit te roeien is. De teneur van de nieuwe wetgeving is: hoewel vlees eten niet direct in alle opzichten afkeurenswaardig is, past het toch eigenlijk niet bij het Godsvolk. Zoals ook echtscheiding niet past bij de kinderen Gods maar ‘ter wille van de hardheid der harten heeft Mozes het toegestaan’. Tegelijk betekenen deze spijswetten een enorme beperking van de vleesconsumptie: de vleeslust wordt er door getemperd, geremd. Men kan niet zomaar naar hartelust eten wat opgediend wordt, maar men moet zich steeds afvragen: kan ik dit wel eten? Het strikt houden van de speciale spijswetten is een oefening in zelfbeheersing en een stap in de richting van het oerBijbelse consumptiepatroon uit de dagen van Abel: alleen vlees van de offermaaltijd.
Een goede gewoonte in het Jodendom en eveneens een goede oefening is het om met Shabhú’ oth (Wekenfeest/Pinksteren) geen vleesspijzen te eten. Een andere veel ingrijpender Joodse oefening is de kosjere keuken met de strenge scheiding tussen melk en vleesspijzen. Deze scheiding ontleent men aan Deut. 14: 21, een merkwaardig op zichzelf staande tekst, die vrijwel onmiddellijk volgt op de voorschriften over welke dieren men wel en welke men niet mag eten: ‘gij zult het bokje niet koken in de melk van de moeder’. Hoewel men de vraag kan stellen of het exegetisch gezien wel terecht is om uit dit ene gezegde zo’n ‘berg’ aan praktische regels af te leiden, is het praktische effect van deze uitleg een voortdurende oefening in zelfbeheersing en een stap in de richting van de oerBijbelse regel: alleen vlees bij vredeoffermaaltijden… Bovendien is het medisch gezien zeer gezond om vlees van melkproducten te scheiden; in Israël kennen we vrijwel geen bloedarmoede en dat komt door het houden van deze regel. Het ijzer van het vlees wordt veel beter door het lichaam opgenomen als er geen melkproduct bij gegeten of gedronken wordt. Dat weten we dan ook weer.