Pelgrimslied, Lied van de opgangen
שיר המעלות
Shir ha‘amaloth
Vers 1
בשוב יהוה את שיבת-ציון
Beshubh JHWH eth shivat Tsion,
Met het terugkeren, de HEERE de gevangenen van Tsion
היינו כחולמים
Hajinu kecholemim
werden wij als degenen die dromen
Vers 2
אז ימלא שחוק פינו ולשוננו רנה
az jimale tsechoq pinu, uleshonenu rinah
toen vulde (met) gelach onze monden en onze tongen (met) gejuich
אז יאמרו בגוים הגדיל יהוה לעשות עם-אלה
az jomru bagojim, higdil JHWH la‘asoth im eleh
dan zegt men onder de volkeren: de HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan
Vers 3
הגדיל יהוה לעשות עמנו היינו שמחים
higdil JHWH la‘asoth imanu hajinu smechim
de HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan, wij werden verheugd
Vers 4
שובה יהוה את שביתנו (שבותנו) כאפיקים בנגב
Shubha JHWH eth shebhitenu (shebutenu) ka’phiqim banegev
HEERE wend ons lot als beken in de Negev
Vers 5
הזרעים בדמעה ברנה יקצרו
Hazorim bedimah berinah jiqtsoru
Zij die in tranen zaaien, zullen maaien met gejuich
Vers 6
הלוך ילך ובכה נשא משך-הזרע בא-יבוא ברנה נשא אלמתיו.
Halokh jelekh ubhakho, nose meshekh hazara, bo jabho berinah nose alumotav
Hij gaat al wenende voort die de zaadbuidel draagt, voorzeker zal hij komen met gejuich, dragende zijn schoven
De Psalm is als volgt ingedeeld: Vers 1 t/m 3 vertellen een geschiedenis; vers 4 is een gebed en vers 5 en 6 zijn een conclusie of misschien wel een profetie?
De auteur van de Psalm is officieel niet bekend, maar er zijn geleerden die het toeschrijven aan Ezra, na de tijd van de ballingschap en de vrijlating van het volk Israël door koning Kores. Echter, wanneer men vers 4 leest, lijkt dit terug te kijken op de vrijlating uit het land der Chaldeeën en lijkt dit een verzuchting te zijn van de Psalmist over de tijd waarin hij dit schrijft en lijkt te verlangen naar zo’n zelfde vrijheid als welke hij beschrijft in de eerste drie verzen…
Pelgrimslied, heet deze Psalm, oftewel letterlijk vertaald: Lied van de opgang, of nog letterlijker: van de opgangen, in het meervoud en afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord alah, עלה wat letterlijk betekent: Hij is opgegaan, omhoog gelopen, naar hoger gebied gereisd.
Dit woord met dezelfde drie letters, maar anders uitgesproken: als oleh, עלה betekent offer, zoals in Genesis 8:20 waar Noach na de zondvloed een altaar bouwt voor God ‘en hij nam van al het reine vee en van al het rein gevogelte en offerde brandoffers, עלה op dat altaar.’ Rook van een offer stijgt omhoog, gaat op naar God toe.
Er is overigens nog een combinatie van Hebreeuwse woorden die te maken hebben met bij God komen, Hem naderen en met offeren: Men nadert tot God; het Hebreeuwse woord hiervoor is Qarabh. קרב Dit Hebreeuwse werkwoord heeft woordverband met het woord qorban, קרבן wat ook, net als oleh, offer betekent. Woordverband is er volgens de Hebreeuwse taaltraditie omdat we de letters van het woord qarabh קרב geheel terug kunnen vinden in het woord qorban: קרבן
Kijk ook eens naar het volgende woordverband; tussen alah, עלה opgaan en alaz, עלז jubelen, vrolijk zijn. Twee letters in deze beide woorden zijn hetzelfde: de Ajin ע en de Lamed ל en de betekenis klopt dan ook: ‘Ik zal opgaan naar Gods Huis met gejubel en gejuich, Ik zal komen in Zijn hof met lof!’ Bijbelstudie doen en daarbij op zoek gaan naar Hebreeuwse woordverbanden is bijzonder zegenend en boeiend!
