Leesadvies: lees allereerst psalm 8 in uw eigen Bijbel, misschien heeft u verschillende vertalingen om te vergelijken. Het is aan te raden om deze studie niet achter elkaar te doen maar om er de tijd voor te nemen om de informatie goed op te kunnen nemen.
לַֽמְנַצֵּחַ עַל–הַגִּתִּית מִזְמוֹר לְדָוִֽד
Lamnatseach al hagitith mizmor leDavid
Vers 2
יְהֹוָה אֲדֹנֵינוּ מָֽה–אַדִּיר שִׁמְךָ בְּכָל–הָאָרֶץ אֲשֶׁר–תְּנָה הוֹדְךָ עַל–הַשָּׁמָֽיִם
JHWH Adonejnu mah adir shimkha bekhol ha’arets asher tana hodkha al hashamajim
Aanwezige, onze Heere, hoe heerlijk is Uw naam op heel de aarde; Uw majesteit/glorie/eer die U heeft gesteld boven de hemelen
De jubeltoon die David bezigt in deze Psalm begint meteen al bij deze eerste strofe, lees het eens een aantal keer en lees het vooral hardop en u kunt niet anders dan blij worden van de toon van David. Hij is zo blij met zijn God! David kan zo vreselijk in de penarie zitten en het uitschreeuwen naar God in zijn wanhoop en veel van deze Psalmen hebben wij al in andere artikelen uitgewerkt, maar dit is dan weer zo’n heerlijke bevestiging van de diepe relatie die David met God heeft; laten we vooral, zelfs in onze nood, niet vergeten om God hartelijk te aanbidden om Wie Hij is; David is dat ook niet vergeten. Wat een inspiratie! Hij is eigenlijk de grote meester, de maestro, die componeert en de student, die eeuwen later zijn werk leest, speelt/zingt het na, net zoals bij de grote werken van Mozart, Brahms en Bach: de muziekstudent en liefhebber speelt deze grote werken ook graag na, daar zijn ze voor!
Het unieke van de Psalmen is uiteraard de diepere boodschap: woorden op muziek doen de truc; we onthouden door de muziek de woorden veel beter. Daarom is het zo goed om de Psalmen te blijven zingen om zodoende niet te vergeten hoe groot God is en hoe Hij ons uit onze noden helpt. Het hielp David en het helpt ons in deze tijd!
Het woord heerlijk is in het Hebreeuws het woord adir (אדיר Aleph, Daleth, Jod, Resh). Het is afgeleid van het werkwoord adar (אדר Aleph, Daleth, Resh) en dit betekent: heerlijk, majesteitelijk zijn. In het Engels vertalen we dit woord met excellent, wat een prachtige vertaling is: God excelleert met heel Zijn Wezen. Heerlijk kennen wij doorgaans als een woord dat we gebruiken als iets heel erg lekker aanvoelt of smaakt, maar hier in de Bijbel heeft het te maken met Gods majesteit, met Zijn glorie en eer.
Bij iedere Hebreeuwse woordstudie is het leerzaam om naar de letters van een woord te kijken om te zien of deze ook slaan op de betekenis van het woord. In dit geval is dit zo. Bij het werkwoord adar אדר zien we allereerst de Aleph א staan en we weten dat de Aleph, de eerste letter van het Hebreeuwse Alfabet (Alephbeth eigenlijk), alles met God Zelf te maken heeft; deze letter betekent Eersteling, Koploper, Voortrekker en deze betekenissen slaan allemaal op Hem. Ook is de Aleph het getal 1 en God is ook Eén. Zo zijn er nog veel meer betekenis-raakvlakken tussen de Aleph en God Zelf.
De tweede letter in het woord adar אדר is de letter Daleth ד en deze letter betekent deur; de derde letter in het woord is de Resh ר wat betekent hoofd/principe. Hij is het Hoofd van het lichaam (1 Kor. 12:13); Hij deelt Zijn principes met ons en zo horen wij dan ook te leven, volgens Zijn richtlijnen, Zijn principes. Maar… hier gebeurt iets moois: God in al Zijn heerlijkheid, Zijn majesteit en Zijn glorie, het Hoofd van het lichaam, staat aan de Daleth, ד de deur van ons hart en Hij klopt, maar dan wacht Hij tot er wordt opengedaan, er zit geen klink aan de buitenkant (Openbaring 3:20). Wat is dit mooi: Hij breekt nooit bij ons in en Hij zou toch alle recht hebben? Hij, onze Maker, Schepper van hemel en aarde, heeft zoveel respect voor ons, voor onze wil, dat Hij wacht totdat wij zelf opendoen. Wat een kwetsbaarheid laat Hij hier zien! Zo’n God willen we toch volgen?! Maar ook, nog belangrijker, is Hijzelf de Deur, door Wie de mens binnen mag gaan in Zijn Koninkrijk (Johannes 10:7)! Zo zien we dat deze drie letters: Aleph א, Daleth ד en Resh ר ook de betekenis van het woord adar אדר versterken, Hebreeuws kan niet door mensen verzonnen zijn, er zit zo’n diepgang in!
