Kohen komt van kahan כהן dat volgens Gesenius (“Hebraïsches und Aramäisches Handwörterbuch”) verwant is met kun קון (spreek uit: koen: rechtop staan): een kohen is letterlijk een staander die lofprijzend staat voor God (Deut. 10:8). Israël is bestemd om een koninkrijk van kohens te zijn (Ex. 19:6).
De gangbare vertaling priester wekt verwarring. Priester komt van het Griekse presbuteros (presbyter) dat oudste betekent. Een priester is iemand die op grond van een bepaalde begaafdheid uitverkoren is tot de dienst van Israëls God. Een oudste (zaqén in het Hebreeuws) is iemand die op basis van een bepaalde leeftijd tot deze dienst geroepen is. Voor God zijn alle mensen gelijk, maar niet gelijktijdig: er zijn eerderen (ouderen) die eerder dan de anderen tot antwoord, tot verantwoordelijkheid zijn geroepen. De eerbied voor de oudsten is een grondpijler van de Bijbelse samenleving: het eren van de oudsten is de erkenning van hun uitverkiezing.
Woordverwarring is nooit ongevaarlijk: de zogenaamde priesters (de op grond van hun begaafdheid geroepenen) hebben veelal de presbyters (de op grond van hun leeftijd geroepenen) verdrongen van hun centrale plaats in de samenleving. Er is veel voor te zeggen om het woord priester in het vergeetboek te plaatsen en met het woord presbyter te bedoelen waar het oorspronkelijk op doelt, de 55-plussers. (De Levieten werden zelfs al op 50-jarige leeftijd van hun dienstwerk ontslagen, Num. 8:25).