Bevrijding (Jeshu`ah)1 is voorwaarde
voor de verering van Israëls God:
zonder meer kan geen kohen voor God
(be)staan.
Ook zijn we er innerlijk niet vrij voor.
Bevrijding (Jeshu`ah) is Gods Werk alleen:
Hij ís Bevrijding in Wezen,
Hij verwerkt Zijn Toorn in Zichzelf,
verplaatst Zich in ons
en spréékt ons vrij.
Dit Verborgen Gebeuren in God,
heeft historische gestalte
gekregen in Jezus van Nazareth:
Jezus is de belichaming van Jeshu`ah.
Hij is de Liefde Gods in levende lijve.
Hij is de Vrijspraak in eigen Persoon.
Zomaar God vereren gaat niet: er is een principiële breuk
We staan tegenover Israëls God niet alleen in een afstandelijke, maar ook in een gebroken verhouding. God vereren terwijl we met Hem in conflict zijn, kan niet. Gewoon doen alsof er niets aan de hand is, maakt de verhouding nog meer stuk.
De oorzaak van onze gebroken verhouding is onge-hóór-zaamheid: in plaats van aan de Stem gehoor te geven hebben wij – Adam, wij allen – het oor geleend aan de tegenstem. We hebben geluisterd en luisteren nog naar wat het hart ons ingeeft en het verstand ons voorschrijft. We doen wat goed is in eigen ogen en ‘bevrijden’ ons van het ‘juk’ van de Thora. We willen niet dat Israëls God Koning over ons is: de ‘staander’ is een ‘óp-staander’, een rebel.
Zijn Toorn staat ons in de weg
Door deze rebellie hebben wij God diep gekrenkt, gegriefd. Wij hebben Zijn waarde aangetast waardoor Hij hevig veront-waar-digd is. Zijn Toorn is gaande gemaakt waardoor Zijn Vloekwoord over ons is uitgeroepen: ‘Gij zult de dood sterven’ (Gen. 2:17). ‘Dood’ in de eigenlijke zin van het woord wil zeggen dat God Zich van ons afgekeerd heeft, dat de Aanwezige Afwezig is, de ErZijnde er-niet-is. En waar de straling van Zijn Aanwezigheid, de Gloed van Zijn Liefde niet meer ervaren wordt, daar is het niet, de vernietigende, dodelijke leegte.
Ook zijn we innerlijk niet vrij
Behalve dat de toegang geblokkeerd is, missen we ook de innerlijke vrijheid om naar God toe te gaan. Door ons vrij te maken van Hem zijn we in wezen onvrij geworden. Door ons tegenover God te verzelfstandigen, zijn we in de greep geraakt van Zijn tegenstander, van de satanische schuldeiser, die ons dag en nacht aanklaagt (Opb. 12:10): schuld maakt onvrij. Wie zich ontworstelt aan het ‘juk’ van het Woord, vervalt in de ergste vorm van dictatuur: wie de zonde doet wordt een ‘slaaf van de zonde’ (Rom. 6:19). Gehoorgeven aan de redeneringen van de tegenstem betekent terechtkomen in het krachtenveld van de antigeest die onze gedachten en gevoelens gaat beheersen, zodat we niet meer vrij zijn voor de (ere)dienst van Israëls God. We krijgen er zelfs een afkeer van en vinden bevrediging in het tegendeel: in het ónt-eren van God en in het wán-beheer over Zijn schepping, in het ontrouw zijn aan de medemens en in het ruïneren van Zijn aarde. Er is geen macht die ons meer mishandelt dan deze satanische schuldeiser.
Bevrijding van de Vloek én van de antigeest is voorwaarde voor de verering van Israëls God: wie niet vrij is kan niet vieren.
Bevrijding (Jeshu`ah) is een verborgen Godsgebeuren, een Mysterie
Geen mens kan zichzelf bevrijden van de Toorn Gods of zich loskopen uit de greep van de schuldeiser. Onze bevrijding is uitsluitend het Werk van Israëls God: Hij is Bevrijding (Jeshu`ah) in Wezen, Zijn Naam is ‘Bevrijdend ErbijZijn’.
Deze Bevrijding (Jeshu`ah) is nietemin een Daad, een Gebeurtenis, een Verborgen Gebeuren Deze Bevrijding is nietemin een Daad, een Gebeuren in God: (‘musterio’ Ef.3:4) dat Zich, volledig buiten ons om, in God voltrokken heeft. In Hoge Eenzaamheid heeft Hij Zich bevrijd van Zijn verontwaardiging: Puur Alleen Hij heeft Zijn Toorn gestild in Zichzelf, Zijn Woede verwerkt in Zijn eigen Hart. ‘Daarna’ heeft Hij Zijn Vloekwoord (en Zijn Woord is Hij Zelf) teniet gedaan, uitgewist. Uit louter Liefde heeft Hij Zich volledig met ons vereenzelvigd, Zich in ons verplaatst, onze schuld op Zich genomen en de schuldeiser genoegdoening gegeven. En geheel uit Eigen Beweging als een Volslagen Verrassing (‘genade’ in de letterlijke zin van het woord) heeft Hij ons vrijgespróken, zodat we rechtens vrijuit kunnen gaan, gerechtvaardigd zijn.