Een ander woord voor majesteit, heerlijkheid, glorie en eer dat in dit vers wordt gebruikt, is het woord hod הוד (He, Waw, Daleth). Dit woord betekent ook nog onder meer: glans, pracht. Wanneer we deze woorden zo ontleed zien, dan kunnen we ons een voorstelling maken van David, die zijn God voor zich ziet in alle pracht en bekleed is met majesteit, eer en glans. Zo komt men wel in aanbidding! In het woord hod הוד staan twee Godsnaamletters, uit de naam JHWH יהוה verborgen: de He ה en de Waw ו. Deze prachtige naam van God betekent: gebeuren, geschieden, maar ook: Aanwezig zijn. En dan weer de Daleth, de Deur, Die Hijzelf ook is. Zijn eigen Naam is verbonden met dit woord voor heerlijkheid, glans en pracht. En zo hoort het ook: Hem komt alle lof, alle eer en alle aanbidding toe! Overigens gebruikt God het woord hod הוד in Numeri 27:20 waar Hij aan Moshe gebiedt om ‘van zijn heerlijkheid mehodkha מהודך over te dragen aan zijn opvolger Jozua/Jehoshua.
Vers 3
מִפִּי עֽוֹלְלִים וְֽיֹנְקִים יִסַּדְתָּ עֹז לְמַעַן צֽוֹרְרֶיךָ לְהַשְׁבִּית אוֹיֵב וּמִֽתְנַקֵּֽם
Mipi ‘olelim vejon’qim jisadeta oz lema‘an tsor’rejkha lehashbit ’ojebh umitnaqem
Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen heeft U sterkte gegrondvest omwille van uw wederpartijders, vijand en wraakgierigen.
Wat een lastig vers om letterlijk te vertalen, het geeft heel wat gepuzzel om deze zin in het Nederlands goed te laten lopen. Sowieso staan de woorden wederpartijders en wraakgierigen in het meervoud en staat het woord vijand plotseling in het enkelvoud. Gaat het hier om de mensen die God tegenwerken en gaat het hier ook om de vijand, de satan/tegenstander, enkelvoud? Het zou goed kunnen; juist deze ‘onregelmatigheden’ in de tekst kunnen zo’n verrassende diepgang openbaren.
‘Uit de mond van kleine kinderen…’ Een klein kind, met de nadruk op klein, is een ‘olel (עולל Ajin, Waw, Lamed, Lamed). Het is zelfs zo dat dit kan slaan op een ongeboren kind. Hetzelfde woord wordt namelijk gebruikt in Job 3:16 waar gesproken wordt over kinderen die het licht niet hebben gezien, een misdracht. Als we dit eens even vertalen naar dit vers in Psalm 8, dan kunnen we er dus vanuit gaan dat ook een nog ongeboren kind Gods sterkte doet grondvesten: uit hun mond, hun peh פה (Peh, He). Maar een ongeboren kind zegt toch nog helemaal niets, gebruikt de mond toch helemaal niet? Toch is het heel wonderlijk dat dit er zo staat en spreekt de ontwikkeling van een kind in de moederschoot niet voor zichzelf? Sowieso zit de kracht van de man in zijn zaad, veel meer dan in zijn spieren of hersens, dus wat de man voortbrengt, de voortplanting van de mens is ook de kracht van God, Die heeft bepaald dat de mens zich zou voortplanten: ‘Wees vruchtbaar en vermenigvuldigt u (Genesis 1:28 en 9:1).’
