Het woord ‘priester’ wekt nogal eens verwarring. Het woord priester komt van het Griekse ‘presbuteros’ (presbyter) dat ‘oudste’ betekent. Een priester is iemand die op grond van een bepaalde begaafdheid uitverkoren is tot de dienst van Israëls God. De God van Israël is een God van uitverkiezingen. Niet dat de ene mens beter is dan de andere maar omdat de ene nu eenmaal geschikter is in Gods ogen voor het één dan de ander, die in Gods plan uiteraard ook een unieke bestemming heeft.
Zo kiest Adonai Abhraham uit een heleboel mensen en via Abhraham kiest Hij Yitschak/Izaäk en niet Yismael. Vervolgens kiest Hij Yaaqobh/Jacob en niet Esav/Esau en vervolgens Lea om moeder te worden van Yehuda/Juda waar de Meshiach/Messias uit voort zal komen. Dat laatste is een wel zeer bijzondere geslachtslijn: we lezen over de opmerkelijke verhouding tussen Juda en zijn schoondochter Tamar; Rachab, de hoer van Jericho en over Ruth, de Moabitische, zij zitten allemaal in het DNA verpakt van koning David, de oervader van Jehoshua van Nazareth.
Bovenal verkiest Adonai Levi. Niet dat Levi nu zo’n brave man was! Samen met zijn broer Shim’on/Simeon hadden zij bijna een heel dorp uitgemoord! Toch verkiest Adonai de stam Levi boven de andere stammen om dienst te doen voor Hem en binnen Levi de stam van Aharon. Alléén de nakomelingen van Aharon mogen het hogepriesterschap vervullen. Als enige van de stammen kregen de Levieten geen grondgebied toegewezen en werden zij onderhouden door de afgedragen ‘tienden’ van de overige stammen.
Een oudste (‘zaqén’ in het Hebreeuws) is iemand die op basis van een bepaalde leeftijd tot deze dienst geroepen is. Voor God zijn alle mensen gelijk, maar niet gelijktijdig: er zijn eerderen (ouderen), die eerder dan de anderen tot antwoord, tot verantwoordelijkheid zijn geroepen. De eerbied voor de oudsten is een grondpijler van de Bijbelse samenleving: het eren van de oudsten is de erkenning van hun uitverkiezing.