‘Al tebhiénu lidej satan, we hóshiénú min hara`, min hapesha` hanachash hazákén:
Breng ons niet in het krachtenveld (letterlijk: in de handen) van de Tegenstander, de Verzoeker, maar verlos ons van de Boze, de Oude Slang, de satanische tegenkracht en van de tegenkracht in onszelf, van de rebelse geest die sinds mensenheugenis huishoudt in mensenharten. Min hapesha`, bewaar ons voor de rebellie.
God beproeft, de satan verzoekt. God regeert, de satan reageert. Beproeving is een positieve handeling, al lijkt het negatief. Het is zoals het proefwerk dat de leraar zijn leerlingen opdraagt, dat zij met tegenzin in hun agenda schrijven omdat het hun planning doorkruist. De test is voor hun bestwil bedoeld: om de leerstof te bevestigen. De beproeving bewerkt volharding (Filippenzen 2:13).
De satan daarentegen heeft negatieve bedoelingen: hij probeert ons geloof in God te ondermijnen: als je gelooft in een God Die liefde is kun je toch niet zo door Hem behandeld, mishandeld worden! Stop er maar mee, met dat kinderachtige geloof! Here Adonai, laat ons niet gemanipuleerd worden door de drogredenen van de tegenstander, maar laat ons geloof en vertrouwen in U steeds sterker worden zodat we steviger staan.