Maar ook de zuigelingen zeggen niet meer dan uh, uh, uh, dit is meestal het allereerste basisgeluidje van de mens: het uitspreken/hummen van de uh-klank, in het Hebreeuws de ‘Shewa klank’ genoemd. Ook zuigelingen spreken nog niet, net zomin als een ongeboren kind. God heeft dus geen uitgesproken woorden nodig om Zijn sterkte te grondvesten, goed om te weten, alhoewel Hij om onze aanbidding vraagt! Het Hebreeuwse woord voor zuigeling is joneq (יונק Jod, Waw, Nun, Qoph), afgeleid van het werkwoord janaq (ינק Jod, Nun, Qoph) en dat betekent zuigen, aan de borst drinken. Een binnenwoord in het werkwoord janaq is het woord qen קן (Qoph, sluitnun) en dit betekent nest. Zoals een dier nestelt en haar jongen in haar nest veilig bewaart, zo is een zuigeling veilig in de armen van moeder genesteld om zich te laven met haar melk. Een woordverband met janaq ינק vinden we in het werkwoord qajém (קים Qoph, Jod, Sluitmem): vaststellen, bekrachtigen, is dit niet frappant? De zuigeling bekrachtigt Gods grondvesten; geen speld tussen te krijgen. Niet spreken dus, maar zuigen! En wij volwassenen maar moeilijk doen vaak…. :-)
Het zoeken naar binnenwoorden in een Hebreeuws woord is, net zoals het kijken naar de letters van een woord om te zien of hun betekenis slaat op het betreffende woord en het zoeken naar woordverbanden met andere werkwoorden waarvan er twee letters hetzelfde zijn, een bijzonder zegenende en algemeen aanvaarde techniek in de Hebreeuwse taaltraditie. Men vindt de mooiste schatten.
Het woord voor vijand is het Hebreeuwse woord ojebh אויב (Aleph, Waw, Jod, Bheth). Opvallend is dat dit woord met een Aleph א, de letter van God Zelf, begint. Maar goed, degenen die zich als vijand van het volk Israël, Gods volk, opstellen, die zijn daarmee de vijand van God geworden. We kunnen Zijn volk niet lostrekken van Hem. Zelfs zitten er ook twee letters uit de Godsnaam JHWH (יהוה Jod, He, Waw, He) in ojebh אויב verborgen, namelijk de Waw ו en de Jod י. ‘Uw vijanden maken getier en Uw haters steken de kop op,’ spreekt Asaf in Psalm 83:2. God heeft vijanden en kan Zich ook Zelf een Vijand betonen (Exodus 23:22). Ojebh, vijand, komt van het werkwoord ajabh איב wat haten betekent.
Maar kijk nu eens naar een prachtig woordverband dat we kunnen vinden tussen het woord ojebh (אויב Aleph, Waw, Jod, Bheth), vijand en het woord voor liefde, ahabha אהבה (Aleph, He, Bheth, He). Woordverband vinden we omdat er twee letters in deze twee woorden gelijk zijn; beide woorden hebben een Aleph א en een Beth ב. ‘Heb je vijanden lief en zegen degenen die je vervolgen,’ sprak Hij in Mattheus 5:43!
Natuurlijk- en zelfs nog beter- kunnen we dit woordverband ook zien tussen het werkwoord haten, ájábh (איב Aleph, Jod, Bheth) en het werkwoord liefhebben, áhábh אהב (Aleph, He, Bheth), waarvan liefde is afgeleid; de Aleph א en de Beth ב zijn gelijk in deze twee woorden, maar de Jod י en de He ה verschillen in deze twee woorden. Als van de Jod י een He ה wordt gemaakt dan slaat haat om in liefde. Liefde en haat liggen zeer dicht naast elkaar: onbeantwoorde liefde kan weer omslaan in haat.
Toen God de Jod uit de naam van Sarai verving voor een He (Sarah) werd ze vruchtbaar en kon ze een liefhebbende moeder worden voor Jitschaq/Izaak.
Het woord dat in dit vers gebruikt wordt voor wraakgierigen is afgeleid van het Hebreeuwse werkwoord naqam נקם (Nun, Qoph, Sluitmem) wat wreken betekent. Ook God Zelf neemt wraak op Zijn vijanden. Een woordverband vinden we in het woord voor opstaan: qum (קום Qoph, Waw, Sluitmem). ‘Sta op, o God en wreek al ons bloed dat gevloeid is, omwille van Uw heilige naam!’ (Op. 6:10). “Mij komt de wrake toe,” spreekt God in Deuteronomium 32:35a. Naqam נקם heeft woordverband met het werkwoord troosten, nacham: נחם God troost Zijn volk, wist alle tranen af wanneer Hij de vijand gewroken heeft (Openbaring 7:14-17).
