In 1618 werd door de Staten-Generaal de Bijbel voor het eerst vanuit het Hebreeuws vertaald naar onze Nederlandse taal. Voor die tijd was, vanaf de reformatie, alleen de Lutherse vertaling beschikbaar. Deze vertaling was uiteraard in het Duits. Het vertalen van de Bijbel in het Nederlands bracht niet alleen Gods Woord dichter naar het Nederlandse volk, het betekende een revolutionaire verandering in de kerkgeschiedenis: voor het eerst waren ‘kerkgangers’ in staat om Gods Woord in hun eigen taal te lezen én te begrijpen.
Deze stap is overigens geheel overeenkomstig Joodse traditie: Het was Rabbi Gamaliël, de leermeester van de apostel Paulus, die de vraag positief beantwoordde of het wettelijk was toegestaan om de Torah te vertalen. Om zijn antwoord te beargumenteren verwees hij naar Genesis 9 vers 27: ‘God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten…’ Rabbi Gamaliël leidde hieruit af dat de ‘woorden van Sem’ weergegeven mogen worden in de ‘talen van Japheth’, waarbij Sem traditioneel wordt gezien als de voorouder van Israël en Japheth als voorouder van de Grieken (Jawan). Historisch gezien kwam deze vraag aan de orde vanwege de Griekse vertaling van de Tenach, die later bekend werd als de Septuaginta.
De vraag die we ons moeten stellen, na bijna een halve eeuw toegang tot Gods Woord in onze eigen taal, is of dit de enige stap is? Na het uitkomen van de Statenvertaling hebben verschillende Nederlandse vertalingen het levenslicht gezien. Tegenwoordig is de Bijbel zelfs te lezen in ‘ordinaire’ straattaal (De StraatBijbel). De voordelen dat iedereen de mogelijkheid heeft om Gods Woord kunnen lezen, zijn natuurlijk enorm groot. Dagelijks kan iedere gelovige zich zomaar verdiepen in de Bijbel, zonder tussenkomst van een geleerde tussenpersoon. Helaas heeft deze ontwikkeling uiteindelijk niet geleid tot het loslaten van het oude patroon waarbij slechts een ‘geleerde’ persoon de Bijbel interpreteert en uitleg geeft aan de andere gelovigen. Dit passieve systeem houdt de verhouding in stand waarbij de gelovige luistert naar de ‘voorganger’ en de Bijbel alleen gebruikt voor teksten in persoonlijke situaties. De eerste beginstap is het toegankelijk maken van Gods Woord, maar de cruciale eindstap is het mondig worden van de gelovigen. De achterliggende gedachte bij dit mondig worden is een belangrijk principe: ‘Hoe dichter bij de Bron, hoe zuiverder het water.’ Dit betekent dat de Brontaal onlosmakelijk verbonden is aan het mondig worden in Gods Woord. Een standaard gezegde voor een ieder die zich de Bijbelse brontaal eigen maakt is: ‘Elke vertaling is een verschraling.’
De Rabbijnen geven aan hoe liefelijk de (Bron)taal van de Torah is. Hierbij wordt verwezen naar de tekst: ‘Zachtheid van tong is een boom des levens’ (Spreuken 15:4), waarbij de boom des levens een andere term is voor de Torah (Zie Spreuken 3:18 ‘Een boom des levens is zij voor wie haar aangrijpen’). Het woord zachtheid, de vertaling van marpeh, מרפה betekent ook wel genezing of (medische) behandeling. De Bijbel geeft daarmee aan dat het lezen in Gods Woord geneeskrachtige eigenschappen heeft. In het modern Hebreeuws heeft dit dezelfde betekenis, zo staat bijvoorbeeld op een ambulance: ezrah lemarpehעזרה למרפה , medische hulp. In de Joodse traditie hangt deze genezing nauw samen met het mondig worden. Deze gedachte is gebaseerd op de woorden van de Profeet Ezechiël, die een beschrijving geeft van de ‘levensbomen’ uit de Hof van Eden: ‘…elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt: hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel’ (Ezechiël 47:12). Het woord geneesmiddel: lithrufah לתרופה wordt hierbij gelezen als twee losse woorden: lehatir peh. Het werkwoord lehatir of hatar betekent in de Rabbijnse literatuur toestaan of losmaken. De woorden lehatir peh verwijzen dus naar het openen van de mond, het mondig maken. De achterliggende gedachte is dat Gods woord in de Brontaal de mond doet openen, de mens mondig maakt. Wie ‘monddood’ is gemaakt door de ‘theologische’ rangorde, kan door de Brontaal weer mondig gemaakt worden, als het ware genezen door de oorspronkelijke woorden van de Bijbel.
In de Tenach vinden we hier een prachtig voorbeeld van in het leven van Mozes. Voordat hij de Torah ontving stond het volgende over hem geschreven: ‘Toen zei Mozes tegen de Here: ‘Och Here, ik ben geen man van woorden, debharim…’ (Exodus 4:10). Nadat hij Gods Woord ontvangen had werd zijn tong ‘genezen,’ zijn mond werd geopend, waarmee het boek Deuteronomium inleidt: ‘Dit zijn de woorden, debharim, die Mozes sprak…’ Wie zich de Bijbelse Brontaal eigen maakt, komt dichterbij Gods Woorden dan via een vertaling. In onze moderne maatschappij waar iedereen mondig geworden is in alle andere aspecten van de samenleving, blijven we vaak monddood als het om de Bijbel gaat. Wordt het geen tijd om deze laatste stap van de reformatie te zetten? Niet Gods Woord naar het volk toe, maar het volk naar Gods Woord! Dit is niet alleen een noodzakelijke ontwikkeling op persoonlijk niveau, maar eveneens een profetisch vergezicht: ‘En hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalf maal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing (tot mondig wording!) van de volkeren’ (Openbaring 22:1-2).
Dr. Ruben van der Giessen