Een aantal Psalmen zijn in Hebreeuws-alfabetische vorm ingedeeld, zoiets heet acrostichon, oftewel een naamverzen of letterverzen. Alle letters van het Hebreeuwse alfabet komen voorbij in deze Psalmen; de verzen beginnen met deze Hebreeuwse letters. Het is in principe niet zo dat de inhoud van de verzen verband houden met de letterbetekenis van de Hebreeuwse letters waarmee ze beginnen, maar het viel laatst op bij het lezen van Psalm 145 dat dit vaak wel degelijk het geval is en dat is geen toeval!
Psalm 25; 34; 37; 111; 112; 119 en 145 zijn de zeven Psalmen waarom het gaat en wij hebben uitgezocht welke verzen uit de Psalmen verband houden met de Hebreeuwse letter waarmee ze beginnen, een erg leuke bezigheid. Bij Psalm 145 vonden we de meeste. Voorbeeld: als het vers begint met de Hebreeuwse Ajin ע, dan valt het op dat er in dat vers iets staat over zien of over oog. De Ajin ע betekent namelijk oog. Psalm 119 gaat op alfabet maar gebruikt dit om de acht verzen, dit laten we nog even liggen.
De Aleph, א de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet en ook het getal 1, betekent koploper, eersteling, voortrekker en het is de letter die geheel op God slaat. Hij is de Koploper en Voortrekker van Zijn volk, Hijzelf is ook Eén en Hij is de Eersteling, denk aan het allereerste woord in Genesis 1:1; het woord בראשית bereshieth, wat vertaald kan worden met In den beginne, maar ook onder meer als met een eersteling! Wie is dan die Eersteling? Vergelijk maar met Johannes 1:1 waar staat: ‘In den beginne was het Woord en het woord was met God en het Woord was God.’ Die Eersteling is Jehoshua, onze Messias en tevens God Zelf (‘Ik en de Vader zijn Eén’)!
De volgende verzen beginnen met de Aleph en verwijzen naar God. In Psalm 25 zegt David: ‘Tot U, HEERE (Aanwezige) hef ik mijn ziel op’. In Psalm 34 begint hij met: ‘Ik zal de HEERE (Aanwezige) loven op ieder moment, Zijn lof zal altijd in mijn mond zijn.’ Psalm 111 begint met: ‘Ik zal de Aanwezige loven van ganser harte.’ In Psalm 112 begint de psalmist met de Aleph en zegt: ‘Welgelukzalig is de man die de Aanwezige vreest.’ In Psalm 145 begint David met de Aleph en jubelt: ‘O, mijn God, Gij Koning, Ik zal U verhogen en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos!’ Psalm 37 begint ook met een Aleph: ‘erger je niet’ , אל תתחר’. Bij de meeste van de genoemde lettervers-psalmen komt na de Aleph א de Naam van God. Eén van Zijn namen is JHWH יהוה wat het mooist vertaald wordt met Aanwezige. God is de Aanwezige, Die ons voort trekt, de grote Voortrekker, onze Leidsman tot in eeuwigheid, Die ons zelfs leidt tot over de dood heen (Psalm 48:15).
De Gimel ג is de derde letter van het Hebreeuwse alfabet en ook het getal 3. Op de derde scheppingsdag schiep God alles wat ontsproot uit de aarde. ‘En de aarde bracht voort grasscheutjes, zaad zaaiende naar zijn aard en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was naar zijn aard.’ Het is vast geen toeval dat de psalmist van Psalm 112 het heeft over zaad in het vers dat start met de Gimel: ‘Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde.’ In Psalm 112 staat er bij de Gimel: ‘De werken des HEEREN zijn groot.’ Denk daarbij maar eens aan bijvoorbeeld een sequoiaboom, meer dan honderd meter hoog, op de derde dag geschapen, inderdaad, als we naar de natuur kijken en de prachtige bomen zien, dan weten we dat Zijn werken groot, geweldig zijn! Ook David heeft het in Psalm 145 bij de Gimel over de grootheid van God: ‘De Aanwezige is groot en zeer te prijzen en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.’ Degene Die op de derde dag, jom Gimel, het gras, de bloemen en bomen deed ontspruiten, Die het zaad zaaide, is ook Degene die onvergankelijk zaad zaait dat blijft tot in eeuwigheid (1 Petrus 1:23).