Vers 4
כִּֽי–אֶרְאֶה שָׁמֶיךָ מַֽעֲשֵׂה אֶצְבְּעֹתֶיךָ יָרֵחַ וְכֽוֹכָבִים אֲשֶׁר כּוֹנָֽנְתָּה
Ki ’er’eh shamejkha ma‘aseh ’etsbe‘otekha jareach vekhokhabhim ’asher konan’tah
Want ik zag/zie/zal zien Uw hemelen, maaksel van Uw vingers, maan en sterren die Gij verordineerd, ingewijd hebt.
Konantah (כוננתה Kaph, Waw, Nun, Nun,Taw, He), Gij hebt geïnstalleerd, verordineerd, is een woord met een zeer zeldzame vorm in de Hebreeuwse grammatica, allereerst omdat we hier met de zeldzame pilelvorm, een variatie op de pi’elvorm (de versterkte vorm) te maken hebben, waarbij er altijd een letter herhaald wordt in de woordstam, in dit geval namelijk de nun נ (in het woord voor de duidelijkheid rood gekleurd), die we hier twee keer achter elkaar zien staan. Ook is het zo dat de volledige vorm om het mannelijke achtervoegsel aan te geven ook in een uitzonderlijk geval is blijven staan: namelijk een He ה achter de, in dit geval, mannelijke Taw, ת die hier staat voor Gij. Het kostte even werk om dit woord te ontleden :-). Overigens is er voor dit soort studie de fantastische lexicon van Davidson, die zulke complexe woorden feilloos weet te ontleden.
De woordstam is hier koen (כון Kaph, Waw, Sluitnun) en dit betekent voorbereiden. We kunnen hiermee dus stellen dat installeren, ordineren de versterkte vorm is van voorbereiden, net zoals bijvoorbeeld in het Nederlands jakkeren de versterkte vorm is van jagen en bibberen de versterkte vorm is van beven. Beiden zijn overigens Hebraïsmen.
Het krijgt iets heiligs: God heeft de maan en de sterren opdracht gegeven om tot aanschijn te komen, zoals een priester wordt geordineerd, wordt ingewijd, zo zijn de maan en sterren op de vierde scheppingsdag ook ingewijd. Hebreeuws is niet altijd gemakkelijk, maar o, wat loont het de moeite om zo’n woord echt te ontleden; de schatkamer opent haar deuren!
Er is echter iets wat niet lijkt te kloppen met de werkelijkheid. In Genesis staat duidelijk beschreven dat God alles tot aanzijn riep, qara’ קרא (Qoph, Resh, Aleph). Maar David spreekt hier dat God de sterren en de maan met Zijn vingers, Zijn etsba’oth אצבות (Aleph, Tsade, Beth, Waw, Tav), heeft gemaakt. Nu kan het zijn dat David meer inzicht heeft dan wat de Bijbel hier doet vermoeden en dat God bij Zijn roepen ook Zijn handen gebruikte om te creëren. Sowieso heeft hij de eerste man geformeerd uit klei en de eerste vrouw uit de rib of het zachte deel van ’s-mans zijde. Maar het is ook aannemelijk om te denken dat David niet wist dat God de hemel en aarde tot aanschijn heeft geroepen zonder Zijn handen te gebruiken, denk maar aan iets anders dat hij ook niet wist, namelijk aan hoe hij de Ark van het Verbond moest vervoeren. In eerste instantie zet hij de Ark op een ossenwagen en dat gaat helemaal mis (2 Samuel 6:3; 1 Kron. 13:3-14). Dan komt hij er daarna pas achter hoe het wel had gemoeten, namelijk dat de Ark had moeten worden gedragen met de speciaal daarvoor gemaakte draagstangen op de schouders van de Levieten (1 Kron. 15:2). Waarschijnlijk had hij de wetten van Moshe niet (voldoende) gelezen en had hij zijn kennis van – en liefde voor – God door overleveringen en persoonlijke ervaring alleen… ?
Vers 5
מָֽה–אֱנוֹשׁ כִּֽי–תִזְכְּרֶנּוּ וּבֶן–אָדָם כִּי תִפְקְדֶֽנּוּ
Mah ’Enosh ki tizkerenu ubhen-Adam ki tiphqedenu
Wat is de mens/sterveling/mensheid dat Gij hem gedenkt en de zoon van Adam, dat Gij naar hem omziet?
