למנצח אל-תשחת לדוד מכתם
Lamnatseach al-tashchet leDavid mikhtam.
Voor de koorleider, op de wijs van ‘verwoest niet,’ een epigram/kleinood van David.
Vers 2
האמנם אלם צדק תדברון מישרים תשפטו בני אדם
ha’umnam elem tsedeq tedaberun mejsharim tishpetu bnej adam.
Machtigen uit de volken, spreekt gij wel gerechtigheid; oordeelt gij wel rechtvaardig en recht, zonen des mensen?
Vers 3
אף-בלב עולת תפעלון בארץ חמס ידיכם תפלסון
aph belebh ‘olot tiphalun ba’arets chamas jedeikhem tephalesun
Werkelijk in het hart werkt gij ongerechtigheid op aarde, geweld weegt gij met uw handen.
Vers 4
זרו רשעים מרחם תעו מבטן דברי כזב
zoru resh‘aim merachem t‘au mibeten dobhrej khazabh
Vervreemd zijn de goddelozen vanaf de baarmoeder aan; ze dolen vanaf de buik, de leugensprekers.
Vers 5
חמת-למו כדמות חמת-נחש כמו פתן חרש יאטם אזנו
chamat-lamo kidmut chamath-nachash kmo-pheten cheresh ja’tem ‘ozno
Grimmigheid hebben ze zoals slangengif, als een dove adder die haar oren sluit.
Vers 6
אשר לא-ישמע לקול מלחשים חובר חברים מחכם
asher l’o jishmah leqol melachashim chobher chabharim mechukam
zodat ze niet hoort naar de stem bezweerders, die wijs zijn in het omgaan met bezweringen.
Vers 7
אלהים הרס-שנימו בפימו מלתעות כפירים נתץ יהוה
‘Elohim haras shinejmo bephimo malte‘oth kephirim netots JHWH.
God, sloop hun tanden uit hun mond, het gebit de jonge leeuwen, sla het stuk, Aanwezige!
Vers 8
ימאסו כמו-מים יתהלכו-למו ידרך חצו (חציו) כמו יתמללו
jima’asu khemo-majim jithalkhu-lamo jidrokh chatso (chitsav) kemo jitmolalu
Laat hen vervloeien als water, laat hen heengaan, spannen ze de boog, laat hun pijl stomp zijn.
Vers 9
כמו שבלול תמס יהלך נפל אשת בל-חזו שמש
kemo shabloel temes jahalokh nephel ‘esheth bal-chazu shamesh
Laat hem als een slak die heengaat wegsmelten, een miskraam van een vrouw zonder de zon te zien.
Vers 10
בטרם יבינו סירתיכם אטד כמו-חי כמו-חרון ישערנו
beterem jabhinu sirotejkhem ‘atad kemo-chai kemo-charon jisar‘enu
Voordat jullie potten de doornstruik opmerken, zal Hij hem als levend, als in brandende toorn wegstormen.
Vers 11
ישמח צדיק כי-חזה נקם פעמיו ירחץ בדם הרשע
jismach tsadiq ki-chazah naqam pe‘amav jirchats bedam harasha
De rechtvaardige zal zich verheugen want hij ziet vergelding, hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
Vers 12
ויאמר אדם אך-פרי לצדיק אך יש-אלהים שפטים בארץ
wejomar adam ‘akh-pri latsadiq ‘akh jesh-’Elohim shophtim ba’arets.
En hij zal zeggen de mens: immers is er vrucht voor de rechtvaardige; immers heeft hij God, Die recht doet op aarde.
Het woord mikhtam מכתם wordt doorgaans vertaald met kleinood. Het betekent ook epigram en dat is een kort en bondig gedicht met een woordspeling of pointe. Het is duidelijk dat David, de geliefde, veel noten op zijn zang heeft in dit gedicht, de woorden liegen er niet om, hij is op zijn zachtst gezegd geagiteerd.
