Met een Mem beginnen de woorden (מן mán: manna) en (מים majim: water). In de woestijn kreeg het Godsvolk water uit de Rots en brood uit de hemel. Beide waren bijzonder van aard. Het water uit de Rots was volgens de apostel Paulus ‘geestelijk’, want de Rots was geestelijk: een ‘Messiaanse Rots’ die ‘met hen meeging’ (1 Cor.10:4).
Paulus doelt hierbij kennelijk op de Joodse overlevering, waarin sprake is van een Rots die zich telkens verplaatste: als het volk op een nieuwe halteplaats was aangekomen, was daar ook weer die wonderlijke Rots waaruit levend water stroomde. Deze waterstroom, zo is de legende, werd dan geleid naar de woonplaatsen van elk van de twaalf stammen, van waaruit men geultjes groef tot aan de ingang van iedere tent. Zo had men elke dag vers stromend water. En ook vers brood uit de hemel. Dit zogenaamde manna dat leek op korianderzaad wordt het ‘brood der engelen’ genoemd, hemels brood (Ps. 78:25). Brood waarvoor men geen moeizaam werk hoefde te verrichten: men kon het zomaar oprapen.
Ook Adam en Eva in de Hof van Eden hoefden geen moeite te doen voor het dagelijks brood. Volgens de overlevering groeide toen het brood aan de boom des Levens: men kon het er zo afplukken. Maar na de zondeval moest Adam brood eten ‘in het zweet zijn aanschijns’, moest hij er hard voor werken: de grond bewerken, zaaien, maaien, dorsen, malen, bakken. In ons dagelijks brood (לחם lechem) weerspiegelt zich onze menselijke gebrokenheid: het graan moet sterven, gemaaid, gedorst, gemalen worden – een zeer moeizame lijdensweg. Elke boterham herinnert aan de pijn door onze menselijke schuld, maar ook aan Gods bevrijdend handelen: Hij is de weg van de graankorrel gegaan en opgestaan uit onze dood, Hij voedt ons vanuit de hemel van dag tot dag met geestelijk brood, met Zijn Woord en Zijn Geest, Hij is ons dagelijks Manna.