Het woord voor mens is hier het woord enosh (אנוש Aleph, Nun, Waw, Shin), anders dan ádám אדם (Aleph, Daleth, Sluitmem), wat ook mens betekent en het verschil gaan we duidelijk zien wanneer we het stamwerkwoord opzoeken waar enosh van is afgeleid: ánash אנש (Aleph, Nun, Shin), ziek/sterfelijk zijn.
Het feit dat David hier het woord enosh, sterveling gebruikt in plaats van het woord ádám, mens, geeft des te duidelijker weer wat een tegenstelling hij hier neerzet: de enorme grote God, Die de sterren en maan inwijdt tot hun dienst, Diezelfde God gedenkt die zwakke sterfelijke mens, wat een enorme genade! David is hier overduidelijk vol heilige verwondering voor zijn God.
Het woord voor gedenken is het woord zakhar זכר (Zajin, Khaph, Resh). De eerste keer dat dit woord in de Bijbel wordt genoemd is in Genesis 9:15, waar God Zelf spreekt: “Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, dat is tussen Mij en u… (Genesis 9:15a).” Hier spreekt God tegen Noach over de regenboog.
Die grote God, Die omziet naar de sterveling, gaat zelfs nog verder: Hij vraagt aan de sterveling om Hem te doen gedenken. Dit staat in Jesaja 62:6 “O, gij die des HEEREN (de Aanwezige) doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij u wezen en zwijgt niet stil voor Hem totdat Hij bevestigt en totdat Hij Jeruzalem stelt tot een lof op aarde.” Deze lyrische woorden spreekt God eeuwen na David tegen de sterveling, de wachter op de muren van Jeruzalem. Alsof Hij Zich kwetsbaar moet opstellen; de sterveling nodig heeft voor Zijn plan… Natuurlijk staat het woord gedenken hier dan ook in de zogenoemde doevorm, oftewel de Hebreeuwse hiphilvorm waarbij een he ה voor de stam komt te staan en een jod י tussen de tweede en derde stamletter. Wanneer we iemand te drinken geven, dan drinken we niet zelf, maar we drenken die ander. In het geval met het woord gedenken, gedenken we dus ook niet zelf maar doen die ander gedenken. We herinneren diegene aan zijn beloften, net zoals een secretaris of secretaresse, die zijn of haar baas herinnert aan bepaalde afspraken. Niet verwonderlijk dat het woord voor secretaresse dan ook mazkirah הריכזמ, waarin de woordstam zakhar רכז gedenken, verstopt zit (zie en vergelijk de rode letters met het woord zakhar רכז).
Een van de mooiste woorden uit de Bijbel is het woord paqad (פקד Peh, Qoph, Daleth), wat onder meer omzien naar betekent. Dit woord komt redelijk vaak voor in de Bijbel en is niet altijd mooi van betekenis omdat het heel bestraffend kan overkomen: “Ik bezoek degenen die niet naar Mijn wil leven en doe hen boeten (Ex. 32:34b).” Deze beide woorden: bezoeken en boeten zijn ook vertalingen van paqad. Bestraffend dus, ja, maar ook betekent paqad, hier vervoegd – en zo mooi: ‘God zag om naar Sarai’ en dat deed Hij om haar schoot te openen en haar kinderwens te vervullen (Genesis 21:1). En zoals Hij omzag naar Sarai, zo ervaart David in deze Psalm dat God omziet naar de sterveling met gedachten van heil en niet van onheil (Jeremia 29:11)… En dan betekent paqad ook nog monsteren missen, in dienst nemen, inspecteren en zelfs toevertrouwen. Die zondige mens, die tekortschiet in liefde en in verootmoediging voor God, die wil God toch aanmonsteren, toch Zijn Woord toevertrouwen, er is hoop voor de sterveling!
Vers 6
וַתְּחַסְּרֵהוּ מְּעַט מֵֽאֱלֹהִים וְכָבוֹד וְהָדָר תְּעַטְּרֵֽהוּ
Vatchasrehu m’at me’Elohim wekhabhod vehadar t‘atrehu
Maar Gij hebt hem weinig minder gegeven/minder doen zijn dan God/goden/heren en met eer en sieraad/luister/pracht/glans/praal hebt Gij hem gekroond.
