Een heel droevige Psalm ditmaal, geschreven door koning David, die het wel heel erg zwaar heeft en eenzaam neerzit. Tal van emoties en gebreken vermeldt hij in deze Psalm, zoals onder meer eenzaamheid, ouderdom, verschrikking, ziekte, angst en benauwenis. De teneur van de Psalm is donker en de muziek waarschijnlijk een octaaf lager dan gewoonlijk, vandaar het woord hashminith הַשְּׁמִינִית in de aanhef, wat kan betekenen achtsnarige harp, maar wat ook kan betekenen: de achtste toon waarbij bedoeld kan worden: één octaaf (is acht tonen). In dit geval dan ook één octaaf lager dan gewoonlijk: David zingt een toontje lager…
Vers 1
לַֽמְנַצֵּחַ בִּנְגִינוֹת עַֽל–הַשְּׁמִינִית מִזְמוֹר לְדָוִֽד
lamnatseach binginoth al-hashminith mizmor leDavid.
Voor/aan de koorleider met snarenspel op de achtste toon/op de achtsnarige harp, Psalm/lied van David.
Wij hebben al in andere Psalmen die we uitwerkten gesproken over de woorden Psalm en koorleider, dus die laten we nu even liggen. In deze Psalm komt er een ander woord aan de orde: hashminith השמינית wat, zoals al gezegd in de aanhef, onder meer betekent: op de achtsnarige harp. Dit instrument komt ook voor in 1 Kronieken 15:21, waar David onder meer dit instrument laat gebruiken ter opluistering bij het vervoeren van de Ark van het Verbond.
Vers 2
יְֽהֹוָה אַל–בְּאַפְּךָ תֽוֹכִיחֵנִי וְֽאַל–בַּֽחֲמָֽתְךָ תְיַסְּרֵֽנִי
JHWH al-be’aphekha tokhicheni we’al-bachamatkha tejasreni.
Aanwezige, in Uw woede, tuchtig/vermaan mij niet en in Uw toorn/grimmigheid vermaan/straf/waarschuw mij niet.
באפך be’apkha betekent in Uw toorn/woede. Dit woord komt van aph אף woede, toorn. We zien dit woordje ingepakt staan in het woord באפך, de Beth ב betekent in en de sluitkhaph ך betekent uw. Aph אף (spreek uit: af) betekent overigens ook neus en het woordverband zien we vooral in Ezechiel 38:18 waar God spreekt: ‘Maar het zal geschieden wanneer Gog tegen het land Israëls zal aankomen, spreekt de Here Aanwezige (JHWH יהוה), dat Mijn grimmigheid (chamati) חמתי in Mijn neus (be aphi) באפי zal opkomen.’ Dit staat nog te gebeuren…
Typisch is dat aph אף woordverband heeft met het woord afudah אפדה wat onder meer betekent afgodsbeeld, zoals bijvoorbeeld beschreven in Jesaja 30:22 en waar God keer op keer toornig, grimmig over wordt.
Het woord tokhicheni תוכיחני betekent getuchtigd, vermaand worden. Het woord is afgeleid van het werkwoord tuchtigen, vermanen jakhach. יכח Tokhicheni is hier, opmerkelijk genoeg, geschreven in de zgn. doevorm. Dit doet vermoeden dat er weer zo’n typisch Hebreeuwse diepzinnigheid achter schuilt want waarom moet de vervoeging van dit woord jakhach de doevorm zijn? Zou het kunnen zijn dat God David doet tuchtigen, doet vermanen? Zou het zo kunnen zijn dat David door deze Psalm heen het volk Israël tuchtigt, vermaant door eerst zelf door zijn God getuchtigd en vermaand te worden? Wanneer we deze Psalm goed in ons opnemen en dat kan alleen door herhaaldelijk lezen, dan zien we dat de klacht van David, ook weer de klacht is van het volk Israël door de eeuwen heen, ja zelfs heden ten dage. Israël heeft tuchtiging, vermaning nodig; er is een eigen staat met eigen grenzen, maar de harten van nog niet alle Israëli’s gaan naar hun God uit, dus is hier ook tuchtiging en vermaning nodig en wij in deze tijd kunnen getuchtigd en vermaand worden door de Psalmen van David te lezen. Overigens komt dit werkwoord ook in de lijdende vorm voor en betekent dan recht verkrijgen, voor de rechter gaan. Dit is toch weer een andere betekenis dan tuchtigen, vermanen.