In vers 2 vinden we het woord אלם elem, machtigen, dit heeft verband met אלים elim, goden. Een typisch woord is elem, wat in feite betekent stil, stom zijn, zwijgen, verstommen en dat doet meteen denken aan de uitspraak van God over de afgoden: ‘Ze hebben een mond maar spreken niet.’ (Psalm 115:5). De elim, de goden hebben een mond maar spreken niet, hebben niets te vertellen ook… God veegt in Psalm 115 de vloer met hen aan en zo doet David dat in deze Psalm ook met deze stomme afgoden. Elem אלם heeft woordverband met אלל elel en אליל elil, wat betekent niets, waardeloos. Elem komt van het werkwoord אלם alam en dit betekent zwijgen, verstommen. Afgoden helpen niet als men in de penarie zit, men heeft er helemaal niets aan. Het is opvallend dat Israël in deze tijd door een tijd van onrecht heengaat waarin de hele wereld zwijgt. Het doet denken aan de zeer krachtige toespraak van Benjamin Netanyahu aan het congres op 1 oktober 2015 (te zien op Youtube), waarin hij zijn publiek wel 40 seconden ‘aanzweeg’ om hen eens te laten voelen hoe dat is. De zogenaamde machtigen, goden, zwijgen bij het onrecht dat Israël wordt aangedaan. Weer blijkt dat Davids Psalm profetisch is, zoals zo vaak in zijn Psalmen; het gaat ook over de tijd van nu en het volk van nu.
Elohim heeft ook woordverband met elah, אלה grote boom, eik terebint. Afgoderij werd gepleegd onder de bomen. Ook is het beeld van een boom als een god; groot steekt het boven ons uit en beneden ons ook nog eens. Aleph א Lamed ל Heh ה betekent overigens ook: vloeken… een afgodsbeeld van hout is als een vloek voor Adonai. Maar een rechtvaardig mens daarentegen, afbeelding van God, zal zijn als een boom, geplant aan waterstromen (Psalm 1).
In vers 3 vinden we het woord chamas חמס, jawel, u leest het goed, hetzelfde woord als wat de politieke partij in Gaza als naam gebruikt. Chamas betekent geweld, onrecht. Als de naam van een politieke partij al zegt wat voor een club het is, dan is dat toch eigenlijk wel heel erg… Wij zien hen heel veel geweld en onrecht plegen, ook tegen hun eigen mensen, die ze onderdrukken. Woordverband is er te vinden in het woord חמם chamam, heet zijn, wellustig zijn. We zagen een foto van een hamasterrorist, volledig gewapend en met een blok steen voor zijn kruis gebonden, zodat hij nog intact zou zijn voor zijn zeventig maagden, mocht hij neergeschoten worden…
In vers 4 vinden we het woord voor leugen, bedrog: כזב kaazaabh, afgeleid van het werkwoord liegen: כזב kazabh. ‘De leugensprekers dolen van moeders buik aan,’ zegt David hier. Dit gegeven herkennen we in deze tijd waarin enorm gelogen wordt over het volk Israël. Wij zien hier om ons heen dat Arabieren, die zich Palestijnen noemen, vanaf de geboorte al worden geïndoctrineerd met leugens over het Joodse volk. Joden zouden geen aanspraak op de Tempelberg hebben, zouden niets met Jeruzalem te maken hebben en zouden er alleen maar op uit zijn om de arme Palestijnen te verdrukken. Zelfs is het gedeelte in de koran, waar staat dat de Joden recht hebben op het land Israël en Jeruzalem, eruit gehaald in hun ‘palestijnse’ versie. Wanneer men als kind al deze dingen al heeft binnengekregen, hoe kun je zulke leugens dan nog weerleggen?? Kazabh כזב heeft woordverband met ka’abh כאב lijden, pijn hebben. Hun leugens over het volk Israël doen ontzettend pijn. Overigens heet het gebouw waarin de zwarte steen in Mekka zich bevindt ka’aba.