In dit vers opnieuw een tegenstelling, na de tegenstelling van God Zelf in al Zijn Majesteit ten opzichte van de sterveling, is er nu de tegenstelling van de sterveling die toch ook weer weinig minder is dan God Zelf, Elohim אלהים (Aleph, Lamed, He, Jod, Sluitmem)!
Elohim is de naam van God tot aan Exodus 3:15, waar Hij tegen Moshe spreekt dat Hij herdacht wil worden met de naam JHWH, (יהוה Jod, He, Waw, He). God wordt daar heel persoonlijk; Elohim kan men zowel in het enkelvoud als in het meervoud vertalen met God of met goden/heren; JHWH יהוה echter, betekent onder meer: Betrokken Aanwezige. Het is hier in Exodus alsof God Zijn handtekening zet, met Zijn eigen naam in grote letters onder de ‘Operatie Bevrijding van het Volk Israël uit Egypte.’ Omdat Hij zegt dat Hij de Aanwezige is, durft Moshe, zij het nog steeds schoorvoetend, naar Egypte en het hof van farao te trekken om Gods plan met Zijn volk uit te voeren.
Even terug naar de betekenis van het woord Elohim אלהים hier in deze Psalm: vreemd genoeg wordt dit woord hier in de meeste vertalingen vertaald met engelen. Het lijkt alsof de vertalers bang zijn om de sterveling te vergelijken met God Zelf, echter, we moeten niet vergeten dat God de mens naar Zijn eigen beeld heeft geschapen (Genesis 1:27)! Elohim אלהים is verder ook nog te vertalen met goden/afgoden. Echter, in Genesis 1:1 en talloze malen verder in de Bijbel slaat dit woord wel degelijk op God Zelf en dat zien we dan weer aan de context in de zin; zoals bij Genesis 1:1 ‘In den beginne (of nog beter: met de Eersteling) schiep (enkelvoud) Elohim de hemel en de aarde.’ Er is geen twijfel mogelijk dat dit over God gaat in het enkelvoud, zelfs al heeft het woord Elohim אלהים een meervoudsuitgang. Dit is zo’n typisch geheimenis: Hij is Eén (Deut.6:4), maar Hij is wél Woord en Geest (Genesis 1:2,3) en het Woord is Vleesgeworden en heeft onder ons verkeerd (Johannes 1:14).
Het woord voor eer is het Hebreeuwse woord kabhod (כבוד Kaph, Bheth, Waw, Daleth), afgeleid van het werkwoord kabhad, כבד (Kaph, Bheth, Daleth) wat betekent: zwaar, belangrijk, aanzienlijk, ernstig zijn. Denk maar aan het Nederlandse gewichtig doen of zijn. Gewichtig is in feite een ander woord voor zwaar en heeft ook met eer te maken, duidelijk een Hebraïsme. God eren is Hem zwaar maken door lofzang, Hem ‘naar beneden halen’ (Psalm 22:3 of 4) Hij troont immers op de lofzang van Israel! Laat dit gegeven eens goed op u inwerken.
In het vijfde Woord van de Tien Woorden spreekt God: “kabed eth abhikha w’eth imekha כבד את אביך ואת אמך ”. Eer uw ouders, oftewel maak hen zwaar/ laat hen gewichtig zijn (Exodus 20:12).
Vers 7
תַּמְשִׁילֵהוּ בְּמַֽעֲשֵׂי יָדֶיךָ כֹּל שַׁתָּה תַֽחַת–רַגְלָֽיו
Tamshilejhu bema‘asej jadekha kol shatah tachat raglav
Gij doet hem regeren/heersen in/met/over het maaksel van Uw handen, alles heeft u onder zijn voeten gezet/gesteld.
Gij doet hem heersen/regeren is het Hebreeuwse woord tamshilejhu תמשילהו (Taw, Mem, Shin, Jod, Lamed, He, Waw), de Taw ת slaat hier op Gij, de jod י vertelt ons dat we hier met een doe-vorm (hiph’ilvorm) te maken hebben; God doet hem namelijk heersen en de laatste twee letters He ה en Waw ו slaan op hem. De woordstam is hier het werkwoord mashal משל (Mem, Shin, Lamed), heersen/regeren. We hebben de woordstam hierboven even in rood gezet voor het gemak.