Vers 3
חָנֵּנִי יְהֹוָה כִּי אֻמְלַל אָנִי רְפָאֵנִי יְהֹוָה כִּי נִבְֽהֲלוּ עֲצָמָֽי
chaneni JHWH ki umlal ani repha’eni JHWH ki nibhhalu ‘atsamaj
wees mij genadig JHWH want ik kwijn weg/verwelk/verlep; genees mij JHWH want mij verschrikt/verbijstert mijn gebeente
Wees mij genadig. חנן chanan is hier is hier het stamwerkwoord, bestaande uit de Cheth ח en tweemaal een Nun: נ en ן (sluitnun, deze komt alleen aan het einde van een woord voor). De Cheth is de achtste letter uit het Hebreeuwse alfabet en deze letter betekent: omheining, hek, maar ook verinnerlijking. Het woord voor zonde: chet’ חטא begint ook, niet verwonderlijk, met deze letter. Genade, chanan חנן is nodig als we gezondigd hebben; we hebben Zijn vergeving nodig. De nun נ in het woord chanan is een oud woord voor vis en deze staat voor vrijheid. Zo vrij zijn als een vis in het water. Wonderlijk dat het woord chanan uit deze twee letters, Cheth en Nun, bestaat en dat deze letters ook alles met de betekenis van chanan te maken hebben: Zijn genade maakt vrij (Nun), in Zijn genade zet Hij een omheining (Cheth) om ons leven om ons veilig te houden tegen invloeden van buitenaf en op deze manier kunnen wij Zijn Woord verinnerlijken (ook Cheth). David ervaart dit ook zo, dat blijkt wel uit meerdere van zijn Psalmen.
Chanan חנן heeft woordverband met Noach, נח die dan ook genade vond in Gods ogen (Genesis 6:8). Ook heeft het woordverband met Nun, נון de vader van Jozua, wiens naam ook weer betekent vis, welke staat voor vrijheid. Zodoende is Jehoshua/Jozua, als zoon van de man wiens naam vrijheid betekent (Jozua 1:1), een voorgestalte geworden van Jehoshua/Jezus, Wiens naam ook Jozua zou zijn in onze taal (waarom zijn Naam verbasterd is naar de Spaanse naam Jezus??) en Die de Zoon is van de Bevrijder, Degene die Zijn volk, net als Jozua, binnen zal leiden in het Beloofde Land. Deze diepzinnigheden vallen pas op wanneer we het Hebreeuws bestuderen.
David klaagt ook in vers 3 dat hij wegkwijnt, oemlal. אמלל Och, hoe vaak maakt hij dit mee! Hij heeft vele hoogtepunten gekend, maar vast en zeker even zovele dieptepunten! Heel vaak is hij wanhopig in zijn Psalmen en wat kunnen we daar veel herkenning uit putten. Oemlal komt van de werkwoordstam malal מלל wat onder meer betekent: wegkwijnen, verleppen. David voelt zijn kracht van zich wijken en dat komt door meerdere oorzaken: hij is bang voor Gods woede (vs.2); hij is verzwakt (vs.3); hij is ziek (vs.3); hij is verschrikt (vs.3,4); hij is ongeduldig (vs. 4); zijn ziel is gevangen (vs.5); hij is moe omdat hij het zwaar heeft (vs.7) en omdat hij huilt in plaats van te slapen (vs.7); hij voelt zich oud door verdriet over zijn tegenstanders (vs.8).
Het is niet vreemd als we het voorgaande lezen, dat malal woordverband heeft met melekh, מלך koning. Ook de koning kwijnt weleens weg, hij is ook maar een mens, melekh komt van het werkwoord malakh מלך wat heersen betekent.