Het Mysterie van Jeshua`ah openbaart Zich in Jehoshua
Dit Verbijsterende Geheimenis van de Bevrijding dat eeuwen lang ‘verzwegen’ is (Ef. 3:9; Coll. 1:26; 1 Cor. 2:7) verborgen gebleven in God, is aan de dag gekomen, in Jehoshua/Jezus van Nazareth: in Hem heeft God Zich Binnenste Buiten gekeerd, heeft Hij Zijn Innerlijkste Roerselen blootgelegd. In Hem is openbaar geworden wat God ten diepste beweegt en wat het diepste geheim is van schepping en geschiedenis. Waar Adam en Noach van geleefd hebben, wat de geheime kracht was van Israël bij de Uittocht en waaraan alle volken, ja zelfs alle schepselen hun voortbestaan te danken hebben, trad in Jezus te-voor-schijn, in een unieke historische gestalte. In Hem heeft de NAAM handen en voeten gekregen: Hij is de Liefde Gods in levende lijve, de Bevrijding in eigen Persoon: In Zijn verschijning verschijnt het ‘Lam’, het Wezen Gods: ‘Zie het Lam Gods’ (Joh. 1:29). Op Golgotha laat God Zich in het Hart zien. Hier zien we hoe God Zijn Toorn stilt in Zichzelf, in Zijn Zoon, hoe Hij Zijn (Vloek)-Woord (en dat is Hij Zelf) wegkruist. Hier zien we, hoe Hij Zich Zelf heeft weg-gekruist. Hier zien we hoe Hij Zich volledig met ons vereenzelvigt, Zich in ons verplaatst, onze schuld op Zich neemt en in onze gevangenschap ingaat: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” (Matt. 27:46). Op Zijn sterfdag is heel de wereld er getuige van hoe God heeft afgerekend met de schuldeiser en de basis gelegd heeft voor onze Vrijspraak: ‘Het is volbracht’. Een Vrijspraak die Hij op de derde dag publiekelijk voltrokken heeft door Jezus op te wekken uit onze dood: Pasen is onze bevrijdingsdag.
Jeshua, bevrijding, betekent verdieping van vreugde én vrees
Bevrijding is niet alleen voorwaarde voor de verering van Israëls God, het is ook een nieuwe bron van blijdschap en verwondering: hoe bestaat het dat God zó voor ons ín staat en als een Lam Zich ter slachting laat leiden (Jes.53:7; Joh.1:29). De hoogste lofzangen zijn ‘jubelzangen van bevrijding’ (Ps.32:7).
Bevrijding brengt ons bovendien tot een nieuwe ervaring van de vreze des HEREN, tot een verdiepte eerbied voor Zijn ontzagwekkende Majesteit: ‘Die eer Hij onze zonden ongestraft liet blijven, ze strafte aan Zijn eigen Zoon’ (Avondmaalsformulier).
Dat Bevrijding voorwaarde is voor viering wordt ook bevestigd in Ps. 50:15: ‘Ik zal u redden én gij zult Mij eren.’ De redding gaat vooraf aan de verering. Die orde wordt ook aangegeven in de Tien Woorden: de belofte ‘IK ben de HERE Uw God Die u bevrijd heeft’ gaat vooraf aan de opdracht tot eredienst en liefdebetoon, de twee kerngeboden waarin de Tien Woorden zijn samen te vatten. Israëls God (ere)dienen zonder Bevrijding leidt tot veruitwendiging en vervalsing: onder vrome schijn dienen we onszelf. Zonder Bevrijding is er geen ‘vrijheid van godsdienst,’ geen eredienst in ‘geest en waarheid’ (Joh.4:23).
Alle zonden op één hoop?
Het Hebreeuws kent drie woorden voor wat wij zonde noemen: pesha’ פשע (opstand-digheid, rebellie); chata’ah חטאה ( dwaling, het onbedoeld missen van het levensdoel) en `awon עון (opzettelijke misdaad). `Awon is de uiterste consequentie van onze opstandigheid: het is de omgekeerde orde, de on-gerechtig-heid, het is kwaad goed noemen en goed kwaad.
Zondigen is ook te zien als een vorm van af-zonde-ren: we zetten iets op zichzelf, we halen het uit z(Z)ijn zinvol verband – bijvoorbeeld de seksualiteit uit het verband van het huwelijk – en geven het een andere bestemming, een doel in zichzelf.