Met het woord mashal משל kunnen we iets doen, we kunnen er het binnenwoord shem, שם naam uit halen), de mem מ heeft, wanneer hij aan het einde van een woord staat, een iets andere vorm ם als zogenoemde sluitmem, maar is dezelfde letter met dezelfde betekenis. God heeft voor de mens bedoeld dat hij over de aarde zou heersen in Zijn naam. Ook kan het woordje shel (של Shin, Lamed) gezien worden in het woord mashal en dit betekent van: de aarde is van God. Als we in Gods naam over Zijn aarde heersen dan gaat het goed, echter, gaat de mens in eigen kracht heersen dan loopt het fout en dan moeten de fouten weer hersteld worden; de prijs voor de gemaakte schuld moet betaald worden. Dat is dan ook precies wat God heeft gedaan. Het ging al vrijwel meteen fout in de Hof van Eden, toen het eerste mensenpaar ongehoorzaam werd en at van de Boom van de Kennis van Goed en Kwaad (Genesis 3), maar God Zelf heeft de prijs betaald voor de schuld die de mens op zich geladen heeft: als we het woord mashal משל door elkaar husselen, dan krijgen we het woord shalem (שלם Shin, Lamed, Mem) wat betekent schuld vereffenen/betalen en dat is precies wat Jehoshua deed aan het kruis! Hijzelf is ons vangnet als we de fout ingaan…
Onze Messias משיח is Hij, Degene Die riep: “Het is volbracht/betaald: nishlam (נשלם afgeleid van shalem שלם).” Het is geen toeval dat Messias, shalem שלם en mashal משל woordverband hebben. Kijken we naar de letters van het woord mashal משל en shalem: שלם Shin ש betekent tand en heeft te maken met het vermalen van ons verleden; Lamed ל betekent prikstok, welke een herder gebruikt om zijn schaapjes aan te voeren en de Sluitmem ם staat voor wachttijd. We kunnen dus zeggen dat toen Hij de prijs voor onze zonden betaalde, onze schuld vereffende, dat we vanaf die tijd bij Hem mogen komen zoals we zijn, met al ons lek en gebrek en dan vermaalt Hij ons, soms zeer pijnlijke, verleden; ש Hij leidt ons voort met Zijn prikstok ל in Zijn kudde en door Zijn tijd ם geneest Hij ons van onze overtredingen, daar doet Hij soms wel een mensenleven lang over, want helaas zijn wij mensenkinderen nogal eens hardleers…
Vers 8
צֹנֶה וַֽאֲלָפִים כֻּלָּם וְגַם בַּֽהֲמוֹת שָׂדָֽי
Tsoneh va’alaphim kulam vegam bahamoth sadai
Schapen en ossen allemaal en ook de dieren van het veld.
David maakt hier een scheiding tussen gedomesticeerde en wilde dieren en benoemt alleen twee soorten van de gedomesticeerden bij naam: schapen en ossen. Over beide soorten is ook wat te zeggen. Over schapen bijvoorbeeld: wist u dat een schaap ervoor kan kiezen om dood te gaan? Als het beest enorm van iets schrikt, maar verder is er helemaal niets mee aan de hand, dan kan het doodgaan zonder dat er dierenarts er nog iets tegen kan doen. Dus is het helemaal niet toevallig dat Jehoshua Zich vergelijkt met een Lam dat geslacht is, vrijwillig…
Wat betreft de ossen willen wij eens kijken naar de leugen dat Jehoshua in een stal met een os en een ezel geboren zou zijn, wat in feite alleen maar een schimpscheut is naar het Joodse volk. God spreekt immers in Jesaja 1:3: “Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.” In het algemene christelijke denken is dit doorgetrokken naar de geboorte van Jehoshua in een stal met juist deze twee dieren, maar in de Bijbel staan deze twee dieren nergens vermeld bij Zijn geboorte. Het lijkt allemaal zo lief, zo’n houten kerststalletje met deze diertjes erbij…
Vers 9
צִפּוֹר שָׁמַיִם וּדְגֵי הַיָּם עֹבֵר אָרְחוֹת יַמִּֽים
Tsipor shamajim udegej hajam obher archoth jamim
De vogels van de hemel en de vissen die de paden der zee doorkruisen.
