De sheva mitswot bnei Noach, de zeven voorschriften voor de kinderen van Noach, zijn samengesteld door rabbijnen en bedoeld voor hen die willen leven naar Gods wetten, maar zelf geen Joden zijn. Deze geboden, ook wel het verbond van Noach genoemd (briet Noach), zijn gebaseerd op o.a. Gen. 2:16 en 9:4 en verder.
Evenals de verboden werkzaamheden op shabat, vinden op hun beurt de zeven Noachitische voorschriften weer hun basis in de Thora.
1. Het voorschrift een rechtsorde te scheppen en daarmee ook het instituut van rechters in het leven te roepen, is gebaseerd op Genesis 18:19, waar staat: “… door gerechtigheid en recht te doen.” Ook wordt verwezen naar Genesis 34:13 waar de zonen van Jakob (om recht te doen) bedrieglijk spraken omdat hun zuster Dina verkracht was.
2. Het verbod van Godslastering is gebaseerd op Leviticus 24:16: “Wie de Naam des Heren lastert zal zeker ter dood gebracht worden.” (Sanhedrin 56b). We merken op dat het hier om een post-Sinaïtische verwijzing gaat die toch is opgenomen in de Noachitische voorschriften.
3. Het verbod van de dienst aan afgoden wordt afgeleid van de tekst: “Zij hebben zich gehaast om af te wijken van de weg die Ik hun geboden heb; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, waarvoor zij zich hebben neergebogen en waaraan zij geofferd hebben, terwijl zij zeiden: dit is uw God, Israël, die u uit het land Egypte heeft gevoerd”. (Ex. 32:8; Sanhedrin 56b). Ook hier gaat het om een post-Sinaïtische verwijzing die toch Noachitisch is (geacht wordt).
4. Het verbod van ontucht is af te leiden uit de instelling van het huwelijk in Genesis 2:22-24 en uit de geschiedenis van Abraham en Abhimelech in Genesis 20. Het is voorts te vinden in Leviticus 20:10-21, waar diverse vormen van ontucht en bloedschande streng veroordeeld worden. Ook wordt wel verwezen naar Jeremia 3:1.
5. Het verbod van het vergieten van bloed, gaat terug op Genesis 9:6, waar staat: “Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden.”
6. Het verbod van diefstal en roof is af te leiden uit de opdracht: ‘Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten.’ Een opdracht die te vinden is in Genesis 2:16-17.
7. Het verbod vlees te eten van een nog levend dier is afgeleid uit Genesis 9:4. Hier wordt gezegd: ‘Alleen vlees met zijn ziel, zijn bloed, zult gij niet eten’. Ook wordt verwezen naar Genesis 2:16, waar staat: “Van alle bomen in de hof moogt gij ’vrij’ eten.” De rabbijnen wijzen erop dat dit een verbod van het eten van vlees inhoudt. De mens mocht datgene eten dat gereed was om te eten. In Genesis 9:3 krijgt de mens verlof ook dierlijk voedsel te gebruiken, maar hij moet er voorzichtig mee omgaan en zich beperken.
Betekenis van de Noachidische voorschriften
De zeven Noachitische voorschriften zijn hoofdgroepen, die hun parallellen hebben in de ‘hoofdgeboden’ die in de rabbijnse traditie voorkomen. Die hoofdgroepen zijn op hun beurt gespecificeerd in een groot aantal voorschriften en consequenties (zie sanhedrin 56a-60b). We noemen onder andere het brengen van verboden offers, het verbod op tovenarij, het verbod van castratie bij mens en dier, het verbod van het vermengen van zaad. Dit laatste is bijvoorbeeld in onze tijd van belang bij zaken als kunstmatige bevruchting en in vitro fertilisatie. Naar dat model zou elk van de Noachitische geboden nader uitgewerkt kunnen worden in een Noachitisch-Halachische (= volgens de Joodse traditie) wetgeving. Het voorschrift een rechtsorde te scheppen houdt bijvoorbeeld in dat er sociale stabiliteit bestaat. Dit wil echter niet zeggen dat men blind moet gehoorzamen aan de overheid. Het jodendom komt primair op voor de belangen en het recht van het individu. Onrecht moet worden voorkomen. Dit kan in nadere bepalingen worden gespecificeerd.