In vers 5 vinden we het woord chamah חמה gif, venijn en dit is verpakt in de aanleunvorm חמת-למו chamath-lamo, wat dan betekent: zoals gif, venijn. Merk hier ook weer het woordverband met chamas חמס op. Verderop staat er het woord nachash נחש slang. In dit vers zegt David dus: ‘Zij hebben gif, venijn zoals van een slang.’ Overigens zit er in de getalswaarde van nachash een bijzondere verwijzing naar onze Messias: nachash bestaat uit de letters nun נ (getal 50), cheth ח (getal 8) en shin ש (getal 400). Samen opgeteld zijn die getallen 458. Het woord Messias, Mashiach משיח in het Hebreeuws heeft dezelfde getalswaarde: Mem is het getal 40, shin het getal 400, jod het getal 10 en cheth het getal 8, samen opgeteld ook 458. Denk hierbij aan de koperen slang op de staak in de geschiedenis van het volk Israël in de woestijn: wie gebeten was door een echte slang, keek op naar de koperen slang en werd genezen. Hetzelfde gebeurt als we opzien naar onze Messias, die aan een kruis kwam te hangen en wiens striemen tot genezing zijn. God weet van iets negatiefs iets heel positiefs te maken. Met het tellen van de getalswaarde van verschillende woorden, komen we op prachtige verbanden. Het is in de Bijbel nu eenmaal zo dat tellen en vertellen hetzelfde Hebreeuwse woord zijn: saphar ספר. Daar is niets mystieks aan en heel wat anders dan de Kabbalistische leer om hogerop te willen komen, dichter naar God toe te willen klimmen; een weg omhoog, terwijl God juist naar beneden is gekomen, naar ons toe!
Vers 6 heeft het woord bezweerders lachashim לחשים, afgeleid van het werkwoord lachash לחש wat bezweren, prevelen, fluisteren betekent. We zien hier meteen het woordverband met nachash נחש, slang. Het gaat om de slang die bezworen moet worden met geprevel en gefluister, maar in dit vers zegt David dat de slang losgeslagen is geraakt van zijn bezweerders, dat de leugens een eigen leven zijn gaan leiden. Precies wat we in deze tijd ook zien gebeuren, het wordt steeds gekker; wat vroeger alleen maar werd gefluisterd omdat het te gek was voor woorden, wordt nu hardop geschreeuwd in de wereldpolitiek: “Jullie Joden hebben geen recht op de Tempelberg, jullie hebben daar nooit een Tempel gehad en jullie hebben er niets te zoeken!” Dit is allemaal zorgvuldig georkestreerd: onder het bewind van Arafat haalde men zoveel mogelijk bewijzen van het bestaan van Gods Tempel weg van onder de Al Aksa moskee. Miljoenen tonnen met bewijsmateriaal zijn op de vuilnisbelt terechtgekomen in de afgelopen jaren. Het heeft zomaar kunnen gebeuren onder de neus van de politici in Israël. Losgeslagen slangen maken het steeds bonter… Het is niet verwonderlijk dat lachash woordverband heeft met lacham לחם, oorlogvoeren, strijden. Het is oorlog in de Hemelse Gewesten!
In vers 7 wordt de naam van God twee keer genoemd door David; allereerst noemt hij de naam Elohim אלהים maar de tweede naam is van nog meer belang, de naam JHWH יהוה wat betekent Aanwezige. ‘O God, o Aanwezige, sla de tanden uit hun kaken, doe het geprevel en het gefluister stoppen.’ Dit is geen geweldsvraag van David maar een wanhoopskreet om het gelieg tegen te gaan: ‘Ze moeten hun mond houden! Verbrijzel hun kaken, dan kunnen ze geen leugens meer opdissen!’