De Héh, ה de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet, betekent bovenvenster. In het letterverhaal van onze ‘Alephcursus In Zes Dagen’ wordt uitgelegd dat de mens uiteindelijk zelfstandig voor God zal komen te staan, door God als het ware wordt aangeroepen door het bovenvenster van zijn leven en zodoende antwoord kan geven op de roepstem van God als ‘ik tegenover Gij.’ David heeft het in Psalm 25 bij het vers dat start met de Héh over: ‘Leid mij in Uw waarheid,’ zo’n opmerking kan alleen maar komen van iemand die deze ‘ik tegenover Gij-ervaring’ heeft beleefd. Als we kijken naar het leven en de Psalmen van David, dan zien we dat hij inderdaad een heel diepe relatie met God heeft.
De Waw, ו de zesde letter en ook het getal 6 in het Hebreeuwse alfabet, betekent haak, verbindingshaak en deze staat voor de mens. De mens kan dingen aan elkaar haken. De Waw betekent onder meer het koppelwoordje en zoals bij: Abraham en Sarah, aaneengekoppeld, aan elkaar gehaakt als echtpaar zijn ze hier door dat woordje en, door de Waw. ו De mens is ook in staat om zaken aan elkaar te haken; door voorbede een zieke aan God vast te haken bijvoorbeeld. In Psalm 25 is dezelfde vraag van belang. De Waw, de mens, staat rechtop, is zelfstandig, zoals we al zagen bij de Héh. Maar het gevaar voor de mens is dat hij loshaakt van zijn Schepper, loskoppelt en het zelf gaat doen: Waw, Waw, Waw, 666, WWW wordt. Vandaar de vraag van David aan God om hem voort te leiden in de waarheid, zodat hij niet loskoppelt van zijn God, David beseft dat hij ook maar een mens is en hij heeft ook weleens een behoorlijk scheve schaats gereden. Hij weet uit eigen ervaring wat het is om los te raken van God en hoe eenzaam dat maakt. Ook David heeft brokken gemaakt, net als zovelen van ons in onze tijd… ‘Leid mij in Uw waarheid en leer mij’ is van groot belang in ons rechtopstaande zelfstandige mensenleven; om niet los te haken van Hem, maar om het goede te blijven doen en Hem te volgen, Die tot ons in alle eenvoud zei: ‘Volg Mij (Matt.8:22).’
De Zajin ז is de zevende letter van het Hebreeuwse alfabet, ook het getal 7 en betekent zwaard, wapenstok. Deze letter heeft alles te maken met tucht en orde, met het besnijden van de tijd, met het opleggen van discipline. In Psalm 112 komen we de Zajin tegen bij het vers: ‘De oprechten gaat het licht op in de duisternis.’ Wie oprecht op zoek gaat naar God; discipline opbrengt om tijd door te brengen met Hem, Zijn Woord oprecht bestudeert, die laat zich onder Zijn tucht brengen, die geeft Hem de kans om werkelijk een lamp te zijn op zijn pad en een licht voor zijn voet, zoals ook de psalmist van Psalm 119 zegt in vers 105.
De Cheth ח is de achtste letter van het Hebreeuwse alfabet, is ook het getal 8 en betekent onder meer omheining. In Psalm 34 zegt David bij de Cheth: ‘De engel des HEEREN legert zich rondom degenen die Hem vrezen en redt hen uit.’ De engel fungeert hier in feite als een omheining om David heen en zo is hij veilig voor de vijand.
De Teth ט is de negende letter en dus ook het getal 9. Deze mooie letter betekent vruchtbaarheid, maar ook duisternis. Na negen maanden in de baarmoeder, in het donker, wordt het kindje geboren. Op het negende uur tijdens de kruisiging was het geheel duister en gaf Hij de Geest om als Graankorrel de aarde in te gaan en vrucht te dragen met een oogst die nog steeds tot op de dag van vandaag en morgen gaande is; elke keer wanneer iemand tot geloof komt in Hem, dan is dat vrucht van Zijn sterven daar op Golgotha in de duisternis! Het negende scheppingswoord is: ‘Wees vruchtbaar!’ De baarmoeder, dit vruchtbare kamertje in het lichaam van de vrouw is in het Hebreeuws de rechem. רחם Dit woord komt van het werkwoord racham רחם en dit prachtige werkwoord betekent barmhartig zijn. De baarmoeder is dus de ultieme plek waar barmhartigheid bewezen wordt aan de groeiende vrucht. Het kleine kindje is daar warm en veilig. Warm is het Hebreeuwse woord cham חם wat men ook aantreft in het woord racham en rechem. רחם Dit is geen toeval. Het is zeker ook geen toeval dat David het juist bij de Teth in Psalm 145 heeft over de barmhartigheden des HEEREN! Hij koestert ons als een moeder die haar kleintje koestert.
