Het hart (לב lebh) is het middelpunt van ons menszijn, vanwaar de uitgangen des levens zijn (Spr. 4:23). Het is de plaats waar ons bestaan begon, begint en beginnen zal. Op zich is ons hart een leegte, een holte (van Ruler, a.w. 135). Het is als het Heilige der Heiligen: een lege kamer. In die leegte is God begonnen, heeft Hij onze naam, ons unieke programma uitgeroepen. Ook elke samenleving heeft een hart, een leegte in het midden.
De taal van het hart is een strikt persoonlijke taal met eigen woorden of woordbetekenissen. Hart-taal kan ook tongentaal zijn, met klanken waar onze logica niet goed bij kan: er is een vóór-logische taal, een kindertaal (brabbeltaal) die alleen voor een liefhebbende moeder verstaanbaar is, én er is een nà-logische of boven-logische taal, met voor buitenstaanders onverstaanbare klanken, een tongentaal, waarin het hart zich luchten kan, waarin ons wezen, onze naam zich uitspreekt (1 Cor. 14:2).
De Hebreeuwse Bijbel, Tenach, begint met de letter Beth ב en eindigt met de letter Lamed. ל Ook het laatste woord van de Thora eindigt met de Lamed. Aan het eind van Loofhuttenfeest/Sukkot leest men in de synagoge het laatste stukje tekst van Devariem/Deuteronomium en in één stuk door de eerste verzen van Bereshiet/Genesis.
Dan komen de Lamed ל en Beth ב even samen in één ademtocht: lebh. לב Dat is vast niet toevallig maar mag ons toevallen: Zijn Woorden naar binnen laten komen, ons hart in. Mijn zoon… geef mij je hart לב (Spr. 23:26).