In vers 8 komen we het woord pijl tegen: chets חץ. De pijlen (חצים chatsim, uitgang mannelijk. meervoud) zijn in dit geval overduidelijk de leugens, die op de boog gespannen worden. Chets heeft woordverband met het woord chatsabh חצב, in steen uithakken, houwen. Wat werd in die tijd gehouwen? Gesneden beelden, datgeen waar God altijd weer tegen waarschuwt: afgodsbeelden. Dit komen we ook tegen in het gebed van Jabes, Ja‘abets יעבץ waar hij God vraagt of hij geen pijn zal veroorzaken, oftewel geen gesneden beelden zal maken, geen afgoderij zal plegen. De naam Ja‘abets is afgeleid van het werkwoord atsabh, in vorm snijden. Afgodsbeelden werden in vorm gesneden… De passieve vorm van dit werkwoord betekent pijn hebben, bedroefd zijn. Afgoderij kwetst God, het doet Hem verdriet, doet Hem pijn… We hebben al veel vaker gezegd dat er werkelijk niets toevallig staat in de Bijbel… Omdat Ja‘abets overduidelijk van God houdt, vraagt hij Hem dat hij niet in die val van de afgoderij zal trappen; vraagt hij om bescherming, om duidelijke grenzen waarin hij vrij met God kan functioneren (1 Kron. 4:10). Om even terug te komen op de pijl waar we in dit vers mee begonnen, deze wordt ook gesneden, gevormd, maar wat er achter ligt is pure afgoderij: wie maken de pijlen? Diegenen die het niet zien zitten dat er een God van Israël bestaat, Die de Heerser is over hemel en aarde en dat zijn ook diegenen die zich met afgoderij bezighouden, die van een andere religie komen, die bestuurd worden door de afgodische machten die zich bedreigd voelen (en terecht) door het Koningschap van de God van Israël. Die machten weten dat het eens met hen gedaan zal zijn en in plaats van zich te scharen tussen diegenen die de God van Israël aanbidden, wordt hun afkeer en haat steeds heviger naarmate de tijd vordert. “De satan gaat voort als een brullende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden, wetende dat hij weinig tijd heeft” (1 Petrus 5:8).
In vers 9 vinden we het woord tesem תסם, wegsmelten, afgeleid van het werkwoord masas מסס, smelten, wegkwijnen, de moed verliezen. David bidt dat zijn tegenstanders de moed verliezen, de strijd opgeven. Geen gek gebed in dit geval. Hij vergelijkt hen met een slak, die oplost in slijm. Een slak is een shabloel שבלול, een slome duikelaar, maar ook een kaalvreter. Lijkt misschien niet gevaarlijk, maar als de voorraden zijn opgegeten dan is er geen voedsel meer en verkeert men toch nog in gevaar, wie zou zeggen dat men door zo’n slome duikelaar in zo’n lastig parket kan komen?
David vraagt in vers 10 dat de machtigen als een doornstruik atad אטד worden weggestormd, nog voordat ze kunnen dienen om de pot te verhitten. ‘Atad אטד heeft woordverband met אד eed, nevel, damp, dat is een vluchtig iets wat men zomaar uit elkaar kan blazen. De mens, adam אדם heeft het woord eed אד in zich en dat is ook waar: de mens is slechts een damp, een vluchtige dauw, iets soortgelijks zegt Mozes in Psalm 90:3 “Gij doet de mens wederkeren tot verbrijzeling en zegt: keert weder, gij mensenkinderen.” Jacobus zegt het nog preciezer in hoofdstuk 4:14: “Gij die niet weet wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp אד eed, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.”
