Op diverse manieren blijkt hoe Jehoshuah uit de feesten van Voor- en Najaar op ons toekomt:
Hij is het Begin van een Nieuwe Lente, van het aangename Jaar des HEREN, Hij is de חbhíbh, de ‘Korenaar’ Die opkwam als een scheut uit de dorre aarde. Hij is het Paaslam; Zijn bloed op de deurpost bevrijdt ons (Pesach).
Hij is het Woord Dat neerdaalde op de Sinai (Shabhuoth/Wekenfeest), de Torah in levende lijve.
Hij is de zondebok Die voor de zonden van het volk de woestijn in werd gestuurd om te sterven (Grote Verzoendag).
Hij is het Manna uit de hemel, het Water uit de Rots, de Sukáh (Loofhuttenfeest) waarin wij kunnen schuilen.
Hij is de Lulav, Hij is de nieuwe Jozua, de Zoon van Nun, Die de volkeren der wereld zal binnenleiden in het Beloofde land, zodat ieder kan zitten in vrijheid onder eigen wijnstok en vijgenboom.
Tussentijdse gedenkdagen: Perzië, Griekenland en Rome
Er zijn ook de toegevoegde, historische, winterse en zomerse ‘tussenfeesten’ en gedenkdagen van Israël.
Tussen Sukoth en Pesach viert het Joodse volk twee bevrijdingsfeesten: Bevrijding is in het Hebreeuws Jeshuah.
De bevrijding uit de Perzische verdrukking: Haman, de Agagiet (= Amalekiet). Hij wilde alle Joden uitroeien, uitschakelen. Haman is het prototype van alle antisemitische moordenaars van alle tijden tot aan de moderne zelfmoordenaars.
De bevrijding uit de Griekse verdrukking: Antiochus Epifanes wilde alle Joden gelijkschakelen. Het moest één wereld worden met één religie en één cultuur, volgens de oude en moderne Griekse stelregel: ‘alles is gelijk aan al het andere’. De Tempel in Jeruzalem werd niet verwoest, maar werd gelijkgeschakeld: en er kwam een Zeusbeeld in te staan…
Tussen Voor- en Najaarsfeesten vallen de zomerse treurdagen ter gedachtenis aan de nog steeds voortdurende Romeinse (= neo- Babylonische) ballingschap, die vooral gestalte krijgt in Tisha`bê ‘Abh, de negende dag van de maand Abh, ter herinnering aan de verwoesting van de Tempel. De kern van deze verdrukking is de vervangingsideologie: Rome/Babel wil Jeruzalem vervangen en daarom verwoest men de stad, breekt de Tempel af en verstrooit de inwoners. Niet Tsion, maar Rome/Babel moet het centrum van de wereld worden.
Het is merkwaardig dat het Joodse volk wel overwinningen heeft behaald op de Griekse ‘gelijkschakelaars’ en op de Amalekietische moordenaars, de ‘uitschakelaars;’ overwinningen die jaarlijks worden gevierd met Chanoekah en Purim, maar dat er tot op heden geen overwinning gevierd kan worden op de Romeinse ‘vervangers’, de verwoesters van de Tempel. Want al is een groot deel van het verstrooide volk terug, de Tempel is nog steeds verwoest. Daarom kent de zomer (nog) geen extra feesttijden, alleen treurdagen!
Niets moet!
Het antwoord op de vraag ‘wat moeten we met al deze gegevens over de Bijbelse Feesten?’ is kortweg: niets moet, maar we kunnen wel iets. Wat kunnen we doen? In het algemeen kunnen we praktisch weinig of niets doen wat betreft de invoering van de Bijbelse jaarkalender. Voor het veranderen de Nieuwjaarsdag- in plaats van op 1 Januari het jaar laten beginnen op 1 Abhíbh – is een politieke omwenteling nodig. Of beter: een Messiaans ingrijpen. Dat betekent: wachten, verwachten!
Maar wat verder de Bijbelse levensstijl betreft: ‘veracht niet de dag der kleine dingen’ (Zach. 4:10). Een kleine zaadkorrel kan uitgroeien tot een grote boom. Een klein begin, bijvoorbeeld het apart zetten van de Vrijdagavondmaaltijd – door een kaars te ontsteken, dankzegging te doen over een glas wijn en over twee puntbroodjes, Shabbat shálom te zeggen tegen elkaar en na tafel, voor het dankgebed, een gedeelte te lezen uit de wekelijkse Torahafdeling – kan uitgroeien tot heel andere indeling van het weekend. Een andere ‘kleinigheid’ is om in de Paastijd in gezins/fanilieverband een aangepaste sedermaaltijd te houden. Maar in alle gevallen geldt: wachten en vooral niets forceren. Als er spanningen komen met andere huisgenoten, weegt het gebod van de liefde zwaarder dan het shabbatsgebod. ‘Wachten, wachten’ is ook hier het wachtwoord. Of beter: hopen én bidden. En danken vooral: want dankend halen we de toekomst naar ons toe!
Notities
Kan men wijn drinken uit een verkreukeld plastic bekertje? Dat kan, maar ‘het is geen stijl’. Eigenlijk kan het dus niet! Wijn – dat geldt zeker voor de goede, kostbare Israëlwijn, waarvan de druiven gerijpt zijn op de zonnige hellingen van bijvoorbeeld de Carmel, die geoogst zijn met het oog op het hoogfeest van Sukoth – laat zich aan een feestmaaltijd het liefst drinken in een zilveren beker of in een kristallen bokaal en met de nodige gebaren én taal erbij: wij heffen het glas en zeggen dank!
Wijn is in wezen kiddushwijn: om het leven te heiligen, om het in verbinding te brengen met de Heilige Israëls, onze Schepper en Bevrijder: wij heffen het glas, laten wij dankzeggen! Baruch ‘atah, Adonai ‘יlohénú, bóré’ pêrí hagáphen! Barúch Hú, Die ons bevrijd heeft (én dus bevrijden zal) uit de verdrukking, Die ons dit goede Land heeft gegeven (en zal geven).
Zegenspreuken zijn compacte gezegdes, ze zijn als bloemen in de knop. Het is niet nodig om alles expliciet te maken, uitdrukkelijk erbij te noemen. Ieder kan naar believen het zijne er bij denken of er aan toevoegen.