De Bijbel is een uniek literair Meesterwerk en tevens een Goddelijk Boek. Niet in die zin ‘Goddelijk’ dat de Bijbel als manna uit de hemel gevallen is, maar Israëls God is een God van de geschiedenis. Letterlijk betekent JHWH יהוה o.a. ‘Hij Die Geschiedt, Geschiedde en Zal Geschieden’.
Deze ‘geschiedende God’ heeft Zijn volk uit Egypte geleid en uiteindelijk het Beloofde land binnengebracht. Hij heeft deze historische feiten langs de weg van de geschiedenis tot Schrift laten worden, tot Zijn Heilige Schrift.
Deze historische gang van zaken doet niets af aan de Goddelijkheid van de Bijbel. In het oeroude Joodse tafelgebed, dat ook Jehoshua/Jezus gekend moet hebben en uitgesproken bij de maaltijden, wordt God ervoor gedankt dat Hij ‘het brood uit de aarde doet voortkomen.’
Enerzijds is brood helemaal een vrucht van Zijn handelen: de graankorrel sterft en staat weer op en is een wonder dat geheel buiten de mens omgaat. Anderzijds heeft brood ook te maken met onze menselijke geschiedenis: wij moeten ploegen, zaaien, maaien, dorsen, malen, mengen en bakken. Niettemin geldt het eindproduct volop als Gods Werk: Hij is het die het brood uit de aarde doet voortkomen (psalm 104:14).
Zo is ook de Bijbel, dit Brood voor het hart, opgekomen uit onze geschiedenis. Mensen hebben het geschreven, hebben teksten verzameld en geordend. Tegelijk is dit Geschrift volledig Gods Werk: een werkstuk van de Heilige Geest waarbij ieder woord, zelfs iedere letter op Zijn plaats staat. Er is hierover een joods gezegde: ‘grootser dan de schepping van de wereld is de schepping van de Schrift’. Taal en schrift is ook van een eerdere schepping dan de schepping zelf. Immers: Hij sprak en het was…