De Jod, י de tiende letter van het Hebreeuwse alfabet en ook het getal 10, betekent zegenende hand en ook lovende hand. Opnieuw is het beslist geen toeval dat David het bij de Jod in Psalm 145 heeft over: ‘Al Uw werken, Aanwezige, zullen U loven en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.’
De Lamed ל is de twaalfde letter van het Hebreeuwse alfabet, het getal 30, en betekent prikstok, die gebruikt wordt om een kudde te hoeden. In Psalm 34 spreekt David bij de Lamed: ‘Komt gij kinderen, hoort naar mij, ik zal u de vreze des Aanwezige leren.’ Typische prikstoktaal! In Psalm 145 spreekt hij er weer van: ‘Om de mensenkinderen bekend te maken hoe machtig en ontzagwekkend Hij is.’ Opvallend is dat het in beide Psalmen gaat om de kinderen, mensenkinderen zijn natuurlijk evenzogoed volwassen mensen, maar opvallend is het wel. Het doet denken aan Jehoshua, Die zegt tegen Petrus in Joh. 21:15-19: ‘Weid Mijn lammeren.’ Hij geeft hier de opdracht aan Petrus om een prikstok te zijn voor de kinderen in het geloof. Overigens blijft het daar niet bij want daarna geeft Hij de opdracht: ‘Hoed Mijn schapen.’ Ook de geloofsvolwassenen mag Petrus uiteindelijk hoeden, vermanen met een prikstok. In het woord Lamed zit het werkwoord lamad, למד wat leren betekent. Om te leren hebben we een prikstok, een stimulans nodig om aan de slag te gaan; het is vaak moeilijk om ons ertoe te zetten. Onderwijs geven is een prikstok voor anderen en dat is wat David zo raak zegt hier in beide Psalmen.
De Mem מ is de dertiende letter van het Hebreeuwse alfabet, het getal 40, hij betekent tijdstroom, waterstroom en staat voor wachttijd. Pas na veertig jaar wachten in de woestijn mag het volk het Beloofde Land binnengaan. De Mem zit ook in het midden van het werkwoord lamad, wat we zojuist behandelden bij de Lamed. In een vorige Tijdstip hebben we dit mooie werkwoord al eens uitgewerkt, maar een beetje herhaling is nooit weg. Wanneer we leren, studeren dan zakt het geleerde nog niet meteen in het geheugen, nee, daar is tijd, wachttijd, herhaling voor nodig, net zo lang tot het indaalt in het geheugen en dan blijft het op zijn plek zitten. Bij het geven van de Alephcursus zeggen wij steevast: ‘Herhalen, herhalen, alleen dan kan de lesstof indalen!’ De laatste letter van lamad is de Daleth, de deur: wie met de prikstok is onderwezen en het geleerde mettertijd heeft onthouden, die is gegaan door de deur van onkunde naar kennis. Maar nu weer terug naar de Psalmen: in Psalm 25 zegt David bij het ‘memvers:’ ‘Wie is de man die de Aanwezige vreest? Hij zal hem onderwijzen in de weg die hij zal hebben te verkiezen.’ In Psalm 34 bij de Mem zegt hij: ‘Wie is de man die lust heeft ten leven, die dagen (tijd!) liefheeft om het goede te zien?’ In Psalm 145 zegt hij bij de Mem: ‘Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen en Uw heerschappij is van geslacht tot geslacht.’
De Samekh ס is het getal 60 en betekent onder meer tegenkracht. Het heeft alles te maken met ondersteuning en het werkwoord samakh סמך wat erbij hoort, betekent dan ook ondersteunen. In Psalm 112 bij de Samekh zegt David dit dan ook: ‘Zij zijn ondersteund voor altoos en in eeuwigheid.’ In Psalm 145 zegt hij het opnieuw: ‘De Aanwezige ondersteunt allen die vallen en Hij richt op alle gebogenen.’
