Danken, jádah ידה is God naderen קרב (qárabh): een dankzegging is een nadering קורבן (qorban). De vertaling van qorban als offer heeft veel misverstand gewekt. Offer betekent letterlijk aanbieding, maar heeft de bijklank van verdienstelijk werk, terwijl de dankzegging slechts een wéér-woord is, een ánt-woord op het Woord. Door te danken halen wij God ook naar ons toe want staat er geschreven in Psalm 22:4: ‘God troont op de lofzang van Israel.’ Al dankend scheppen wij zo een weg waardoor Hij naar ons toe kan komen: door gebed, dankzegging en lofprijs. Danken, jadah ידה, bevat de letters Jod Heh יה die samen het woord Jah, God vormen. Ware dankzegging is op Hem gericht. Mooi ook dat in het woord voor jadah ook de letters Jod י Dalet ד staan, die tezamen het woord voor jad יד, hand vormen. Danken is God met onze handen prijzen.
Zegenen is een vorm van zeggen: kracht toe-zéggen, toe-spréken. Het Hebreeuwse woord voor zegenen is berékh. ברך Een synoniem is hodah, הודה waarvan het woord Jehuda יהודה of Juda: Godlover (Gen. 29:35). Zegenen betekent ook verdubbelen, vermeerderen, iemand als het ware rijker maken met de zegeningen die wij hem of haar toebidden. Het is goed elkaar te zegenen en zeker als ouders de kinderen en kleinkinderen. In veel Joodse huisgezinnen worden iedere vrijdagavond vlak voor de kidoesh, de zegening over wijn, de kinderen gezegend met de Aronitische zegenspreuk uit Num. 6:24-26.
Wanneer wij als mensen niet danken/lofzingen, dan zijn we als op het niveau van de collectieve wezens, de planten, de dieren. De mens vegeteert dan in de wereld, zoals koeien in het weiland grazen. Hij houdt op ten volle mens te zijn” (van Ruler, a.w. 42). Niet dat koeien buiten de lofprijzing staan. Er is een natuurlijke, creatuurlijke, vanzelfsprekende lofzang: het riet ruist tot Zijn eer, de vogels zingen Zijn lof, de bergen jubelen en de rivieren klappen in de handen (Ps. 89:13; 98:8). Zo zijn ze geprogrammeerd. Ze kunnen niet anders dan hun Schepper loven. Hun gemeenschappelijke program, hun collectieve naam, dwingt hen daartoe.
Maar onze lofzang is bewust, berust op een keuze. Er is geen groepsgeest die ons op commando tot zingen dwingt. Zolang we nog onmondig zijn (nog niet in staat tot zelfstandig kiezen) kunnen we wel door de dwingende groepscultuur van familie of volk worden meegenomen en min of meer vanzelfsprekend Gods lof gaan zingen. Maar vroeg of laat móeten we kiezen: Hem prijzen of niet?