מזמור לדוד בברחו מפני אבשלום בנו
Mizmor leDavid bebharcho mipnej Abhshalom bno
Een Psalm van David, op de vlucht voor zijn zoon Absalom
Vers 2
יהוה מה-רבו צרי רבים קמים עלי
JHWH mah-rabu tsarai rabim qamim alai
Aanwezige, hoe velen benauwen mij, velen staan tegen mij op
Vers 3
רבים אמרים לנפשי אין ישועתה לו באלוהים
Rabim omrim l’naphshi ejn jeshuatah lo bh’elohim
Velen zeggen tot mijn ziel: er is geen redding voor hem door/met/in God
Vers 4
ואתה יהוה מגן בעדי כבודי ומרים ראשי
v’Atah JHWH magen ba‘adi k’bhodi umerim roshi
Maar Gij, Aanwezige, bent een schild om/voor mij, mijn eer, de Verheffer van mijn hoofd
Vers 5
קולי אל-יהוה אקרא ויענני מהר קדשו
qoli el-JHWH eqra va’ja‘aneni mehar qod’sho
(Met) mijn stem naar de Aanwezige riep ik/ roep ik/ zal ik roepen en Hij antwoordt mij van Zijn heilige berg
Vers 6
אני שכבתי ואישנה הקיצותי כי יהוה יסמכני
ani shakhabhti va’ishanah heqitsoti ki JHWH jism’cheni
Ik heb mij neergelegd en sliep in; ik ontwaakte want de Aanwezige ondersteunde/ondersteunt mij/zal mij ondersteunen
Vers 7
לא אירא מרבבות עם אשר סביב שתו עלי
loh ierah meribhebhot am asher sabhibh shatoe alai
Ik vreesde/vrees niet/zal niet vrezen van tienduizenden van volk die zich opstellen tegen mij
Vers 8
קומה יהוה הושיעני אלהי כי הכית את-כל-איבי לחי שני רשעים שברת
qumah JHWH hoshieni Elohai ki hikita eth-kol-ojbhai lechi shinej r’sha‘im shibarta
Sta op, Aanwezige, red mij, Mijn God, want u heeft al mijn vijanden (op de) kaak/wang geslagen; (de) tanden (van de) slechte/goddelozen hebt Gij gebroken.
Vers 9
ליהוה הישועה על-עמך ברכתך
l’JHWH haj’shuah al-amkha bhirkhatekha
Aan God is de redding, op uw volk (is) Uw zegen.
Zoals we al eerder schreven, betekent David geliefde. Absalom is een naam die uit twee woorden bestaat: Abh en Shalom, oftewel Vader en Vrede. Helaas komt dit in zijn leven bepaald niet tot zijn recht want zowel Absalom als zijn vader David waren allesbehalve vredig en ze hadden op dit moment zelfs geen vrede met elkaar. De vader is op de vlucht voor zijn eigen zoon, men kan het zich nauwelijks voorstellen. Lees over deze geschiedenis 2 Samuel 15 tot en met 18.
Deze Psalm is onmiskenbaar messiaans; waar David eerst nog over zichzelf spreekt, daar sluit hij af in vers negen met de constatering dat Gods zegen op het volk rust. Davids messiaanse Psalmen, zo kunnen we gerust zeggen, zijn tweeledig en verwijzen: 1, naar de Messias en 2, naar het volk Israël, beiden kunnen we invullen in Davids klachten over zijn vijanden. Het gaat hier over zijn eigen leven, maar zeker ook over het leven van Jehoshua (Jezus) en ook over wat het volk Israël in deze huidige tijd doormaakt. (Gods volk is immers het messiaanse volk: “Raak Mijn gezalfden, Mijn messiassen, bimshichai במשיחי niet aan,” Psalm 107:15)!
Het woord voor ‘op de vlucht’ is afgeleid van het werkwoord barach ברח. Dit woord heeft nota bene woordverband met het woord voor zegenen: birekh ברך door de gelijke beth en resh in deze twee woorden. Een groter contrast is bijna niet denkbaar, maar we kunnen wel constateren dat God David bleef zegenen en gelukkig liep het goed af in deze geschiedenis.