Opgang waar naartoe? Naar Jeruzalem gaat men op, men loopt letterlijk omhoog, de berg op. Jeruzalem zouden we ook Driebergen kunnen noemen, naar de drie toppen die als een shin ש uitsteken van het grote bergplateau waarop de stad is gebouwd: de Olijfberg, de berg Moriah en de berg Tsion. Het is de bedoeling dat men drie maal per jaar in Jeruzalem komt om de Pelgrimsfeesten Pesach, Shabhuoth (Pinksteren) en het Loofhuttenfeest oftewel Sukkoth te vieren. Deze drie Feesten, Hoogtijden, zijn ook oogstfeesten, waarin de gerst, de tarwe en vervolgens in het najaar het fruit worden geoogst. Deze oogst wordt deels geofferd in de Tempel. Niet voor niets gaat deze Psalm dan ook onder meer over zaaien en maaien!
Shabhuoth, שבעות Pinksteren, is uit het Hebreeuws vertaald het zgn. ‘Wekenfeest’ omdat men voor de aanvang ervan zeven weken telt vanaf de laatste Shabath van Pesach. Shebha שבע is het getal zeven, daar komt het woord shabhua, week, vandaan: een week heeft zeven dagen.
In vers 1 komen we het woord keren, omkeren tegen: shubh. שוב Omkeren kan men zowel ten goede als ten kwade. Men kan zich bekeren tot God, of juist afkeren van God, beide worden aangegeven met het woord shubh. Hier komen we weer uit op het woord shabhua, week; na zeven dagen keert de week zich als het ware naar een volgende week. Vandaar ook dat Shabhuoth wordt gezien als een Feest van bekering, waarbij herdacht wordt dat het volk zich naar God toe keerde aan de voet van de berg Sinai. ‘Wij zullen deze woorden doen en we zullen ernaar horen,’ sprak het volk bij het verkrijgen van de Torah (Exodus 24:7).
Het is opvallend dat het woord shubh woordverband heeft met het woord voor gevangenen, wat verderop in dit vers staat: Shibhah. שיבה Het woord shibhah is afgeleid van het werkwoord shabhah, שבה wat betekent: afvoeren als gevangene. En inderdaad, men was destijds letterlijk afgevoerd als gevangene, niet op naar Jeruzalem, maar af van Jeruzalem, letterlijk naar beneden gaand naar Perzië, het huidige Iran. Het woord shabhah heeft woordverband met shabat, שבת wat betekent staken, stoppen en met zitten: shebhet. שבת Men zit doorgaans in de gevangenis en het gewone leven is gestopt in zo’n situatie…
God doet de gevangenen van Tsion wederkeren, omkeren; hij laat hen vrij door de hand van koning Kores.
Koning Kores had kennis van de God van Israël en heeft een, voor een heidense koning, opmerkelijke uitspraak gedaan: “Zo zegt Kores, koning van Perzie: de HEERE (Aanwezige), de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven en Hij heeft mij bevolen een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is. Wie is onder u van Zijn volk? Zijn God zij met hem en hij trekke op naar Jeruzalem dat in Juda is en bouwe het Huis des HEEREN, de God van Israël. Hij is de God die te Jeruzalem woont. En al wie achterblijven zou, in enige plaatsen waar hij als vreemdeling verkeert, die zullen de mensen in die plaats helpen met zilver en met goud en met have en met beesten, naast nog een vrijwillige gave voor het Huis Gods, Die te Jeruzalem woont.” Opmerkelijk is deze uitspraak; hoe wist hij van de God van Israël? Had hij een droom gehad, hoe heeft God hem bevolen om Zijn tempel te herbouwen? We weten het niet, maar accuraat is het wel! En zo trekt het volk Israël naar huis, keert zich af van de ballingschap en keert zich naar Jeruzalem.
Ze waren/werden als degenen die dromen: ‘Is dit werkelijk waar? Zijn we echt vrij om te gaan na al die jaren?’ Ze mogen hun muziekinstrumenten uit de wilgen halen en gaan! Maar niet zomaar, niet om zomaar een beetje rond te dwalen, nee, ze hebben een opdracht, net zoals bij de uittocht uit Egypte: God bevrijdde Zijn volk ook niet zomaar, nee, Hij sprak tegen Moshe dat hun vrijlating bedoeld is ‘Om Mij te dienen op deze berg (Exodus 3:10)!’ Het was Zijn bedoeling dat het volk zich keerde tot Hem. En ook nu is de bevrijding niet zomaar, maar om het Huis des HEEREN te herbouwen want, alhoewel koning Kores zegt dat Hij te Jeruzalem woont, tijdens deze ballingschap heeft God Zelf ook geen Huis meer; het ligt verwoest…
‘Wij waren als degenen die dromen.’ Het is te mooi om waar te zijn. Het woord voor droom is het Hebreeuwse woord chalom, חלום afgeleid van het werkwoord chalam חלם wat letterlijk betekent: hij heeft gedroomd. Het woord heeft verband met het woord voor raam: chalon חלון en dromen is dan ook door een raam naar een andere werkelijkheid kijken.
