Wat is dankzeggen? Danken is antwoorden op het Woord, op de Beloften en Daden van Israëls God. Hoe kan dan de ‘Bediening van het Antwoord’ (= dankzeggingsdienst) van een hogere orde zijn dan de ‘Bediening van het Woord?’ Voor meer zicht op deze thematiek zijn drie Bijbelse gegevens van belang.
Allereerst het gegeven dat God als Schepper een band heeft met elk schepsel. Alle dingen zijn door het Woord geworden (Johannes 1:3). Daarom spreekt elk schepsel in eigen taal van Gods grote daden. Elk schepsel, dus ook elke boterham en elk glas wijn vertellen over de grootheid van God als Schepper.
Het tweede gegeven is dat brood en wijn geen gewone, maar bijzondere scheppingsgaven zijn. Ze zijn in de Bijbel van een latere datum: er is pas sprake van brood na de zondeval (Genesis 3:19) en van wijn na de zondvloed (Genesis 9:21). Brood en wijn verwijzen, behalve naar God als Schepper, heel bijzonder naar Hem als Bevrijder. Zowel de tekentaal van het brood, van de graankorrel die sterft en opstaat uit de donkere aarde, als de wijn, de wijndruif die volledig uitgeperst wordt waardoor juist deze kostelijke drank ontstaat, verwijzen naar de Liefde en de Zelfovergave Gods, die een ultieme, historische gestalte kreeg in de dood en opstanding van Jêhóshua van Nazareth. Brood en wijn zijn dus in dubbele zin met Hem verbonden. Immers, Hij is het Woord waardoor alles geworden is (Johannes 1:1) en Hij is ook Degene naar Wie brood en wijn verwijzen: Hij is de inhoud van hun symboliek.
Dan is er nog een derde Bijbels gegeven dat, voor de kernvraag over wie de prioriteit heeft – dankzeggingsdienst of woordbediening – van groot belang is. Danken is niet enkel een woordenspel: er gebeurt iets op het moment dat er gedankt wordt. Volgens de Bijbel verbindt Israëls God Zich met onze lofprijzing en lofzegging: ‘Hij troont op de lofzangen van Israël (Ps. 22:4).’ God, Die troont in de hemel, daalt neer op onze dankzegging: door te danken halen we Hem naar ons toe, geven we Hem een plaats in ons midden. Dat geldt met name ook voor de dankzegging over brood en wijn. Er gebeurt iets met het dagelijks brood voor ons op de huistafel als wij simpelweg bidden: ‘HERE, dank U voor deze spijze, amen.’* Er gebeurt zeker iets als we op de vooravond van de wekelijkse Rustdag, de Shabath, aan de feestelijk gedekte huistafel, of op Zondagavond in de gemeentekring de oeroude dankzeggingen** uitspreken over de wijn en het brood. Door ervoor te danken worden deze scheppingsgaven geheiligd = op een bijzondere wijze met de Heilige Israëls verbonden waardoor deze scheppingsgaven meer zijn dan gewoon brood en wijn. Komend vanuit de schepping zijn ze door de dankzegging betrokken geraakt in het historische krachtenveld van Gods bevrijdend handelen, van Kruis en Opstanding, ja, van de Opgestane Zelf: ‘Dit is Mijn Lichaam voor U!’
* Brood en wijn zijn nooit, nooit en nergens, niet in de kerk niet aan de huistafel en niet in het restaurant, los te denken van Israëls God, van Zijn Liefde en Zijn Zelfovergave die de ultieme belichaming kreeg in Man van Nazareth, in Zijn dood en opstanding. Bij elke boterham, ook zonder dat we het ons realiseren en zonder ervoor te danken, eten we en genieten we van een scheppingsverschijnsel waarin God Zelf Zich weerspiegelt, waarin Zijn Unieke Liefde, Zijn Zelfovergave zichtbare en tastbare gestalte krijgt, waarin Hij Zich letterlijk ‘belichaamt’.
** De oudste ons bekende eucharistie is de Joodse dankzegging (= berákháh= eucharistie): Bárukh ‘Atáh, Adonaj, Elohenú, Melekh ha`olam, hamotsí lechem min ha’árets = Wij danken U, HERE onze God, Koning der wereld, Die het brood uit de aarde doet voortkomen). Zeer terecht mag men aannemen dat ook Jezus/ Jêhóshua steeds deze dankzegging zal hebben uitgesproken bij alle maaltijden waarin Hij als Gastheer optrad, zoals bij de vermenigvuldiging van de broden (Lukas 9:16); bij de Pesachmaaltijd (Lukas 22; 19) en bij de Emmaüsgangers thuis op Paaszondagavond (Lukas 24:30). Het Hebreeuwse werkwoord bérékh – in het Grieks eulogeoo – is de technische term voor het uitspreken van dé bêrákháh = dé betreffende, algemeen aanvaarde, dankzeggingswoorden die ieder Joods kind van jongs af aan voor diverse gelegenheden heeft leren uitspreken. Daarom mag men terecht aannemen dat Jêhóshua zowel bij de broodvermenigvuldiging als bij de Pesachmaaltijd en ook op die Zondagavond bij de Emmaüsgangers thuis dé dankzeggingswoorden uitgesproken heeft; niet één, maar dé algemeen gangbare, de aloude dankzeggingswoorden: Bárukh ‘Atáh, Adonaj, Elohenú, Melekh ha`olam, hamotsí lechem min ha’árets.
Het is merkwaardig dat zowel in katholieke als in de protestantse avondmaalsliturgieën deze aloude dankzegging ontbreekt, sterker nog: dat praktisch de hele dankzegging over het brood en de wijn ontbreekt, met uitzondering van enkele vage verwijzingen in de allernieuwste liturgieën. Alle nadruk ligt op de meer of minder magisch geladen inzettingswoorden. Waarom is dat?
Een voorbeeld van een meer uitgebreide dankzegging over brood en wijn, die vooraf kan gaan aan de klassiek Hebreeuwse:
U danken wij, HERE onze God, Koning der wereld, voor de vrucht van de wijnstok waarin Uw Liefde Zich weerspiegelt, Uw Zelfovergave, én voor het brood, dat U uit de aarde doet voortkomen; voor het wonder van de graankorrel die sterft en opstaat uit de donkere aarde, zoals U Uw volk Israël deed opstaan uit het donker van Egypte; en Uw Zoon uit onze dood vandaan; voedt Gij ons met hemels Brood en met de Kracht van Uw Heilige Geest.