Dan het woord lamad, למד leren. Dit woord heeft ook woordverband met malal door de gelijke Lamed ל en Mem מ in deze twee woorden. Leren is eigenlijk steeds opnieuw vragen naar het waarom: lamah. למה Dit zien we David ook doen. Hij is een uitgelezen student van zijn God. Zijn Psalmen zijn leerdichten, die de lezer en luisteraar ervan vermanen! En doordat hij die geschreven heeft en zich in zijn eigen ziel zo kwetsbaar heeft opgesteld, leren wij weer van hem en bovenal over de trouw van zijn God, Die ook onze God mag zijn. Leren is het antwoord op wegkwijnen; door te leren worden er deuren geopend naar nieuwe dingen. Het woord leren, lamad למד bestaat uit een Lamed ל welke betekent prikstok. We hebben een prikstok nodig om aan de slag te gaan. Dan in het midden is er de Mem, מ welke betekent wachttijd. Het geleerde zit er niet zomaar in, nee, het duurt even, we hebben zitvlees nodig om echt voor de studie te gaan zitten; hersens alleen zijn niet genoeg :-), maar daarmee bereiken we dan ook de opening van een nieuwe verte van kennis, namelijk door de derde letter van het woord lamad, de Daleth. ד Hoe diepzinnig! Davids middel tegen het wegkwijnen is een nieuwe Psalm te schrijven, iets nieuws te leren van zijn God en getuchtigd te worden waarmee hij zelf ieder die zijn Psalmen leest kan tuchtigen.
Vers 4
וְנַפְשִׁי נִבְֽהֲלָה מְאֹד ואת (וְאַתָּה) יְהֹוָה עַד–מָתָֽי
Wenaphshi nibhehalah me’od we’eth (we’atah) JHWH ad-mataj
en mijn ziel wordt zeer opgeschrikt/verschrikt en U, JHWH, tot wanneer/hoe lang…?
In vers 4 klaagt David over ‘mijn ziel, naphshi נפשי die zeer verschrikt is.’ In een eerdere Tijdstip hebben we al eens aangehaald dat het werkwoord van de ziel, nephesh, het woord naphash is, wat betekent op adem komen, uitrusten. Als de ziel in een verschrikte toestand is, dan is dat het geheel tegenovergestelde van rust en dan moet er ingegrepen worden. Het woord voor verschrikt is hier het woord nibhalah, נבהלה wat stamt van het werkwoord bahal, בהל en dit betekent schrikken, verbijsterd zijn.
Bahal heeft woordverband met balah, בלה versleten, afgedragen zijn en wat in de versterkte vorm: bileh בלה zelfs betekent: wegteren.
Vers 5
שׁוּבָה יְהֹוָה חַלְּצָה נַפְשִׁי הוֹשִׁיעֵנִי לְמַעַן חַסְדֶּֽךָ
Shubhah JHWH chaltsah naphshi hoshi‘eni lema‘an chasdekha.
Keer om, JHWH, bevrijd/ruk los/red mijn ziel, red mij omwille van Uw goedertierenheid/goedgunstigheid.
In dit vers zien we waarom David zich eenzaam voelt wanneer hij God aanroept: ‘Keer terug, shubhah שובה, Aanwezige (JHWH, יהוה).’ Alsof God Zich van David heeft afgekeerd, zo wordt het door hem ervaren. Geen wonder dat David zo in zak en as zit. Het stamwerkwoord is hier shubh, שוב wat omkeren/bekeren betekent. Bekering is teshubhah תשובה en dit woord stamt uit dezelfde werkwoordstam. Omkeren kan zowel naar de goede als naar de verkeerde kant.