Het woord voor vogel is het woord Tsipor צפור (Tsade, Peh, Waw, Resh), wat afgeleid is van het werkwoord tsaphar צפר (Tsade, Peh, Resh) wat zo ongeveer betekent: wegsluipen of afbuigen, het is niet helemaal duidelijk volgens het woordenboek van Broers. Als we aan een vogel denken, dan weten we dat zo’n beestje in het algemeen zeer schuw is en maakt dat hij wegkomt als er gevaar dreigt. Woordverband is er met het woord voor tsjilpen, piepen, tsaphaph צפף (Tsade, Peh, Sluitpheh). Ook is er woordverband met raphaph, (רפף Resh, Pheh, Sluitpheh) wat beven betekent: ‘Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, zegt Hosea in 11:11a. Dit is misschien wel de allermooiste belofte uit de hele Bijbel: God zegt in dit hoofdstuk eerder (in vers 8): “Hoe zou Ik u overleveren, o Efraim? U overleveren, o Israel? Hoe zou Ik u maken als Adamah, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken.” En daarna spreekt Hij in vers 11 dat Zijn volk bevende tot Hem zal komen als dat genoemde vogeltje. God breekt Zijn beloften nooit!
Het woord voor pad is het woord orach ארח (Aleph, Resh, Cheth). Hier spreekt David over de vissen, dagim דגים (Daleth, Gimel, Jod, Sluitmem) die de paden, archoth ארחות (Aleph, Resh, Cheth, Waw, Taw) van de zee bewandelen. Het woord voor pad, paden is afgeleid van het werkwoord arach, (ארח Aleph, Resh, Cheth) wat reizen, onderweg zijn betekent. Orach, ארח pad, betekent echter ook: levenswijze, David spreekt hier dus net zo goed dat de vissen hun eigen levenswijze hebben in de zee. Ook is er het woord orchah, ארחה (Aleph, Resh, Cheth, He) wat betekent rantsoen, onderhoud, maaltijd. De vissen bewandelen de zee om zich te onderhouden; zwemmen van maaltijd naar maaltijd.
Vers 10
יְהֹוָה אֲדֹנֵינוּ מָֽה–אַדִּיר שִׁמְךָ בְּכָל–הָאָֽרֶץ
JHWH ’Adonejnu mah adir shimkha bekhol ha’arets
Aanwezige, onze Heere, hoe heerlijk is Uw naam op heel de aarde; Uw majesteit/glorie/eer die U heeft gesteld boven de hemelen
Wonderlijk is dat voor het woord naam, shem שם (Shin, Sluitmem) geen werkwoord bestaat, of misschien bestaat het wel, maar men weet het woord niet; het is onduidelijk gebleven. We zouden verwachten dat het werkwoord van shem het woord noemen zou zijn, namen worden genoemd, echter, dit is een heel andersoortig werkwoord in het Hebreeuws: qara קרא (Qoph, Resh, Aleph), (we zagen dit woord in deze studie al eerder voorbijkomen), wat betekent noemen, roepen, hardop voorlezen. “Ik heb U bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn,” spreekt God in Jesaja 43:1.
Maar laten we eens kijken naar het woord shama שמע (Shin, Mem, Ajin), horen. Dit werkwoord heeft wel woordverband met shem, שם zelfs komt het woord shem שם helemaal in shama שמע voor. Voor ons is dus het horen naar onze naam belangrijker dan het noemen van onze naam: “Hoor Israel. (Deut. 6:4).”
We mogen horen wanneer God ons bij onze naam noemt, ons tot Zijn dienst roept; om in Zijn Naam te heersen over de aarde… Overigens is het grappig dat het woord shama שמע uit twee letters bestaat die bepaalde lichaamsdelen vertegenwoordigen, namelijk de Shin ש welke tand betekent en de Ajin ע, welke oog betekent en dat het woord shama שמע in zijn totaliteit horen betekent. Het doet meteen denken aan Gods uitspraak over oog om oog, tand om tand (Deut. 19:21, Mattheus 5:38). Deze wet uit Deuteronomium is in feite heel humaan: men mag om het verlies van een oog of tand niet meer terugpakken dan de waarde ervan; men mag dus niet iemand doden die een ander een oog of een tand uitgeslagen heeft en Jehoshua maakt het nog sterker door te stellen dat men zelfs beter de andere wang kan toekeren; beter is het om te horen naar Hem, Die vergeving schenkt en van ons ook verwacht om vergeving aan de ander te schenken. Zo zit er in een Hebreeuws werkwoord weer een heel verhaal…
David is opgetogen in deze Psalm en men kan niet anders dan opgetogen zijn met hem, wat geweldig dat zulke Psalmen in de Bijbel staan om ons ook in deze tijd nog te bemoedigen met de grote God, Die in Davids tijd en Die in onze tijd nog altijd Eén en Dezelfde is, amen!