“Toen werd onze mond vervuld met lachen.” Lachen is in het Hebreeuws, צחק waarvan ook de naam Izaäk, Jitschaq יצחק is afgeleid. We weten allemaal dat Sarai en Abram lachten toen ze de belofte kregen van God om alsnog op hun oude leeftijd een kind te krijgen. Wie het laatst lacht, die lacht het best, zal Abraham wellicht gedacht hebben toen hij zijn zoon hij zal lachen noemde.
‘Toen zeide men onder de volken: de HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan.’ Het lijkt in deze tekst wel of het volk het zelf nog niet in de gaten heeft dat God grote dingen heeft gedaan aan hen door hen zomaar vrij te laten uit de ballingschap. Als een vogeltje in een kooitje waarvan het deurtje openstaat, maar het vogeltje is te versuft om weg te vliegen. Maar dan hierna de geweldige conclusie: ‘De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan!’ Wat waren wij verheugd! Het muntje is gevallen, de droom is werkelijkheid geworden, we moesten gewoon nog even wakker worden en onze ogen uitwrijven… Prachtig. Hier wordt beide keren gesproken over JHWH יהוה, de Aanwezige en dat zegt alles: Hij is in die hele ballingschap toch gewoon Aanwezig, Hij is de Erbij Zijnde, de Betrokkene. Kores kan wel zeggen dat Hij in Jeruzalem woont, maar Hij is net zo goed bij Zijn volk Aanwezig, ook daar ver van Jeruzalem. Onnavolgbaar God!
Het woord voor verheugd is het Hebreeuwse woord smekhim, שמחים wat in het meervoud staat want: wij waren verheugd. Het woord is afgeleid van het werkwoord samach, שמח wat betekent blij, verheugd zijn. Simchah, שמחה is het zelfstandig naamwoord hiervan en het betekent: vreugde, blijdschap, vrolijkheid. Het woord heeft verband met het woord chamesh, חמש, vijf en daarbij denken we aan de eerste vijf boeken van de Tenach (ons zogenoemde Oude Testament). De eerste vijf boeken zijn natuurlijk de Torah; תורה het volk mag naar huis om haar Torah in vrijheid te gaan bestuderen en dat geeft reden tot blijdschap. Het werkwoord chush, חוש, zich haasten, heeft ook verband met blijdschap; geloof maar dat ze zich haasten om te doen wat Koning Kores hen opdraagt.
Dan in vers vier de vraag: ‘HEERE (Aanwezige), wend ons lot, als beken in de Negev.’ Deze zin lijkt plotseling later in de tijd te zijn gesteld, alsof men in de eerste drie verzen heeft teruggekeken in de tijd en alsof de Psalmist vraagt: HEERE, wend ook nu ons lot als beken in de Negev, want waarom zou de Psalmist dit nog vragen als in de eerste drie verzen duidelijk blijkt dat, jawel, het volk al vrijgelaten is? Dit vers maakt het eigenlijk lastig om te geloven dat Ezra deze Psalm heeft geschreven na de ballingschap want deze hoefde het dan toch niet meer te vragen? Het lot had God toch al gekeerd? De grote geleerde Samson Raphael Hirsch (1808-1888, Duitsland) maakt hier melding van in zijn commentaar op deze Psalm: opnieuw wordt de ballingschap beleefd, ook in zijn tijd en opnieuw roept hij uit: “HEERE, wend ons lot als beken in de Negev,” want de geschiedenis, en helaas ook de geschiedenis van de jodenvervolging, blijft zich herhalen… Wij lezen dit in onze tijd weer heel anders; immers, de Staat Israël is uitgeroepen en hoewel het antisemitisme tegenwoordig zeer floreert, hebben we onze eigen grenzen en dat maakt heel veel verschil.