In hetzelfde vers zegt David: Red mij omwille van Uw goedertierenheid, chas’dkha. חסדך Chasad חסד is hier het stamwerkwoord en dat betekent liefde, trouw betrachten. Het gaat hier om God Zelf, om Zijn liefde en trouw, David beseft dat hij niets in te brengen heeft, dat het geheel en alleen om zijn God draait. Dit maakt zijn levenshouding zo bijzonder en het is vast een reden waarom hij de man naar Gods hart is; hij houdt er geen praatjes op na over hoeveel overwinningen hij heeft behaald, hij stelt zich daarentegen keer op keer kwetsbaar op tegenover zijn God. In het woord chesed zit het woordverband met het werkwoord sod סוד en dat betekent onder meer vertrouwelijke omgang hebben met iemand. Daarin zit hem Gods goedertierenheid voor David: de vertrouwelijke omgang die David met zijn God mag genieten.
Vers 6
כִּי אֵין בַּמָּוֶת זִכְרֶךָ בִּשְׁאוֹל מִי יֽוֹדֶה–לָּֽךְ
Ki ein bamaweth zikhrekha bishe’ol mi jode-lakh.
Want er is in de dood geen gedachtenis aan U, wie zal U danken in het dodenrijk?
In vers 6 staat iets heel belangrijks waar wij als christenen iets van kunnen leren: velen van ons hebben geleerd dat we naar de hemel gaan wanneer we sterven, maar David zegt hier iets heel anders. Zoals God Zelf al sprak in Genesis: ‘Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren (Gen. 3:19b),’ zo vraagt David zich af wie God nog zal danken vanuit het dodenrijk en waar zal de gedachtenis zijn aan God in de dood? Ook de Psalmist van Psalm 88 schrijft dit in vers 11-13. We moeten niet vergeten dat David een zeer groot profeet is geweest en zijn woorden dienen dan ook als profetische woorden opgevat te worden. Meerdere Bijbelteksten geven aan dat we inderdaad in het stof gaan slapen wanneer we sterven; denk aan Samuel wiens rust wordt verstoord door Saul bij Endor, hij kwam op uit de aarde, staat er (1 Sam. 28:13,15) en denk aan de teksten in het Nieuwtestamentische boek Openbaring, waar staat dat alleen de doden, die zijn gedood om de naam van God, zullen opstaan en dat de rest van de doden ‘nog niet weer levend worden’ tot na het duizendjarig rijk (Openbaring 20:4-5). Denk ook aan de tekst waar geschreven staat dat God de doden op zal halen uit de zee en uit het dodenrijk (Openbaring 20:13). Deze Bijbelteksten logenstraffen het denken dat we meteen naar de hemel zouden gaan wanneer we sterven. Juist de teksten in het boek Openbaring zijn hier zo belangrijk omdat ze handelen na de kruisiging en opstanding.
David noemt de dood, mut. מות Denk maar aan het Engelse woord mute, zwijgen, stil zijn. Verderop in dit vers noemt hij het dodenrijk, She’ol שאול en dit woord heeft woordverband met het werkwoord sha’al, שאל vragen, opeisen. In het dodenrijk is de kans tot vragen stellen voorbij, sterker nog: het dodenrijk eist de mens op.
Vers 7
ָיגַעְתִּי בְּֽאַנְחָתִי אַשְׂחֶה בְכָל–לַיְלָה מִטָּתִי בְּדִמְעָתִי עַרְשִׂי אַמְסֶֽה
Jag‘ti be’anchati as’cheh bechol-lailah mitati bedimati arsi amseh.
Moe ben ik in mijn zuchten/kreunen/rouwen, ik zwem de hele nacht in bed van mijn geween, mijn bed/rustbank doe ik vloeien.
Moe is hier het woord jaga‘. יגע Niet moe van de situatie, maar van zichzelf, zijn eigen gezucht, wat moet men daar nu van denken? Hij kan niet stoppen met huilen, het beneemt hem de slaap, hij doorweekt zijn bed, och toch… Diepe ellende… Het werkwoord moe zijn, jaga‘ יגע, heeft verband met het werkwoord ja‘abh יעב, donker maken, in wolken hullen en dit woord is te vinden in Klaagliederen 2:1 Waar Jeremia klaagt: ‘Hoe heeft de Here de dochter Tsions in Zijn toorn bewolkt…’ Het woord voor zuchten is het werkwoord anach אנח, wat ook rouwen betekent. In het woord anach אנח vinden we het woord ach אח, wat betekent broer. Waar zijn de broers van David eigenlijk, waar is iedereen gebleven, zelfs zijn naaste familie is afwezig.
