Uit Lechajim, van wijlen ds. R Strijker
1. Het belangrijkste Israëlitische experiment was ten tijde van koning Salomo: ‘Ze aten, dronken en waren blij’ is de korte kenschetsing van dit vrederijk (1 Kon. 4:20). Dit experiment is niet mislukt vanwege het onrealistisch karakter ervan, maar door menselijke schuld: Salomo liet zich verleiden door invloeden van buitenaf als Eva in de hof van Eden (1. Kon. 11:4; Gen.3:6).
2. Ons oriënteren aan het Jodendom wil vooral zeggen, dat we met ontbrilde ogen en ontpropte oren de Bijbel opnieuw gaan lezen en beluisteren en ons als nooit te voren laten aanspreken door de Torah van Israëls God, door Zijn Wegwijzer voor leven en samenleven.
3. Israëls God is niet één van die vele ‘goden,’ maar Hij is de Schepper van die allen; Hij schiep de hemel en ‘al hun heerscharen’ (Gen.2:1): “Zebaoth” (tsebhaoth, hemelse machten) is nagenoeg synoniem met ‘Elohim.’
Onlosmakelijk is de naam ‘Israël’ gekoppeld aan God. God is niet God-in-het-algemeen, maar déze God. Zoals er geen mens is in-het-algemeen, maar alleen déze mens, Jan, Piet of Klaas, verbonden aan déze familie, dít volk, dít land, zo is Hij de God van Abraham, Isaäk en Jacob, Die Zich verbonden heeft aan dít volk, aan dít land. ‘Israël’ is als het ware Gods achternaam. ‘God is nergens als Hij niet ergens is’ (Miskotte): Hij heeft zich aan Israël verbonden om vandááruit heel de mensheid van dienst te zijn.
(uit Lechajim, drs. R. Strijker 1991)