In vers 11 is David, de geliefde, behoorlijk wraakgericht. Dit is moeilijk voor Nieuwtestamentische christenen omdat wij als het goed is leven vanuit de vergeving. Het is een moeilijk vraagstuk: mag David deze gevoelens hebben of niet? Aan God komt de wraak toe; Hij zet recht wat ontspoord is. In Psalm 139:19-21 zien we David dit ook zeggen: “O God, dat Gij de goddelozen ombracht en gij mannen des bloeds, wijkt van mij; die van U schandelijk spreken en Uw vijanden ijdellijk verheffen. Zou ik niet haten שנא sana’, Aanwezige (JHWH), die U haten? En verdriet hebben in degenen die tegen U opstaan? Ik haat hen met een volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.” Dat liegt er niet om! Maar meteen daarna spreekt hij: “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg.” Meteen verzacht hij zijn woorden weer, bijna alsof hij wil zeggen: ‘Ik blaf wel, maar ik bijt niet.’ Hij vraagt hier als het ware aan God of hij wel zo pittig mag spreken; is het wel goed dat hij zo haat? Hij lijkt onzeker over zijn eigen uitbarsting. Wel is duidelijk dat David opstaat tegen degenen die God haten, hij komt met zijn woorden openlijk op voor God. De vraag is hier of dat wel hoeft? Het zou verkeerd zijn als het hem onverschillig zou zijn geweest, verbolgenheid komt vaak uit de Heilige Geest voort. Niet haat, maar onverschilligheid is de echte tegenovergestelde van liefde… De haat van David aan de vijanden van God zegt iets over zijn liefde voor zijn God. Hij spreekt in deze dingen ook weer profetisch, messiaans. Vergelijk dit met Jesaja 63:3-4, waarin we Jehoshua zien in de gedaante van Degene Die het oordeel over de wereld volbrengt; Zijn kleren doordrenkt van het bloed van Zijn vijanden en Hij is er heel grimmig bij: “Ik heb de pers alleen getreden en er was niemand van de volken met Mij (door onverschilligheid?) en Ik heb hen getreden in Mijn toorn en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld want de dag der wrake was in Mijn hart en het jaar Mijner verlosten was gekomen.” Wij zien Jehoshua doorgaans als het lieve Lam, maar laten we ons niet vergissen: Hij komt terug als Leeuw en dan ziet Hij er iets angstaanjagender uit. Laat ons in gedachten houden dat David zijn woorden profetisch heeft uitgesproken en waarschijnlijk zonder het zelf te weten al zicht had op dit verschrikkelijke gebeuren dat nog in onze toekomst ligt. In Psalm 97:10 a staat het woord haten שנא sana’ opnieuw: “Gij liefhebbers des Heeren, haat het kwade!”
Wat zijn goddelozen, rash‘a רשע? Dat zijn de slechten, de oneerlijken, niet te verwarren met diegenen die God niet kennen, maar het zijn diegenen die God wel kennen en die dan toch leugens vertellen en oneerlijk handelen. In het woord rasha רשע zit het woord ra רע, slecht, kwaad. Dat kunnen wij allemaal zijn, daarom moeten we goed op onszelf letten dat we eerlijk zijn en blijven…
Wie is dan de rechtvaardige in vers 12? Dat is de tsadiq צדיק, afgeleid van het werkwoord tsadaq צדק rechtvaardig, rechtschapen zijn, in zijn recht staan. Een tsadiq is ook een Hebreeuwse letter: een Tsade צ. Deze letter betekent vishaak en staat voor rechtschapenheid, integriteit: kunnen we de ander opvissen uit de ellende? Jehoshua sprak: “Ik zal u vissers van mensen maken.” Dat slaat ook en met name op het opvissen van een ander uit zijn ellende, het slaat op het goed voor elkaar zijn. De discipelen hadden dat uiteindelijk begrepen en er werd niets dan goeds over hen gesproken in het oude Antiochië, waar men wel zei over hen: ‘Daar gaan die kleine notsriem (christenen) weer.’ Die volgelingen van de Man uit Natsereth, die goeddoeners.’ Een tsadiq, een rechtvaardige, is iemand waarvan gebleken is dat hij/zij integer is, het is geen vraag meer; het is een vaststelling.
Wat een mooi besluit heeft deze Psalm: de Statenvertaling zegt: Immers is er vrucht voor de tsadiq; immers is er een God, Die op de aarde richt. Weer een vaststelling: zo is het! Immers is het Hebreeuwse woord akh אך wat ook betekent beslist, werkelijk, echt. Mooi is dat akh אך woordverband heeft met het woord k’ah כאה wat betekent ontmoedigd worden, afgeschrikt raken. De zekerheid van de vrucht voor de rechtvaardigen is tevens hetgeen de goddeloze afschrikt, ka’ari כארי komt voor in Davids Psalm 22:17 waar hij profetisch zingt: “Zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.” Diegene over Wie David hier zingt, is ook Diegene Die zijn vijanden doet verschrikken en verstommen, Die terugkomt om Zijn oordeel te laten gaan over deze wereld om de goddelozen in het ongelijk te stellen en de rechtvaardige in ere te herstellen. Hij is Degene die wij verwachten!