In vers 2 komt het woord קמים qamim voor, van de woordstam קום qum, wat betekent opstaan. “Velen staan tegen mij op,” zegt David. Qum kan ook betekenen: overeind staan; vijandig opstaan; aantreden; vaststaan; geldig zijn; toekomen aan, vervallen aan (juridisch); komaan of komop en als laatste: star staan (van ogen). De eerste letter van het woord Qum is de ק qoph, wat betekent oog van de naald. David is meermaals door het oog van de naald gegaan als zijn vijanden weer eens tegen hem opstonden. De tweede letter uit qum is de ו waw, wat betekent verbindingshaak en dat staat voor de mens. Mensen staan tegen elkaar op, dat was zo in de geschiedenis en dat is heden ten dage nog steeds zo; misschien wel meer dan ooit.. De laatste letter van qum is een ם sluitmem, dit betekent water, waterstroom en dit staat voor wachttijd, elke keer weer als David zo in de benauwdheid zit, dan wacht hij op Zijn God; elke keer weer spreekt hij zijn vertrouwen uit, ook al ziet hij de verlossing nog niet. Geen wonder dat hij een man naar Gods hart is. Bewonderenswaardig!
In vers 3 vinden we het Hebreeuwse woord voor ziel: נפש nephesh. Dit woord stamt van het werkwoord naphash, wat alleen maar in de passieve vorm voorkomt in de Bijbel: niphash en de belangrijkste tekst die we hier kunnen aanhalen is Exodus 31:17 waarin God heeft gerust en Zich heeft verkwikt op de shabath. Niphash betekent dus: verkwikt worden, uitgerust zijn. God noemt dit gegeven in deze tekst als middel waarom de mens ook shabath moet houden: Hij Zelf heeft gerust en zich verkwikt, hoeveel te meer heeft de mens dat nodig! De ziel is dus goed om verkwikt te worden, wat een geheimenis schuilt daarin; er is geen actieve werkwoordsvorm voor het woord ziel, dat betekent dat de mens mag rusten in Gods tegenwoordigheid. De eerste letter van het woord נפש nephesh is een נ nun, nun is een oud woord voor vis en staat voor vrijheid. In God mag onze ziel volkomen vrij zijn, niet gebonden aan zonden. De tweede letter van nephesh is de פ peh; deze letter betekent mond; vrijheid mag uitgesproken worden met de mond, woorden hebben scheppende en bevrijdende kracht. De laatste letter is de ש shin, deze letter betekent tand en deze staat voor het vermalen van het verleden. Wie tot God komt mag in de vrijheid zijn, deze vrijheid met de mond proclameren en God vermaalt het vaak pijnlijke verleden van de mens waardoor de vrijheid steeds meer en meer gestalte gaat krijgen in het zielenleven.
In vers 4 zien we het woord voor schild: מגן magen. Iedereen kent de ster in de Hebreeuwse vlag: de Magen David, oftewel het Schild van David. Het schild van David is hier God; dat zegt hij zelf in dit vers. Magen komt van het werkwoord מגן magan, wat overleveren, uitleveren betekent. David heeft in zijn vertrouwen op God, zichzelf overgeleverd, uitgeleverd aan Hem en hij wordt omringd door de Aanwezige, Die zijn schild is. God levert daarop Davids vijanden aan hem uit, strijdt zijn strijd. Er is geen enkele oorlog door David verloren. Dit gegeven is ook door te trekken naar deze tijd wat betreft de staat Israël, die geen enkele van de zeven oorlogen, tegen haar aangespannen, verloren heeft. Wat een Godswonder!