‘Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien,’ belooft de Psalmist in vers 5. Dat klinkt goed! Er wordt niet bij genoemd dat een oogst ook weleens mislukt door teveel of juist te weinig regen of zon. Hier lijkt het dus te gaan om een geestelijk zaaien en maaien. Men maait wat men gezaaid heeft, dit gaat zo vaak op voor de ouder-kindrelatie, als die slecht was wanneer de kinderen klein waren, dan is ie vaak slecht of zelfs geheel afwezig wanneer de kinderen eenmaal opgegroeid zijn. Wanneer oude mensen zeggen dat hun kinderen hen nooit meer bezoeken, dan mag men zich, zonder te generaliseren, afvragen hoe dit komt? Zijn er door de ouders misschien te weinig tranen aan de opvoeding gespendeerd? Zaaien is geen gemakkelijk baantje…
Maar goed, wat bedoelt de Psalmist hier met zaaien en maaien? Volgens Hirsch maakte God de overwinnaars van God, Israël ישראל tot zaaiers van God: Jizrael, יזרעאל toen Hij hen deed uitgaan in de ballingschap. Jizrael is afgeleid van het werkwoord zara, זרע zaaien. Wat een prachtige vergelijking zien we hier; wat is de bedoeling van de ballingschap: onder meer is de bedoeling dat het volk Israël gaat zaaien, gaat vertellen over hun God! Want hoe zouden de Chaldeeën, onder wie het volk Israël verstrooid is, anders horen van de God van Israël? Jizrael betekent letterlijk: hij zal God zaaien. Het resultaat: zij zullen met gejuich maaien. Wie maaien ze dan: degenen bij wie ze God Zelf gezaaid hebben! Wat een diepte van betekenis!
‘Hij gaat al wenende voort die de zaadbuidel draagt, voorzeker zal hij komen met gejuich, dragende zijn schoven.’
Het woord voor zaadbuidel is het Hebreeuwse woord meshekh, משך, wat is afgeleid van het werkwoord mashakh, משך, wat betekent: trekken, rekken, spannen. Een vissersnet wordt getrokken om de vangst binnen te halen. Wie zei ook alweer dat de discipelen het net aan de andere kant mochten uitgooien? Juist, onze Messias, Mashiach, משיך is het een wonder dat dit woord ook verband heeft met meshekh?
Meshekh heeft verder nog woordverband met Mishlach, משלח, wat betekent: bestemming. Zaad is bestemd om in de aarde te vallen en te sterven zodat het veelvoudig vrucht kan dragen. Hoe zaait Hij Zelf in de drieëndertig jaren dat Hij rondgaat op aarde? Door gelijkenissen te vertellen, die men kan begrijpen. Het woord voor een gelijkenis vertellen is het woord mashal. משל Door de gelijke mem מ en shin ש is er woordverband tussen meshekh, משך en mashal, משל. In Mijn Vaders huis zijn vele woningen, zegt Hij en het is toch opvallend dat het woord voor woning het woord mishkan, משכן, is, wat ook weer woordverband heeft met meshekh, zaadbuidel. Hij, Die Zelf zaait, haalt de oogst binnen want de velden zijn wit om te oogsten. Niets staat toevallig in de Bijbel.
Het woord voor schoof, korenschoof, is het woord alumah, אלמה, afgeleid van het werkwoord alam, אלם, wat betekent: garven binden, maar wat opvallend genoeg ook betekent: zwijgen, verstommen. Wanneer God Zijn oogst binnenhaalt, moeten de volken verstommen, zwijgen uit ontzag voor Hem! Zoals Hij dit in Jesaja 41:1 ook Zelf zegt: ‘Zwijg voor Mij, gij kustlanden,’ en dan zegt Hij verder in vers 8 en 9: ‘Maar gij, Israël, Mijn knecht! Gij Jacob, die Ik uitverkoren heb! Het zaad van Abraham, Mijn liefhebber! Gij, welke Ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en Ik zei tot u: Gij zijt Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren en heb u niet verworpen.’ Dit klinkt als een oogst, toch? Let overigens op de uitroeptekens in dit stuk uit de Statenvertaling, God meent het echt dubbel en dwars en komt niet op Zijn beloften terug. Uiteindelijk is Hij de goede Herder Die Zijn volk bijeenbrengt. Wij wachten met reikhalzend verlangen op Zijn komst!