Honderd jaar geleden was er zeker hoop op een goed samenleven tussen Joden en Arabieren. De Arabische prins Feisal schreef in The Times van 12-12-1918:
“De voornaamste twee takken van de Semitische volkerenfamilie, de Arabieren en de Joden begrijpen elkaar en ik hoop dat op de vredesconferentie elk van beide volken de verwerkelijking van zijn aspiraties duidelijk bevorderd zal zien. De Arabieren zijn niet jaloers op de Joden en willen hun een eerlijke kans geven. Wederzijds begrip voor elkaars streven zal onmiddellijk zelfs het laatste spoor doen verdwijnen van de vroegere bitterheid, die trouwens vóór de oorlog (WO 1) nagenoeg verdwenen was, ten gevolge van het werk van het nationalistische Arabische Geheime Revolutionaire Comité.”
Een krappe twintig jaar later, in 1937, verscheen echter het ‘Rapport van Peel.’ Peel was voorzitter van een commissie ingesteld door de Engelse regering, i.v.m. de Arabische aanvallen op de Joodse gemeenschappen in het toenmalige Engelse mandaatgebied in het West-Jordaanse deel van Palestina:

Adamiet – natuurlijke luchtbrug vlakbij de grens met Libanon
“Er is een niet te onderdrukken conflict gerezen tussen twee nationale gemeenschappen binnen de enge grenzen van een klein land — Ze hebben een verschillende godsdienst en taal. Hun cultuur, hun sociale leven, hun manier van denken en gedrag zijn even onverenigbaar als hun nationale aspiraties — De oorlog (WO 1) en wat daarop volgde (de bevrijding van de Turkse overheersing) hebben alle Arabieren bezield met de hoop om in een vrije* verenigde Arabische wereld de traditie van de Arabische Gouden Eeuw te doen herleven. De Joden worden eveneens bezield door hun historisch verleden. Ze willen tonen wat de Joodse natie tot stand kan brengen, wanneer deze tot het land van haar geboorten terugkeert. Een nationale assimilatie tussen Arabieren en Joden is dus uitgesloten.”