In vers 5 komen we het werkwoord roepen tegen: קרא qara. Qara kan ook betekenen: noemen en hardop lezen. Qara heeft woordverband met het woord voor scheppen en scheiden: ברא bara. God heeft geschapen door de dingen in het leven te roepen; Hij sprak en het was. Qara bestaat uit een ק qoph; een ר resh en een א Aleph. De ק betekent: oog van de naald: “Eerder gaat een kameel door de ק, door het oog van de naald, dan dat een rijke ingaat in het Koninkrijk Gods.” De rijke jongeling werd door Jehoshua geroepen om Hem te volgen, maar het antwoord was: “Nee….” De ר resh, zoals we al zagen in dit artikel, betekent hoofd en principe, Hij die alles in het leven heeft geroepen bepaalt de principes in Zijn Koninkrijk. De א staat voor Hem Zelf, de Eersteling, de Koploper en Voortrekker; Hij roept ons op om tot Hem te komen, Hem tot ons doel te maken; de Allerbelangrijkste in ons leven, zoals Paulus ook al zei: “Ik weet niets anders dan Meshiach en Die gekruisigd” (1 Kor. 2:2). קרא qara heeft woordverband met קרב qarabh, door de gelijke qoph en resh in beide woorden. Qarabh betekent naderen en dit heeft weer woordverband met het woord קרבן qoarban: offer. We naderen Hem nooit met lege handen, maar met een offer van dankzegging, een offer van lof.
In vers 6 vinden we het werkwoord סמך samakh, wat betekent (onder)steunen, de hand leggen op. David, die in mag slapen en weer wakker mag worden omdat de Aanwezige Zelf hem ondersteunt, Zijn hand op hem legt, wat mooi! De eerste letter van dit werkwoord is een ס samekh en deze letter, die ook afgeleid is van dit mooie werkwoord samakh, betekent tegenkracht. Denk maar aan een zeiler die tegenwind als tegenkracht gebruikt om vooruit te gaan. Maar in dit vers is God Zelf Degene die David ondersteunt zodat deze nooit bang hoefde te zijn om te gaan liggen. In een ander artikel hebben we Psalm 4 behandeld en daar schreef David in vers 9 zelfs dat hij met God neerligt om te gaan slapen. God, Die nooit sluimert, noch slaapt, legt Zich neer met David zodat deze zich volkomen veilig weet in Zijn eeuwige armen. Of dit werkelijk zo gaat weten we niet, maar David heeft het in ieder geval wel zo ervaren. Wanneer we hierover nadenken dan beseffen we hoe dichtbij God wel is!
In vers 7 vinden we het woord voor vrezen, angstig zijn: ירא, jara’ en dit woord bestaat uit een aantal bijzondere letters. Allereerst de י jod, welke ook een letter is uit de Godsnaam יהוה JHWH. JHWH betekent, zoals we al eerder hebben geschreven: Aanwezig zijn, geschieden. David hoeft niets te vrezen omdat zijn God de Aanwezige is. De tweede letter uit het woord jara is een ר resh, wat, zoals gezegd, hoofd, principe betekent: God is het Hoofd van alles en we leven volgens Zijn principes. Als we dat doen hebben we niets te vrezen. De א Aleph is, opnieuw zoals gezegd, God Zelf. Dit woord wordt zowel gebruikt om angst aan te geven voor de vijand, alsmede om God te vrezen, vandaar dat de letters in dit woord zoveel met Hem te maken hebben.
In vers 8 vinden we het woord voor vijand: איב ojebh. Het meest opvallende aan dit woord is toch wel het woordverband met het woord voor liefde: אהב ahabh, verband is er door de twee gelijke letters א Aleph en ב Beth. Twee woorden die op het eerste gezicht recht tegenover elkaar staan in betekenis, maar Wie zei er ook alweer: “Heb je vijanden lief??” het verschil tussen de twee woorden zijn de twee Godsnaamletters, de heh en de jod. Samen vormen die twee letters het woord jah, waarvan hallelu-jah. Hij, onze God, Hij kan er voor zorgen dat wij haat kunnen omzetten in liefde…
Als laatste in vers 9 vinden we het woord voor zegen: ברך birekh, met een lange é. Dit werkwoord betekent ook knielen. Het woord voor knie is het woord berekh, met korte e’s. Er is een deel uit het Joodse Achttiengebed waar men God zegent: ‘Gezegend zijt Gij, Adonai…’ en daarbij gaat men even door de knieën; God zegent men vanuit een nederige gebogen houding. In het woord voor bron, vinden we het woord ברך berekh ook weer terug; als een kameel uit een bron wil drinken dan moet ie even door de knieën om bij het water te kunnen.
Wat een prachtige inkijk in Davids leven is ook deze Psalm weer, wat een voorbeeld voor ons in hoe wij mogen leven, God mogen zoeken en deel uit mogen maken van Zijn leven, mogen drinken uit de Bron.