De Ajin ע, het getal 70, betekent oog. Drie van de Psalmen met alfabet gaan dan ook hierover. Allereerst Psalm 34a, waar David bij Ajin schrijft: ‘De ogen des Aanwezigen zijn op de rechtvaardigen..’ In Psalm 112 staat bij de Ajin: ‘…Totdat hij op zijn wederpartijen ziet.’ In Psalm 145a vervolgt David weer bij Ajin: ‘Aller ogen wachten op U…’
De Pe, פ het getal 80, betekent mond. Moshe/Mozes begon op zijn tachtigste met het spreken van Godswoorden tegen de Farao. In Psalm 34 schrijft David bij de Pe: ‘Het aangezicht des Aanwezigen is tegen degenen die kwaad doen, om hun gedachten op aarde uit te roeien.’ Er staat geen Pe genoemd in dit vers, maar het doet denken aan Hebreeën 4:12 waar staat dat uit Zijn mond een tweesnijdend zwaard komt dat vaneen snijdt merg en been, geest en ziel; dat oordeelt de gedachten en overleggingen van het hart. Met Zijn mond oordeelt Hij. Met Zijn mond blaast Hij stormen aan en Hij vliegt erop (Psalm 18:11; 107:25; Zacharia 7:14 en 9:14). Zijn mond is een deel van Zijn aangezicht.
De Tsade צ is het getal 90 en betekent vishaak. Deze bijzondere letter heeft alles te maken met rechtvaardig zijn. Een tsadieq צדיק is in het Hebreeuws een rechtvaardige, een vrome, één van Gods gunstgenoten. Als we dan denken aan een vishaak dan komt meteen de tekst in Mattheus 4:19 naar voren, waar Jehoshua zegt: ‘Ik zal u een visser van mensen maken,’ oftewel, Ik leer je om andere mensen uit hun ellende op te vissen. In Psalm 34 zegt David bij de Tsade: ‘Zij roepen en de Aanwezige hoort en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.’ De grote Tsadieq is het Grote Voorbeeld voor ons in het opvissen van mensen. In Psalm 37 zegt David bij de Tsade: ‘ …Maar de Aanwezige laat hem niet in zijn hand en verdoemt hem niet als hij geoordeeld wordt.’ De grote Tsadieq is langzaam tot toorn en spaart ons. In Psalm 112 staat bij de Tsade: ‘Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden.’ Hij komt niet terug op Zijn beloften; een echte Tsadieq! In Psalm 145 schrijft David verder bij de Tsade: ‘De Aanwezige is rechtvaardig in al Zijn wegen…’ We zien dat bij de Tsade in deze verzen alleen God Zelf genoemd wordt.
De Qoph, ק het getal 100, betekent Oog van de naald. ‘De Aanwezige is nabij de gebrokenen van hart,’ schrijft David in Psalm 34 bij de Qoph: ‘en Hij behoudt de verslagenen van geest.’ Wie ervaart gered te zijn uit zulk een geestestoestand, die weet uit ervaring dat hij door het oog van de naald is gegaan…
De Resh, ר het getal 200, betekent hoofd en principe. In Psalm 111 staat bij de Resh: ‘De vreze voor God is het beginsel der wijsheid.’ Wijsheid wordt gevonden in het hoofd, waar de hersens zijn. God Zelf is het Hoofd van het Lichaam (Efeze 5:23), Hij deelt de principes van Zijn Koninkrijk uit en wie Hem vreest mag delen in Zijn principes.
De Shin, ש het getal 300, betekent tand en heeft alles te maken met vermalen, bijvoorbeeld het vermalen van het verleden, maar ook het verdelgen, vermalen van de vijanden van God. In Psalm 37 zegt David bij de Shin: ‘…Maar de overtreders worden tezamen verdelgd, het einde van de goddelozen wordt uitgeroeid.’ In Psalm 112 staat bij de Shin: ‘Hij zal met Zijn tanden knersen en smelten,’ ook dit gaat over de goddeloze. In Psalm 145 vervolgt David bij de Shin: ‘De Aanwezige bewaart al degenen die Hem liefhebben, maar Hij verdelgt alle goddelozen.’
De Taw, ת het getal 400, betekent teken, kruisteken. God zegt van Zichzelf: ‘Ik ben de Aleph en de Taw, de Eerste en de Laatste.’ Wanneer we weten dat de Aleph staat voor God Zelf en de Taw het kruisteken is dan kunnen we het ook zo vertalen: Ik, de Aleph de Voortrekker en Koploper, heb Mijzelf aan het kruis overgegeven voor jullie. David zegt het zo in Psalm 37 bij de Taw: ‘Doch het heil der rechtvaardigen is van de Aanwezige…’ Hij is ons Heil, Die ons bevrijd heeft van de dood! Het gebeuren op Golgotha kon David nog niet overzien, maar wat heeft hij er vaak over geprofeteerd. Wat wel overduidelijk is aan de Psalmen is dat de Psalmisten toen al de betekenis van de Hebreeuwse letters kenden, deze betekenissen zijn net zo oud als de Taal zelf…