Ook het verbod van afgoderij draagt bij tot een goede ordening van het leven. Tevens wordt van iemand die valse goden afzweert diens persoonlijke integriteit en redding benadrukt.
Het gebod zich te onthouden van wat door afgoden bezoedeld is of aan hen geofferd, is een gebod om zich verre te houden van al wat in contact staat met de wereld der afgoden, met andere woorden van een maatschappelijk leven dat doordrenkt is van heidendom. Dit betekent overigens niet dat volgens de joodse overlevering per definitie andere godsdiensten als ‘heidendom’ gebrandmerkt worden. Het jodendom heeft geen behoefte aan verkettering en missionering van de wereld vanuit het gezichtspunt dat zij de enig ware religie zouden zijn.
Het is eerder zo volgens het jodendom andere godsdiensten wegen kunnen zijn tot kennis van de Eeuwig Aanwezige. Wat onder afgoderij valt zijn afgodische praktijken die te kort doen aan de waardigheid van de mens als schepsel en beelddrager van God.
Tot het verbod op diefstal horen ook zaken als militaire veroveringen en oneerlijkheid in het economisch verkeer.
Maar ook een christen die de Hebreeuwse Bijbel als ‘Oude Testament’ annexeert en primair als zijn erfdeel beschouwt, zondigt tegen het Noachitische verbod om te roven.
Een andere – meer aanvullende – benadering van het verbod van bloedvergieten vinden we in de Talmoed: Een Schriftgeleerde zegt tot Rav Nachman bar Jitzchaq (Bab. 356): wie in het openbaar zijn naaste beschaamt wordt het aangerekend alsof hij bloed vergiet. Waarop deze opmerkte: dat heb je mooi gezegd, want ik heb het (zulk een schaamte) gezien, het bloed trok weg uit het gelaat en die mens werd dodelijk bleek (Baba Metsia 58b). Iemand in het openbaar voor gek zetten, op een zodanige wijze dat zijn zelfrespect wordt ondermijnd, geldt dus als bloedvergieten.
Het eten van een deel van een levend dier betekent ook dat het verboden is het bloed van een levend dier te nuttigen, zegt Rabbi Chanina ben Gamliel (leefde rond 120) in de Talmoed als aanvulling op de zeven voorschriften.
De zeven zijn positief te vatten onder de noemer van het moderne kernwoord ‘respect’:
1. respect voor de God van Noach en Abraham;
2. respectvol gebruik van de GodsNaam;
3. respect voor de ‘overheid’ en voor allen die tot toezicht zijn geroepen, ouders en ouderen (= presbyters) voorop.
4. respect voor het leven van de medemens;
5. respect voor het lichaam van de ander;
6. respect voor het bezit van de ander;
7. respect voor alle medeschepselen (= inclusief milieu);
Toegepast op de Tien Woorden
1. respect voor de God van Noach en Abraham = 1e , 2e , 4e
2. respect voor de GodsNaam = 3e
3. respect voor de ‘overheid’ en voor allen die tot toezicht zijn geroepen, ouders en ouderen (= presbyters) voorop = 5e.
4. respect voor het leven van de medemens = 6e
5. respect voor het lichaam van de ander = 7e
6. respect voor het bezit van de ander = 8e ;
7. respect voor alle medeschepselen (= inclusief milieu) = 10e gebod
* Er ontbreken in de Noachitische geboden dus de voorschriften voor de shabat en het uitspreken van een vals getuigenis. Men zou het shabats voorschrift terug kunnen zien in de geboden 1 en 2: respect voor God die de tijd geordend heeft, al bij de schepping, en het vals getuigenis kan besloten zijn in het 5e gebod.