Vers 8
עָֽשְׁשָׁה מִכַּעַס עֵינִי עָֽתְקָה בְּכָל–צֽוֹרְרָֽי
Asheshah mika‘as eini atqah bekhol-tsorerai.
Verkwijnt van verdriet/ergernis mijn oog is verzwakt van al mijn benauwers.
Verdriet/ergernis, ka‘as כעס heeft woordverband met het woord kesel, כסל wat betekent: zich dwaas gedragen, maar het betekent ook: dwaze hoop, verwachting, vertrouwen hebben en dit past ook in deze Psalm weer zo goed! Is hoop niet vaak als dwaasheid? Tegen beter weten in toch de dingen van God verwachten, komt op veel buitenstaanders over als gekheid. Toch vraagt God dit vaak van ons, iedereen kan wel iets noemen uit zijn of haar leven waar men hoopte tegen beter in en het werd nog vervuld ook! David heeft dit ook, dus we zijn in goed gezelschap. Kijk maar in vers 9, 10 en 11, waar de teneur weer hoopvol wordt: God zal hem verhoren en de vijanden zullen terugdeinzen. David verwacht het en het gebeurt….
Ook nu in onze tijd is er die hoop dat God zal ingrijpen in de steeds nijpender wordende situatie rondom de grenzen van het landje Israël. Vijanden dringen van alle kanten op en benauwen Israël. David zegt het in dit vers ook: benauwd wordt hij door zijn tegenstanders. Het woord voor benauwd is het woord tsar, צר afgeleid van het werkwoord tsarar צרר , benauwen. Op dit moment wordt ons kleine landje Israël ook weer benauwd door de druk van met name Iran, die Syrië gebruikt om raketten te huisvesten die op Israël gericht worden. Er staan minimaal honderdduizend raketten op ons kleine landje gericht, dat kan heel benauwend werken. Vanuit Gaza vallen dagelijks brandbommen op Israël, die heel veel schade doen aan vee en land. Maar wat profeteert Habakuk dan weer zo mooi in 3:16b: ‘Zeker, ik zal rusten ten dage van de benauwdheid…’ Het woord voor rusten is hier weer het woord nuach, נוח het woord dat alles te maken heeft met genade en rust. Zo is het ook weer, dit weet Habakuk; dit weet David en wij mogen het ook weten: het komt op hoop aan; hoop op het ingrijpen van onze God!
Vers 9
סוּרוּ מִמֶּנִּי כָּל–פֹּעֲלֵי אָוֶן כִּֽי–שָׁמַע יְהֹוָה קוֹל בִּכְיִֽי
Suru mimeni kol-po‘alej aven ki-shama JHWH qol bikhji.
Wijk van mij al gij werkers van onrecht/onheil/slechtheid want God heeft gehoord de stem van mijn geween.
David jaagt de vijand weg! Hij heeft gebeden, God heeft zijn tranen gezien en dat is genoeg! Wat een geloof, wat een hoop! Wat een pastorale boodschap zit hierin voor een ieder die het lezen wil. Wijk van mij,’ sur, סור betekent afwijken, afslaan. Sur heeft woordverband met het woord ramas, רמס vertreden. In Psalm 7:5,6 bedient David zich van dit woord wanneer hij tegen God zegt dat zijn vijand hem mag vertreden, mocht hij iets misdaan hebben. Daarmee wil David juist duidelijk maken dat hij helemaal niets misdaan heeft! Als we dit doortrekken naar het volk Israël van nu, dan kunnen we denken aan de tekst in Jesaja 41:11, waar God zegt: ‘Zie, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niets en de lieden die met u twisten zullen vergaan.’ Wijken zullen ze, God zegt het Zelf!
