Wanneer de discipelen aan Jehoshua vragen: ‘Gaat U ook naar het Feest,’ (Johannes 7:8) dan bedoelden zij het LoofhuttenFeest. Van alle Bijbelse gedenktijden is het LoofhuttenFeest het enige feest waarbij staat dat wij echt vrolijk moeten zijn. Sukothfeest/Loofhuttenfeest is in de eerste plaats een oogstfeest. Bij het grote voorjaarsfeest van Pesach-Shawu`oth (Pasen-Pinksteren) gaat het om de vruchten die opkomen uit de aarde, om de graanoogst, om het koren voor het dagelijks brood. Bij Sukoth gaat het om de boomvruchten, die als het ware van bovenaf ons toevallen en daarbij gaat het vooral om de vrucht van de wijnstok. Sukoth is vanouds het vreugdevolle wijnoogstfeest.
Maar tegelijk is Sukoth het feest dat de herinnering levend houd aan de voltooiing van de Uittocht, aan het einde van de barre woestijntocht, en aan de Intocht in het Beloofde Land waar ze eindelijk in vrijheid mochten wonen, niet langer in schamele hutjes – in sukoth – maar in een normale behuizing, elk op eigen landgoed: ‘ieder onder eigen wijnstok en vijgenboom.’
Met Sukoth denken we ook aan de waarschuwing van Mozes en aan oproep van Jozua bij de Intocht in het Land om te kiezen voor een leven in gemeenschap met de God die hun verschenen was bij de Sinaï en te wandelen op Zijn wegen, de wegen van Zijn Onderwijzing, de Torah.
Met Shabhu`oth kan men rustig thuis of in de familiekring blijven, maar met Sukoth moeten de volken, althans hun vertegenwoordigers, op pad, op ‘alijáh naar Tsion.
De profeet Zacharia zag het al voor zijn geestesoog gebeuren. Het zal echter niet zo maar gebeuren, de volken gaan niet zonder slag of stoot op weg naar Tsion. Er gaat een Godsgericht aan vooraf over alle vijandige volken die Israël van de kaart willen vegen en daartoe gezamenlijk oprukken tegen Jeruzalem: ‘Ja, te dien dage zal er onder hen een grote door de HERE bewerkte ontsteltenis (paniek) wezen en ieder zal de hand van de ander grijpen en iedere hand zal zich tegen die van een ander verheffen’ (Zach. 14:13). Dit Godsgericht brengt wereldwijd een radicale bekering te weeg: ‘allen die zijn overgebleven van de volken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der Heerscharen, om het Sukothfeest te vieren’ (Zach.14:16).
Een geweldig perspectief: alle volken, ook oude vijanden uit het nageslacht van Ezau en Ismaël gaan zich verzoenen met Juda.
Er staan ook sancties: volken die zich niet met Israël verzoenen, niet de unieke positie van het Joodse volk erkennen en thuis blijven met Sukoth, missen niet alleen de zegen (de regen) van Israëls God, maar dan er zal ook ‘op hen komen de plaag die de volken zal treffen die niet heentrekken om het Sukothfeest te vieren’ (Zach.14:18).