Vers 10
שָׁמַע יְהֹוָה תְּחִנָּתִי יְהֹוָה תְּֽפִלָּתִי יִקָּֽח
Shama JHWH techinati JHWH tephilati jaqach.
De Aanwezige, Hij heeft gehoord mijn smeekgebed; de Aanwezige zal mijn gebed aannemen.
Het woord voor smeekbede is het Hebreeuwse woord techinah: תחנה het betekent ook genade (van chanan) חנן en medelijden. Het werkwoord van dit woord is het woord chanah חנה wat, zoals we al eerder zagen, zich neerleggen, gaan rusten betekent. Bij de behandeling van Psalm 91 en Psalm 4 hebben we dit al eens uitgebreid uitgelegd: klagen doen we in de rust van de nacht, onder Zijn vleugelen. Het woord voor klagen en voor overnachten is eigenlijk één en hetzelfde woord: mitlonen מתלנן (stamwoorden lon: לון klagen en lin: לין overnachten) en dit is geen toeval. ‘Dus,’ zegt David in Psalm 4:5: Roddel niet, ga niet je gram halen, maar zeg alles wat je overdag geraakt heeft tegen God in de nacht, op je bed en daarna verder zwijg je erover tegen anderen die er niets mee te maken hebben!’ David past dit zelf toe; hij zegt al eerder in deze Psalm dat zijn bed zwemt van zijn tranen, die plengt hij dus in de nacht, onder de vleugels van zijn God (Psalm 91:4). Wat David zelf doet, dat leert hij ook ons!
‘De Aanwezige neemt mijn gebed aan,’ zegt David hier. Het woord voor nemen, aannemen is het woord laqach. לקח Maar niets is toevallig: het woord laqach is ook het stamwoord voor het woord leqach, wat precies zo geschreven wordt, maar anders beklinkerd en wat lering, onderwijzing of leerdicht betekent. God neemt Davids gebed aan en onderwijst hem tegelijkertijd. Wat doet David: zoals gezegd, door het als Psalm op te schrijven onderwijst hij vele latere generaties, waaronder ook de onze, laat het ons gezegd zijn ϑ.
Vers 11
יֵבֹשׁוּ וְיִבָּֽהֲלוּ מְאֹד כָּל–אֹֽיְבָי יָשֻׁבוּ יֵבֹשׁוּ רָֽגַע
Jebhoshu wejibahalu me’od kol-ojebhaj jashubhu jewoshu raga.
Hij zal hen, al mijn vijanden, zeer beschaamd en verschrikt doen staan, Hij zal hen plotseling doen omkeren.
Jabhash יבש is het Hebreeuwse woord voor beschaamd, verdroogd, verdord zijn. Ervan afgeleid is het woord jabhesh יבש dat droog, verdroogd, vergaan betekent. Wie beschaamd staat verdroogt, verdort en vergaat. Is dit nu een verklaring van haat wat David hier doet? Is het nu echt de bedoeling dat mensen dan maar vergaan? Het is zo tegenstrijdig met wat Jehoshua ons heeft geleerd: ‘Heb je vijanden lief…’ Maar kijk eens naar Psalm 83:18 en 19 waar Asaf precies hetzelfde zegt, maar daar in vs. 19 aan toevoegt: ‘Opdat zij weten dat Gij alleen met Uw naam zijt de Aanwezige, de allerhoogste over de ganse aarde.’ Wie vergaan is, die weet niets meer, maar er wordt wat anders bedoeld: de vijand als vólk vergaat, maar de individuen van dit volk weten dan wie God is en kunnen zich bekeren, zo zit het! David zegt dit ook in dit vers: God Zelf zal hen omdraaien, hen bekeren jashubhu! ישובו Wat een kracht spreekt er uit dit vers. Volkeren zullen op de knieën gedwongen worden voor de grote majesteit van onze God. Er is hoop voor het volkje Israël, die hoop is God Zelf, Die Zijn volk niet laat vallen, net zoals Hij David niet heeft laten vallen. Wie dat gelooft zegt: amen!